Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4990

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
200.220.403/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking waarbij het gezag van de vrouw is beëindigd op grond van artikel 1:266 BW wordt vernietigd, nu niet aan de gronden is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0347
RFR 2018/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.220.403/ 01

Zaaknummer rechtbank: C/13/526948/FA RK 12/7943 en C/13/628757/FA RK 17/3098

Beschikking van de meervoudige kamer van 28 november 2017– voor zover het de hoofdverblijfplaats en omgangsregeling betreft – inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats a] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. Scholtens-Vogelaar te Wormerveer,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats b] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.E. Groot te Heerhugowaard;

in zijn adviserende en/of toetsende taak is ten aanzien van deze onderwerpen gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie: Amsterdam,

hierna te noemen: de raad;

en

– voor zover het de beëindiging van het gezag betreft – inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats a] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. Scholtens-Vogelaar te Wormerveer,

en

de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 5 juli 2017 (uitgesproken onder voormeld zaaknummer).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 27 juli 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 5 juli 2017.

2.2

De man heeft op 11 augustus 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

De raad heeft op 27 september 2017 een verweerschrift ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief met bijlagen van de zijde van de man van 20 september 2017, ingekomen op 20 september 2017;

- een V-formulier van de zijde van de vrouw van 20 september 2017, met bezwaar tegen de op 20 september 2017 door de man ingediende stukken;

- een V-formulier van de zijde van de man van 21 september 2017 met een reactie op bovengenoemd bezwaar;

- een e-mail met bijlagen van de zijde van Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna te noemen: de GI) van 27 september 2017.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 28 september 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door mr. A. Scholtens-Vogelaar;

- de man, bijgestaan door mr. M.E. Groot;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw. N.D. Yonkio;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanagers.

3 De feiten

3.1

Uit de sinds september 2012 verbroken relatie van de man en de vrouw is [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ) geboren [in] 2011, te [geboorteplaats] . De man heeft [de minderjarige] erkend.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank van 15 november 2012 is de vrouw veroordeeld tot medewerking aan de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling), waarbij [de minderjarige] gedurende een maand iedere zaterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur bij de man zal verblijven en daarna iedere vrijdag vanaf 17.30 uur tot zaterdag 17.00 uur, kort gezegd op straffe van een dwangsom voor de vrouw.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 24 mei 2013 is, voor zover thans van belang, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw bepaald.

3.4

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding van 13 februari 2014 is de zorgregeling uitgebreid, in die zin dat [de minderjarige] ook op dinsdag van 9.00 uur tot 12.00 uur bij de man verblijft, kort gezegd op straffe van een dwangsom voor de vrouw.

3.5

Bij beschikking van de rechtbank van 15 november 2014 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze beslissing is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 15 maart 2018 (bij beschikking van 21 augustus 2017).

3.6

De GI heeft de vrouw op 19 januari 2015 een schriftelijke aanwijzing gegeven wegens het niet nakomen van de zorgregeling, het weigeren met de GI in gesprek te gaan en thuisobservaties te laten plaatsvinden en het niet-meewerken met de hulpverlening van bijvoorbeeld Mentrum.

3.7

Bij beschikking van de rechtbank van 17 juni 2015 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij de man [de minderjarige] iedere week op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij zich heeft.

3.8

De GI heeft de vrouw op 14 oktober 2015 een schriftelijke aanwijzing gegeven wegens het niet nakomen van de zorgregeling.

3.9

Bij beschikking van 18 november 2015 is een voorlopige zorgregeling op zaterdag vastgesteld en is de raad verzocht advies uit te brengen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling.

3.10

Bij beschikking van de rechtbank van 13 april 2016 is het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de man afgewezen. Bij separate beschikking van 13 april 2016 is een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de man [de minderjarige] iedere week op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij zich heeft en bepaald dat de regeling binnen drie maanden dient te worden uitgebreid met een overnachting bij de man. Het verzoek omtrent de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats is pro forma aangehouden in afwachting van het verloop van trajecten bij Family Supporters en Altra (Ouderschap Blijft).

3.11

De GI heeft op 30 september 2016 en 14 oktober 2016 schriftelijke aanwijzingen gegeven aan de vrouw om de overnachtingen bij de man doorgang te laten vinden conform de afspraken en uitspraak.

3.12

Bij beschikking van dit hof van 8 november 2016 is de beschikking van 13 april 2016 gedeeltelijk vernietigd en is bepaald dat de man [de minderjarige] iedere week op zaterdag van 10.30 uur tot 17.30 uur bij zich heeft, waarbij de man hem haalt en brengt.

3.13

Bij beschikking van 6 december 2016 is het verzoek van de vrouw, om de schriftelijke aanwijzingen vervallen te laten verklaren, afgewezen, met dien verstande dat de GI de aanwijzing van 14 oktober 2016 – voor zover deze ziet op de overnachtingen gelegen na 15/16 oktober 2016 – heeft ingetrokken.

3.14

Bij beschikking van de rechtbank van 2 februari 2017 is het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een neutraal pleeggezin afgewezen en is de raad verzocht om aanvullend advies uit te brengen ten aanzien van zijn hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. De voorlopige zorgregeling is gedurende het raadsonderzoek gehandhaafd. Het verzoek van de vrouw om partijen dwingend mediation op te leggen is afgewezen.

3.15

De raad heeft in zijn rapport van 26 april 2017 en 2 mei 2017 geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te bepalen bij de man en om een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] tweemaal per maand een weekend van vrijdagavond tot zondagmiddag/-avond bij de vrouw verblijft. Daarnaast is een verdeling van de vakanties en feestdagen geadviseerd. Tevens heeft de raad verzocht om het gezag van de vrouw over [de minderjarige] te beëindigen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, op verzoek van de raad, het ouderlijk gezag van de vrouw over [de minderjarige] beëindigd. Voorts is, op verzoek van de man, het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de man bepaald en is een zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] een weekend per twee weken bij de vrouw zal blijven van vrijdag uit school, waarbij de vrouw [de minderjarige] ophaalt bij school, tot zondag 19.00 uur, waarbij de man [de minderjarige] ophaalt bij de vrouw. Daarnaast is bepaald dat [de minderjarige] de helft van de feestdagen en de vakanties bij de vrouw zal verblijven, met dien verstande dat:

- [de minderjarige] in de vakanties van één week in de oneven jaren bij de vrouw verblijft en in de even jaren bij de man;

- [de minderjarige] in de vakanties van twee weken in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man verblijft, in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;

- [de minderjarige] in de zomervakanties in de even jaren de eerste drie weken aaneengesloten bij de vrouw en de tweede drie weken aaneengesloten bij de man verblijft en hij in de oneven jaren de eerste drie weken aaneengesloten bij de man verblijft en de tweede drie weken aaneengesloten bij de vrouw verblijft;

- één en ander voor zover partijen niet in onderling overleg tot andere afspraken komen die voor zowel partijen als [de minderjarige] duidelijk zijn.

4.2

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikkingen (in zoverre), het inleidend verzoek van de raad ten aanzien van het gezag en het inleidend verzoek van de man ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling af te wijzen en te bepalen dat de vrouw het ouderlijk gezag heeft en [de minderjarige] hoofdverblijf heeft bij de vrouw en een weekend per veertien dagen bij de man verblijft alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij zal gelden dat daar waar thans ‘moeder’ staat ‘vader’ komt te staan.

4.3

De man verzoekt de bestreden beschikkingen te bekrachtigen en de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

4.4

De raad verzoekt de bestreden beschikking strekkende tot gezagsbeëindiging te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw haar bezwaar tegen de op 20 september 2017 door de man ingediende stukken ingetrokken, zodat dit bezwaar verder niet beoordeeld hoeft te worden.

5.2.

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de door de GI op 27 september 2017 ingediende stukken. Nu deze slechts een dag voor de zitting zijn ingediend, heeft zij geen kans gezien deze stukken te bestuderen, aldus de vrouw.

Het hof heeft, gelet op dit standpunt van de vrouw, ter zitting geoordeeld dat de op 27 september 2017 door de GI ingediende stukken buiten beschouwing zullen worden gelaten. Daarbij is mede de omvang van de stukken in aanmerking genomen en de omstandigheid dat de stukken reeds (ruim) voor de datum van indiening beschikbaar waren.

5.3

Ingevolge artikel 1:253a BW – voor zover thans van belang – kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

Op grond van artikel 1:377a BW lid 2 stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

Ingevolge artikel 1:266 BW lid 1 kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen:

a. indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Het hof dient te beoordelen of aan de gronden voor beëindiging van het gezag van de vrouw over [de minderjarige] is voldaan. Voorts dient beoordeeld te worden bij wie [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats dient te hebben en welke omgangsregeling het meest in zijn belang is.

5.4

De vrouw stelt, kort gezegd, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat gezagsbeëindiging gerechtvaardigd is, daar niet te verwachten is dat de vrouw binnen een aanvaardbare termijn zelf de verzorging en opvoeding op zich kan nemen. Dat de vrouw niet of onvoldoende zal bewegen in het kader van een uitgebreidere en onbelaste omgang met de man is niet juist. Partijen kwamen eindelijk in een positieve flow, waarbij de vrouw heeft meegewerkt aan een aantal overnachtingen. De rechtbank constateert in haar uitspraak weliswaar dat de omgang in het verleden alles behalve vlekkeloos is verlopen, maar er dient gekeken te worden naar de op dat moment bestaande situatie. Vanaf begin 2017 heeft de vrouw gemerkt dat [de minderjarige] toe is aan overnachten bij de man en zij heeft op eigen initiatief de man benaderd hierover. Er is altijd contact geweest tussen de man en [de minderjarige] . Dat het volgens de school goed gaat met [de minderjarige] en de rechtbank toch meent dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, spreekt elkaar tegen. Misbruik van het gezag mist alle onderbouwing. [de minderjarige] functioneerde goed bij haar terwijl er, sinds hij bij de man verblijft, zorgen over hem zijn en hij betrokken is bij vechtpartijtjes, aldus de vrouw.

5.5

De man voert, kort weergegeven, aan dat de vrouw stelselmatig de gewezen beschikkingen naast zich neerlegt en dat haar houding niet is veranderd. Vanaf februari 2017 heeft [de minderjarige] in totaal vier keer bij de man mogen overnachten. Verdere uitbreidingen werden door de vrouw niet toegestaan, zelfs niet toen de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] al bij de man had vastgesteld. Hij betwist de stelling dat de vrouw de man op eigen initiatief heeft benaderd om afspraken over de overnachtingen te maken, nu dit voortkwam uit de druk van de instanties. Doordat de vrouw niet alleen bij Family Supporters maar ook bij de GI en de raad klachten indiende, uiteindelijk weigerde met deze instanties in gesprek te gaan en [de minderjarige] bij deze instanties vandaan hield, werd de situatie onhoudbaar. Ondanks de ingezette hulpverlening is het partijen niet gelukt om de communicatie te verbeteren, aldus de man.

5.6

De raad voert verweer ten aanzien van de door de vrouw bestreden gezagsbeëindiging en stelt dat, hoewel wordt erkend dat gezagsbeëindiging een ultimum remedium is, in dit geval de gronden daartoe aanwezig zijn. Zowel sub a als sub b van artikel 1:266 lid 1 BW zijn van toepassing. Het toekomstperspectief van [de minderjarige] ligt bij de man. De door de vrouw benoemde positieve flow tussen de ouders herkent de raad niet. Het wantrouwen van de vrouw naar de man lijkt eerder te zijn toegenomen. De vrouw is zo bezig met een strijd tegen de man dat ze het belang van [de minderjarige] uit het oog verliest. De vrouw was het niet eens met de haar gegeven adviezen en heeft beslissingen naast zich neer gelegd. De verschillende vormen van ingezette hulp en begeleiding hebben tot onvoldoende resultaat geleid. Voorts moeten de ouders met elkaar in gesprek om beslissingen te nemen voor [de minderjarige] . Dat is niet mogelijk. Hoewel de opvoedvaardigheden van de vrouw goed zijn, ontbreekt bij haar het inzicht dat contact met de man goed is voor [de minderjarige] . Dit is een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . Gezien de ernstige zorgen in de ontwikkeling van [de minderjarige] en het feit dat noodzakelijke hulp niet is geaccepteerd door de vrouw, is duidelijkheid, rust en stabiliteit voor [de minderjarige] van groot belang. De raad ziet geen mogelijkheden bij de vrouw om de verzorging van [de minderjarige] binnen een aanvaardbare termijn te dragen: die termijn is inmiddels overschreden met een advies tot wijziging hoofdverblijfplaats tot gevolg. Ter zitting in hoger beroep heeft de raad voorts aangevoerd dat de vrouw door haar handelen misbruik van gezag maakt. Partijen dienen, in het belang van [de minderjarige] , hun onderlinge communicatie te verbeteren, bijvoorbeeld bij het Centrum voor Relationele Therapie van Arkin, aldus de raad.

5.7

Het hof overweegt als volgt.

Partijen zijn voor het grootste deel van [de minderjarige] ’s leven verwikkeld in een hevige (juridische) strijd. Onderdeel van deze strijd is de omgang tussen de man en [de minderjarige] . Sinds 2012 zijn diverse uitspraken van rechtbank en hof gedaan en schriftelijke aanwijzingen van de GI gegeven betreffende de omgang tussen [de minderjarige] en de man. Deze zijn door de vrouw niet of gebrekkig nageleefd. Mede in het licht van de strijd tussen de ouders en de hieruit voortvloeiende zorgen over [de minderjarige] ’s ontwikkeling is [de minderjarige] sinds november 2014 onder toezicht gesteld van de GI. Ondanks meerdere schriftelijke aanwijzingen, blijft de vrouw vasthouden aan haar eigen standpunten ten aanzien van wat goed is voor [de minderjarige] . Voor uitvoering van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2016, waarin is bepaald dat binnen drie maanden een overnachting diende plaats te vinden bij de man, was opnieuw een schriftelijke aanwijzing nodig, welke vervolgens door de vrouw bestreden werd middels een klacht. Ook de samenwerking tussen de vrouw en de hulpverlening verloopt zeer moeizaam. Diverse interventies, zoals Family Supporters, Altra en Nika, zijn niet van de grond gekomen dan wel gestagneerd.

5.8

Het hof is van oordeel dat, hoewel volgens de raad de vrouw voldoende opvoedingsvaardigheden heeft, zij onvoldoende inzicht toont in dan wel rekening houdt met [de minderjarige] ’s behoeften inzake emotionele opvoeding en identiteitsvorming. Het belang van een goed contact tussen [de minderjarige] en zijn vader wordt door de vrouw weliswaar onderkend, maar zij is niet in staat hieraan in de praktijk uitvoering te geven, gezien haar gebrekkige medewerking of zelfs tegenwerking aan een opbouw, intensivering en stabilisering van het contact tussen [de minderjarige] en de man. Ingezette hulpverlening heeft tot nog toe geen positieve gevolgen gehad, waarbij in ieder geval het verzet van de vrouw een rol speelt. Gezien de duur en de ernst van de strijd tussen de ouders, de gebrekkige omgang die [de minderjarige] tot nu toe heeft gehad met zijn vader, de verstoorde communicatie tussen partijen en de houding van de vrouw ten aanzien van de man, de hulpverlening en de beslissingen omtrent wat het beste is voor [de minderjarige] , is het hof van oordeel dat de kans op een gezonde emotionele ontwikkeling voor [de minderjarige] bij de man het grootst is. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat [de minderjarige] bij de man de gelegenheid krijgt om onbelemmerd contact te hebben met de vrouw, terwijl dit andersom niet het geval is. Voorts acht het hof van belang dat zowel de man als de school aangeven dat het goed gaat met [de minderjarige] . Daartegenover heeft de vrouw haar standpunt, dat er sinds [de minderjarige] bij de man woont zorgen over hem zijn, onvoldoende onderbouwd. Over de vechtpartij op het schoolplein waarbij [de minderjarige] betrokken is geweest heeft de man ter zitting in hoger beroep een afdoende verklaring gegeven. Dat [de minderjarige] als hij bij de vrouw is vraagt waarom hij weer weg moet en niet bij zijn broertje mag blijven acht het hof, gezien de voor een zesjarige ingrijpende gebeurtenis van een wijziging van de hoofdverblijfplaats, onvoldoende om te concluderen dat het niet goed gaat met [de minderjarige] en derhalve een wijziging van hoofverblijfplaats niet in zijn belang zou zijn. Het hof zal de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] dan ook bekrachtigen. Ook de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling zal het hof bekrachtigen, nu het hof dit het meest in het belang van [de minderjarige] acht. Daarbij wordt overwogen dat [de minderjarige] inmiddels aan deze regeling is gewend en niet is gebleken dat deze niet goed loopt. De verzoeken van de vrouw betreffende de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling zal het hof afwijzen.

5.9

Ten aanzien van het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de vrouw

over [de minderjarige] op de voet van artikel 1:266 BW overweegt het hof als volgt. Gelet op de houding

en gedragingen van de vrouw, zoals omschreven in de voorgaande rechtsoverwegingen, is

het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende rekening houdt met en inzicht toont in [de minderjarige] ’s

behoeften om de band met de man structureel te verdiepen. Het gedrag van de vrouw is

schadelijk voor [de minderjarige] en vormt een (ernstige) bedreiging in zijn ontwikkeling. Wat betreft

het vereiste dat de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging

en opvoeding te dragen binnen een aanvaardbare termijn, heeft de wetgever, blijkens de

memorie van toelichting bij artikel 1:266, lid 1, onder a BW, aansluiting gezocht bij het

vereiste van artikel 1:255, lid 1, onder b BW voor de ondertoezichtstelling. In de

memorie van toelichting staat voorts dat, indien een kind bij zijn ouders woont en er geen

noodzaak is tot een uithuisplaatsing, is voldaan aan het vereiste van artikel 1:255, lid 1,

onder b BW omdat de ouders dan hun kind verzorgen en opvoeden. De ondertoezichtstelling

kan dan doorlopen tot aan de meerderjarigheid van het kind (Tweede Kamer, vergaderjaar

2008-2009, 32 015, nr.3, blz 34 respectievelijk 23). Hieruit leidt het hof af dat in die situatie

niet is voldaan aan het tweede vereiste van artikel 1:266, lid 1, onder a BW en derhalve het

gezag niet kan worden beëindigd, althans niet op grond van dat artikel.

In het rapport van de raad van 2 mei 2017 is opgenomen dat tijdens observaties van de systeemtherapeut van Family Supporters de vrouw is overgekomen als een adequate opvoeder met inzicht in opvoedingsvaardigheden en –vraagstukken en dat ze kennis heeft over ontwikkelingstaken van [de minderjarige] conform zijn leeftijd. De raad heeft in voormeld rapport (ter beantwoording van de onderzoeksvragen) zelf opgemerkt dat de moeder over voldoende opvoedingsvaardigheden beschikt om [de minderjarige] te ondersteunen in zijn ontwikkelingstaken. De vrouw is derhalve in beginsel in staat de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op verantwoorde wijze ter hand te nemen. Dat wordt niet anders doordat de vrouw in het verleden de beslissingen ten aanzien van [de minderjarige] alleen nam, zij op diverse fronten de strijd aangaat over [de minderjarige] , er sprake is van een gebrekkige communicatie tussen de vrouw en de man en van een gebrek aan medewerking van de vrouw aan hulpverlening. De reden dat de rechtbank en het hof het (op verzoek van de man) thans noodzakelijk achten dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] wijzigt, houdt niet verband met de opvoedingscapaciteiten van de vrouw maar met de strijd tussen partijen, het verzet van de vrouw tegen structureel en intensief contact tussen de man en [de minderjarige] en de noodzaak dat [de minderjarige] met beide ouders een goed en intensief contact kan opbouwen. Derhalve ontbreken aanknopingspunten voor het oordeel dat de vrouw niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen binnen een voor hem aanvaardbare termijn.

De door de raad genoemde omstandigheden dat de vrouw de omgang tussen de man en [de minderjarige] frustreert en vele procedures voert, leiden niet tot de juridische gevolgtrekking die de raad daaraan verbindt (misbruik van haar gezag in de zin van artikel 1:266, lid 1, onder b BW). Zoals volgt uit de memorie van toelichting is artikel 1:266, lid 1, onder b BW bedoeld om kinderen te beschermen tegen misbruik van het gezag, waarbij gedacht kan worden aan (zware) mishandeling, seksueel misbruik of het onthouden van onderwijs aan het kind. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat de toepassing van artikel 1:266, lid 1, onder b BW gereserveerd dient te blijven voor de meest ernstige gevallen van misbruik van gezag dan wel ontwikkelingsbedreiging voor een kind. Hoewel in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof sprake is van een bedreiging van de ontwikkeling van [de minderjarige] door de strijd tussen de ouders en het gedrag van de vrouw, is het hof van oordeel dat het gedrag van de vrouw niet dusdanig is dat er sprake is van misbruik van gezag in voornoemde zin. Het voorgaande leidt ertoe dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de beëindiging van het gezag op de voet van artikel 1:266, lid 1, BW. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover daarbij het ouderlijk gezag van de vrouw over [de minderjarige] is beëindigd, vernietigen. Het hof wijst het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij (alleen) het ouderlijk gezag heeft af, nu het hof het in het belang van [de minderjarige] acht dat in ieder geval de man, bij wie [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft, ook het gezag over [de minderjarige] zal hebben.

5.10

Ten overvloede overweegt het hof dat het noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] dat partijen hun onderlinge communicatie verbeteren, bijvoorbeeld via een traject bij het Centrum voor Relationele Therapie, of een ander door de GI aangedragen traject.

5.11

De vrouw heeft tot slot gegriefd tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking, waartoe zij stelt dat er geen zekerheid is dat de beschikking hangende het hoger beroep van kracht zal blijven. Het hof acht deze grief onvoldoende onderbouwd, aangezien op de voet van artikel 288 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de rechtbank de beschikking uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren, met als gevolg dat het instellen van een rechtsmiddel geen schorsende werking heeft. De grief treft dan ook geen doel.

5.12

Dit leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij het ouderlijk gezag van de vrouw over [de minderjarige] is beëindigd;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Leijdekker, mr. J. Jonkers en mr. S.F.M. Wortmann, bijgestaan door mr. D.M. Jansen als griffier en is op 28 november 2017 in het openbaar uitgesproken.