Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5019

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
04-12-2017
Zaaknummer
23-001823-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet mishandeling. Verdachte heeft aangeefster met kracht geduwd, waardoor zij ten val is gekomen en pijn heeft ondervonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001823-17

Datum uitspraak: 10 november 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer
13-069511-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door met kracht tegen het lichaam te duwen en/of te slaan en/of te stompen, tengevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft de aangeefster weliswaar geduwd, maar hieruit volgt niet dat hij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn en letsel.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

Vast is komen te staan dat de verdachte uit boosheid en met kracht de aangeefster heeft geduwd, waardoor zij ten val is gekomen. Als gevolg hiervan heeft zij pijn ondervonden. Door dermate hard te duwen dat daardoor het slachtoffer ten val is gekomen, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat het slachtoffer door die val pijn en/of letsel zou ondervinden. Deze gedraging is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van pijn en/of letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 april 2016 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door met kracht tegen haar lichaam te duwen, ten gevolge waarvan [slachtoffer] ten val is gekomen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft het slachtoffer op straat mishandeld door haar uit boosheid met kracht een duw te geven, als gevolg waarvan zij is gevallen en pijn heeft ondervonden. De verdachte had zich van dit gedrag dienen te weerhouden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 oktober 2017 is hij eerder wegens vernieling onherroepelijk veroordeeld tot een geldboete, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Voor gedrag als het onderhavige plegen geldboetes ter hoogte van € 500 te worden opgelegd. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte noch anderszins ziet het hof aanleiding de straf te matigen. Het hof is aldus van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lagere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd en acht derhalve een geldboete ter hoogte van € 500,00 passend en geboden. Vanwege de beperkte draagkracht van de verdachte zal het hof bepalen dat deze geldboete in vijf termijnen mag worden betaald.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24a, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 11 april 2016 onder CJIB nummer 9132 5420 0255 9573.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van 1 maand, elke termijn groot
€ 100,00 (honderd euro).

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. C.M. Degenaar in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 november 2017.

mr. B.A.A. Postma en mr. C.M. Degenaar zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.