Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:499

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
200.186.968/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:649
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

tussenarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.186.968/01

zaaknummer rechtbank : 3995434 CV EXPL 15-2480

arrest van de meervoudige familiekamer van 21 februari 2017

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M.P.V. den Engelsman te Rotterdam,

tegen:

De besloten vennootschap DE NEDERLANDSE VOORSCHOTBANK B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.H.M.M. Tiemissen te ‘s Hertogenbosch.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en de Voorschotbank genoemd.

De vrouw is bij dagvaarding van 26 februari 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, sectie Kanton, locatie Alkmaar, van 23 december 2015, gewezen tussen [appellante] als gedaagde sub 2 en de Voorschotbank als eiseres.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord met producties;

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering uit eerste aanleg zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente indien de Voorschotbank niet binnen 7 dagen na het onderhavige arrest de proceskosten voldoet.

De Voorschotbank heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente indien [appellante] niet binnen 14 dagen na betekening van dit arrest de proceskosten voldoet.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.3 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

[appellante] is [in] 2008 in gemeenschap van goederen gehuwd met [X] . Op 11 maart 2013 is in hun huwelijk de echtscheiding uitgesproken. De datum van ontbinding van het huwelijk blijkt niet uit het dossier.

Op 30 juli 2009 is door de Voorschotbank een zogeheten Doorlopend Krediet overeenkomst opgemaakt. Als kredietnemers staan [appellante] en [X] vermeld. Er is een krediet afgesloten van € 26.275,- met een rentepercentage van 11,8% op jaarbasis en een minimale maandelijkse aflossing van € 262,75. Op de overeenkomst zijn de Algemene voorwaarden doorlopend krediet (hierna: algemene voorwaarden) van toepassing verklaard. Nadat een achterstand in de betaling van de termijnen is ontstaan, heeft de Voorschotbank de gehele kredietsom opgeëist en zowel [appellante] als [X] op 19 maart 2015 gedagvaard te verschijnen voor de rechtbank Noord-Holland, sectie Kanton, locatie Alkmaar.

3.2.

In die procedure heeft [appellante] [X] in vrijwaring opgeroepen. Zij heeft gevorderd dat [X] wordt veroordeeld tot betaling van datgene waartoe [appellante] in de hoofdzaak jegens de Voorschotbank mocht worden veroordeeld. In het bestreden vonnis is [X] in de vrijwaringszaak veroordeeld om aan [appellante] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 25.184,72, vermeerderd met de vertragingsvergoeding van 11,8% per jaar vanaf 12 januari 2015 tot de dag der voldoening, alsmede tot betaling van een bedrag van € 1.928,26 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van het vonnis.

In de hoofdzaak zijn [appellante] en [X] hoofdelijk veroordeeld om aan de Voorschotbank tegen kwijting te betalen een bedrag van € 25.184,72, vermeerderd met de vertragingsvergoeding van 11,8% per jaar vanaf 12 januari 2015. Tegen deze laatste veroordeling richt zich het hoger beroep van [appellante] .

3.3.

[appellante] stelt dat haar handtekening op de kredietovereenkomst door [X] is vervalst en dat zij de overeenkomst met de Voorschotbank niet is aangegaan. Zij verbleef op het moment dat de overeenkomst werd aangegaan in Suriname. Zij heeft daartoe een pagina uit haar paspoort overgelegd waaruit volgens haar de juistheid van haar stelling blijkt. In de vrijwaringszaak heeft [X] ontkent dat hij de handtekening van [appellante] heeft vervalst.

De kantonrechter heeft overwogen dat de vraag of de handtekening al dan niet door [X] is vervalst, geen bespreking behoeft omdat de aansprakelijkheid voor een schuld als deze is geregeld in artikel 1:102 BW. Dit artikel bepaalt dat na ontbinding van de gemeenschap ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk blijft voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was, dat wil zeggen de schulden die al dan niet door de andere echtgenoot zijn aangegaan voor de gewone gang van de huishouding en schulden waarvoor hij op grond van andere wettelijke bepalingen of op grond van een overeenkomst tezamen met de andere echtgenoot hoofdelijk aansprakelijk is. Voor andere schulden is de echtgenoot hoofdelijk aansprakelijk, met dien verstande dat de verhaalsmogelijkheden beperkt zijn.

[appellante] betwist in grief I niet alleen dat zij de schuld is aangegaan, maar zij betwist ook dat de schuld door [X] is aangegaan voor de gewone gang van de huishouding. Voorts stelt zij dat de schuld aan [X] is verknocht omdat deze zonder haar medeweten is aangegaan, zodat de Voorschotbank geen nakoming van de overeenkomst van haar kan vorderen.

3.4.

De stelling van [appellante] dat de schuld aan de Voorschotbank aan [X] is verknocht gaat in de onderhavige zaak niet op. Of een schuld op bijzondere wijze aan een echtgenoot is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat de schuld mede wordt verhaald op de andere echtgenoot, hangt af van de aard van de schuld. De onderhavige schuld betreft een zogeheten ‘doorlopend kredietschuld’. Naar maatschappelijke opvattingen is een dergelijke schuld in het algemeen niet op bijzondere wijze aan één van de echtgenoten verknocht. De vrouw heeft haar stelling dat in casu wel van verknochtheid sprake is niet, althans onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat de schuld zonder haar medeweten is aangegaan, is daartoe onvoldoende. Dit verweer van de vrouw faalt dan ook.

3.5.

In de onderhavige zaak is wel van belang of [appellante] en [X] al dan niet gezamenlijk de schuld bij de Voorschotbank zijn aangegaan. Immers de Voorschotbank kan op grond van het bepaalde in artikel 1:102 BW in het geval dat [appellante] geen contractspartner is geweest bij de overeenkomst, de schuld slechts verhalen op het volledige vermogen van [appellante] indien de schuld door [X] is aangegaan voor de gewone gang van de huishouding. Blijkt dat niet het geval te zijn dan kan de Voorschotbank slechts uitwinnen hetgeen [appellante] uit hoofde van de verdeling van de gemeenschap heeft verkregen.

De Voorschotbank stelt dat er sprake is van een gemeenschapsschuld en beroept zich erop dat (1) [appellante] heeft meegetekend voor de kredietovereenkomst, (2) het feit dat [appellante] in mei 2011 in ieder geval op de hoogte was dat het krediet op haar naam stond, (3) het feit dat [appellante] tijdens het huwelijk heeft meebetaald aan het krediet, (4) dat het krediet aan de gemeenschap ten goede is gekomen aangezien partijen in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. De voorschotbank betwist dat de handtekening van [appellante] is vervalst. De Voorschotbank wijst op het feit dat bij het aangaan van het krediet zowel een kopie van het paspoort van [appellante] als een kopie van haar verblijfsdocument is overhandigd. Die kopieën had de Voorschotbank nooit in bezit kunnen hebben indien [appellante] , zoals zij stelt, op het moment van het aangaan van de overeenkomst in het buitenland verbleef. In dat verband acht de Voorschotbank tevens van belang dat in de kopie van het paspoort waaruit zou blijken dat [appellante] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst in het buitenland verbleef, met pen in de originele stempels is geknoeid. Tot slot beroept de Voorschotbank zich op de ontkenning van [X] in de procedure in eerste aanleg dat hij de handtekening van [appellante] heeft vervalst.

3.6.

Het hof overweegt als volgt. Dat de Voorschotbank beschikt over een kopie van het paspoort en het verblijfsdocument van [appellante] sluit niet uit dat [appellante] de kredietovereenkomst niet heeft afgesloten en ondertekend en dat haar handtekening op de overeenkomst een vervalste is. Evenmin is de ontkenning van [X] dat hij de handtekening van [appellante] onder het contract heeft vervalst afdoende. Ook de overige door de Voorschotbank aangevoerde feiten zijn onvoldoende voor de stelling dat [appellante] gehouden is tot voldoening van de volledige schuld aan de Voorschotbank. Alvorens kan worden vastgesteld in hoeverre [appellante] gehouden is jegens de Voorschotbank tot de voldoening van de schuld en of de verhaalsmogelijkheden van de Voorschotbank beperkt zijn, dient allereerst, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 1:102 BW, te worden vastgesteld of [appellante] daadwerkelijk contractspartner is geweest bij het afsluiten van de kredietovereenkomst en dus of zij persoonlijk de handtekening onder deze overeenkomst heeft gezet, in welk geval zij voor het geheel aansprakelijk is voor deze schuld en ook de gehele schuld dient te voldoen. Pas daarna kunnen de overige grieven en verweren aan de orde komen. De bewijslast van de echtheid van de handtekening van [appellante] op de kredietovereenkomst rust op de Voorschotbank.

3.7.

Nu de Voorschotbank bewijs heeft aangeboden is het hof voornemens de handschriftdeskundige ing. J.R. ten Hove te Rijssen te benoemen ter beantwoording van de vraag of de handtekening onder de kredietovereenkomst een echte of een vervalste is. Partijen kunnen het hof binnen twee weken na heden laten weten indien zij niet instemmen met benoeming van deze deskundige. In dat geval kunnen zij gezamenlijk een andere deskundige voorstellen, bij gebreke waarvan de deskundige door het hof definitief wordt geacht te zijn benoemd. De door het hof voorgestelde deskundige heeft zich op voorhand bereid verklaard als deskundige op te treden en daarvoor een voorschot te verlangen van € 2.500,- te vermeerderen met BTW. Op de voet van het bepaalde in artikel 195 Rv zal het hof het voorschot voor rekening van de Voorschotbank brengen. In de einduitspraak zal het hof beslissen over de draagplicht van de kosten van de deskundige.

3.8.

Nadat de deskundige rapport heeft uitgebracht kunnen partijen bij akte reageren op het deskundigenbericht. Het hof wijst daarbij voor wat betreft [appellante] op het volgende. De Voorschotbank heeft bij memorie van antwoord een aantal producties in het geding gebracht. Het merendeel van deze producties bevindt zich eveneens in het dossier van de eerste aanleg. Productie 13 is echter door de Voorschotbank voor het eerst in hoger beroep overgelegd. [appellante] heeft daarop nog niet gereageerd. Het hof verzoekt haar in haar akte na deskundigenbericht tevens in te gaan op productie 13 bij de memorie van antwoord van de Voorschotbank, met name de Afrekeningsnota van 30 juli 2009, waaruit blijkt op welke wijze het bedrag van het doorlopend krediet is besteed, de brief van de Voorschotbank van 21 augustus 2009 aan zowel [X] als [appellante] waarin nadere informatie wordt gevraagd naar aanleiding van het getekende contract, alsmede de opzegging van een krediet bij de Rabobank met contractnummer 386920125 van 12 juni 2009. [appellante] dient met betrekking tot voornoemd krediet bij de Rabobank dat blijkens de overgelegde brief tijdens het huwelijk van partijen bestond, stukken te overleggen en over de aard ervan duidelijkheid te verschaffen. Uit proceseconomische redenen zal het hof bepalen dat [appellante] als eerste een akte dient te nemen nadat het deskundigenbericht is uitgebracht. Daarna kan de Voorschotbank bij antwoord-akte reageren op zowel het deskundigenbericht als op de (eventuele) producties die de vrouw zal overleggen. De deskundige heeft aan het hof een termijn genoemd voor het uitbrengen van rapport van maximaal twee maanden. Gelet daarop zal het hof de zaak verwijzen naar de rol van 20 juni 2017 voor akte na deskundigenbericht aan de zijde van [appellante] .

3.9.

De bespreking van de overige grieven (II tot en met V) en verweren houdt het hof aan totdat de deskundige heeft gerapporteerd en partijen de onder 3.8 bedoelde aktes hebben genomen.

4 Beslissing

Het hof:

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1) kunt u vaststellen of, en zo ja met welke mate van waarschijnlijkheid, de handtekening onder de Doorlopend Kredietovereenkomst afkomstig is van [appellante] ;

2) heeft u overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn;

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten: ing. J.R. ten Hove, Erve Campjan 14, 7463 CT Rijssen, tenzij partijen uiterlijk 14 maart 2017 aan het hof laten weten niet met deze benoeming te kunnen instemmen;

bepaalt dat partijen alle door de deskundige gewenste medewerking dienen te verlenen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat beide partijen vóór 28 maart 2017 kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundige zullen doen toekomen, alsmede, na een verzoek daartoe van de deskundige, de andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk;

wijst de deskundige op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek overigens zelfstandig – in de zin van artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zal verrichten;

bepaalt dat de deskundige een voorschot toekomt van € 2.500,- te vermeerderen met BTW;

bepaalt dat de Voorschotbank het voorschot dient te betalen conform de nota met betaalinstructies die de Voorschotbank zal ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;

bepaalt dat dit voorschot uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van de nota van het Landelijk Dienstencentrum moet zijn voldaan;

bepaalt dat de deskundige niet met het onderzoek zal starten voordat de griffier heeft laten weten dat het voorschot is betaald;

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 1 juni 2017;

bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit bericht zijn declaratie ter griffie zal indienen onder vermelding van zaaknummer 200.186.968/01;

verwijst de zaak naar de rol van 20 juni 2017 voor akte na deskundigenbericht aan de zijde van [appellante] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, C.M.J. Peters en M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2017.