Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4998

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
23-003826-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkeersruzie. Mishandeling. Noodweerverweer verworpen: gedragingen verdachte moeten in de kern als aanvallend worden bezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003826-16

Datum uitspraak: 24 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 september 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-069994-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

10 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 10 april 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen als bestuurder van een bestelbus, al dan niet daarmede rijdende - toen die [slachtoffer] met een scooter kort rechts naast of rechts achter zijn bus in dezelfde richting als hem, verdachte reed en/of stond - die bestelbus opzettelijk naar rechts heeft gestuurd en/of met die bestelbus tegen die door [slachtoffer] bestuurde scooter is gereden en/of gebotst.

1 subsidiair:
hij op of omstreeks 10 april 2015 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een bestelbus, al dan niet daarmede rijdende - toen die [slachtoffer] met een scooter kort rechts naast of rechts achter zijn bus in dezelfde richting als hem, verdachte reed en/of stond - die bestelbus naar rechts gestuurd en/of met die bestelbus tegen die door [slachtoffer] bestuurde scooter is gereden en/of gebotst.

2:
hij op of omstreeks 10 april 2015 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door opzettelijk mishandelend die [slachtoffer] (meermalen) tegen het gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stompen, waardoor die [slachtoffer] pijn heeft ondervonden en/of letsel heeft bekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal, reeds op de grond dat recht wordt gedaan op basis van een gewijzigde tenlastelegging, worden vernietigd.

Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair

Het hof is, met de advocaat-generaal en de advocaat en evenals de rechtbank, van oordeel dat aan de hand van de dossierstukken en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het (voorwaardelijke) opzet heeft gehad [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met de door hem bestuurde bestelbus.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof voorts van oordeel dat evenmin met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte opzettelijk door zijn rijgedrag in zijn bestelbus, voor zover dat al met voldoende mate van precisie kan worden afgeleid uit het dossier, [slachtoffer] heeft willen bedreigen met enig misdrijf tegen het leven dan wel zware mishandeling nu daarvoor onvoldoende concrete aanknopingspunten in het dossier kunnen worden gevonden en de verdachte dit consequent ontkent.

Bewijsoverweging feit 2

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij uit noodweer heeft gehandeld. De verdachte is geconfronteerd met een wederrechtelijke aanranding, doordat de aangever herhaaldelijk tegen diens bus heeft geslagen en geschopt en doordat de aangever de bewegingsvrijheid van de verdachte beperkte. Omdat de verdachte tevergeefs herhaaldelijk heeft geprobeerd zich te distantiëren van de aanranding en er over en weer slechts enkele keren is geslagen en er slechts geringe verwondingen bij aangever zijn, voldoet de verdediging van de verdachte aan de subsidiariteits- en proportionaliteitseis, als bedoeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof verstaat het verweer van de raadsman, dat erop neerkomt dat de verdachte gerechtvaardigd heeft gehandeld uit noodweer als een bewijsverweer, aangezien de raadsman zich kennelijk op het standpunt stelt dat het door de verdachte aangewende geweld niet wederrechtelijk was en – nu in het begrip mishandeling de wederrechtelijkheid ligt besloten – derhalve geen sprake was van mishandeling.

Een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht (vgl. o.a. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).

De verdachte heeft bij de politie verklaard “Ik was heel erg boos, hij zat tegen mijn auto aan te schoppen. Dat was de reden dat ik uit de auto stapte. (…) Toen waren we allebei boos en toen is het een en ander gebeurd.

Uit deze verklaring, bezien in samenhang met de overige te bezigen bewijsmiddelen leidt het hof af dat tenlastegelegde gedragingen, te weten het slaan van [slachtoffer] , in de kern als aanvallend moeten worden bezien en niet als verdedigend. Nu er geen sprake is van ‘verdediging’ in de zin van artikel 41 Sr, faalt reeds daarom het beroep op noodweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op 10 april 2015 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door opzettelijk mishandelend die

[slachtoffer] meermalen tegen het gezicht te slaan, waardoor die [slachtoffer] pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft betoogd dat indien het hof het beroep op noodweer niet honoreert, de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld in een situatie van noodweerexces.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het beroep op noodweer, kort gezegd inhoudende dat er geen sprake was van ‘verdediging’ in de zin van artikel 41 Sr, komt de verdachte evenmin een beroep op noodweerexces toe. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder

2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, waarvan 100 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor de duur van

3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde verzocht geen straf op te leggen omdat het incident volledig aan de schuld van aangever te wijten is, meer subsidiair heeft hij verzocht te volstaan met het opleggen van een geldboete van € 500,00 casu quo € 750,00.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en diens draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft naar aanleiding van een verkeersruzie het slachtoffer in zijn gezicht geslagen, waardoor deze pijn en letsel heeft bekomen. Dit getuigt van onbeheerst gedrag en een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Gelet op de ernst van het feit ziet het hof in hetgeen door de verdediging is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding tot toepassing van artikel 9a Sr over te gaan.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van € 750,00 passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat het hof, reeds gelet op de ernst van het feit in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding ziet tot toepassing van artikel 9a Sr dan wel het opleggen van een lagere straf dan de hieronder bedoelde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.048,55, bestaande uit € 398,55 aan materiële schade en € 650,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 200,00 ter vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd tot toewijzing van de gehele vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat de verdachte vrijgesproken dient te worden, subsidiair heeft de raadsman verzocht om afwijzing van de vordering, omdat deze niet goed is onderbouwd.


De gestelde geleden materiële schade houdt verband met het onder 1, primair, tenlastegelegde feit. Vanwege de vrijspraak van dit feit wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 200,00 waarbij het hof heeft gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen pleegt te worden toegekend. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. N.A. Schimmel en mr. S. Bek, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 augustus 2017.

mr. C.J.J. Kwint is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.