Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5010

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
23-000287-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Winkel)diefstal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000287-17

Datum uitspraak: 27 september 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2017 in de strafzaak onder parketnummer
96-107555-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair:

hij op of omstreeks 15 augustus 2014 te Aalsmeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen diverse levensmiddelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de C 1000 (vestiging [locatie 1]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair:
hij op of omstreeks 15 augustus 2014 te Aalsmeer opzettelijk meerdere levensmiddelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de C 1000 (vestiging [locatie 1]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk(e) goed(eren) verdachte uit de winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende(n) had genomen onder gehoudenheid om, alvorens die winkel te verlaten voornoemd (e) goed(eren) te betalen, in elk geval ter betaling aan te bieden, en aldus dat/die goed(eren) anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 augustus 2014 te Aalsmeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen diverse levensmiddelen toebehorende aan de C 1000 (vestiging [locatie 1]).

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1. Een geschrift, zijnde Landelijk aangifteformulier winkeldiefstal, van 15 augustus 2014, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], en mede ondertekend door de bevoegde opsporingsambtenaar verbalisant 19430.

Dit geschrift houdt in als verklaring van [verbalisant 1], zakelijk weergegeven:

Op 15 augustus 2014 heb ik gezien dat meneer (het hof begrijpt: de verdachte) met drie pakken spareribs de kassa voorbij loopt en in een auto legt. Deze persoon heb ik aangehouden en overgebracht naar een onderzoeksruimte. Deze persoon gaf op te zijn [verdachte], geboren [geboortedatum].

2. Een proces-verbaal; van bevindingen met nummer PL133L-2014200759-6 van 15 augustus 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3].

Dit proces-verbaal houdt in als verklaringen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 15 augustus 2014 kregen wij de opdracht te gaan naar de C1000 gevestigd aan de [locatie 1] te Aalsmeer alwaar personeel een niet meewerkende winkeldief had aangehouden. Ter plekke zagen wij een persoon welke later de verdachte bleek te zijn en opgaf te zijn genaamd [verdachte], geboren op [geboortedatum]. [verbalisant 1] zei dat de verdachte zojuist een diefstal had gepleegd.

3. Een proces-verbaal; van bevindingen met nummer PL133K-2014200759-7 van 15 augustus 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4].

Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 15 augustus 2014 begaf ik mij in de C1000 te [locatie 2]. Aldaar kreeg ik de beelden te zien van de winkeldiefstal die kort daarvoor had plaatsgevonden.

Ik zag dat verdachte [verdachte] bij de koeling van de supermarkt stond. Ik zag dat [verdachte] drie pakken spareribs uit het schap pakte. Ik zag dat [verdachte] vervolgens richting de kassa liep. Ik zag dat [verdachte] de onbemande kassa voorbij liep. Ik zag dat [verdachte] niet had afgerekend. Ik zag dat [verdachte] naar een wit bestelbusje liep. Ik zag dat [verdachte] de drie pakken spareribs in de achterbak gooide.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 150,00, te vervangen door drie dagen hechtenis met een proeftijd van 1 jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Daarmee heeft hij geen respect betoond voor het eigendomsrecht van het betreffende winkelbedrijf en dit bedrijf schade en overlast bezorgd.

Het hof heeft acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die haar weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), te weten een onvoorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 200,00 voor een first offender van een eenvoudige winkeldiefstal. Het hof ziet in de door de raadsvrouw naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden betreffende de verdachte geen aanleiding om in dit geval van deze oriëntatiepunten af te wijken en aan verdachte geen straf dan wel een voorwaardelijke geldboete op te leggen. Wel zal het hof vanwege het tijdsverloop de hoogte van de op te leggen geldboete matigen tot € 100,00.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete ter hoogte van €100,00 passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 100,00 (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 september 2017.