Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4979

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
200.209.535/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag wegens terugkerende afwezigheid vader door psychische problematiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2018/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.209.535/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/241568 / FA RK 16-2076

Beschikking van de meervoudige kamer van 28 november 2017 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats a] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. N. Baouch te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats b] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.K. Oostlander-Vos te Haarlem.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie: Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) (hierna te noemen: de rechtbank) van 16 november 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 15 februari 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 november 2016.

2.2

De vrouw heeft op 20 april 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts het volgende ingekomen:

- een brief van de zijde van de vrouw van 19 september 2017 met als bijlage productie 29, en een inventarislijst, ingekomen op 22 september 2017.

2.4

De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] heeft zijn mening per brief kenbaar gemaakt.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 11 oktober 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevr. D.M. van Dijk.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie van de man en de vrouw is geboren [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), [in] 2005 te [geboorteplaats] . De man heeft [de minderjarige] erkend. Tot aan de bestreden beschikking oefenden de man en de vrouw gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] verblijft bij de vrouw.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank van 23 november 2011 is het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag afgewezen.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 17 februari 2016 is door de kinderrechter vervangende toestemming gegeven waarmee de vrouw is gerechtigd tot het aanvragen van een paspoort ten behoeve van [de minderjarige] . Bij beschikking van de rechtbank Alkmaar van dezelfde datum is vervangende toestemming aan de vrouw verleend om met [de minderjarige] met vakantie te gaan.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het primaire verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag van de man en de vrouw te beëindigen en de vrouw met het gezag over [de minderjarige] te belasten, toegewezen. Subsidiair had zij verzocht te bepalen dat de man gedurende de periode dat hij niet in staat is het gezag uit te oefenen, daarin wordt geschorst.

4.2

De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel, met vernietiging van de bestreden beschikking (in zoverre), het primaire verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen. Voor wat betreft het subsidiaire verzoek refereert hij zich aan het oordeel van het hof.

4.3

De vrouw verzoekt, naar het hof begrijpt, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans de grief van de man als ongegrond en/of onbewezen te passeren en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk gezag heeft beëindigd en de vrouw heeft belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk gezag hebben. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat het gezag aan een van de ouders moet worden toegekend.

De vrouw heeft twee procedures gevoerd ten aanzien van het paspoort en het maken van een reis, waarvoor vervangende toestemming van de rechtbank is verkregen. De toestemming voor een psychologisch onderzoek van [de minderjarige] heeft de man na een aantal maanden gegeven.

Het niet-bereikbaar en/of niet-aanspreekbaar zijn van de man heeft uitsluitend te maken met episoden van psychoses. De psychoses nemen met de tijd af. Volgens de man is inmiddels vastgesteld dat hij een posttraumatische-stressstoornis (PTSS) heeft en is zijn medicatie nu beter afgestemd. Verder is er wel degelijk invulling geweest van de vaderrol en is er contact geweest tussen de man en [de minderjarige] . De man vreest dat hij bij gezagsbeëindiging volledig van zijn zoon zal worden afgesneden. De man meent dat de gronden voor de beëindiging niet aanwezig zijn nu geen sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren raakt. Indien wel aan deze eis is voldaan, is niet voldaan aan de eis dat niet te verwachten is dat daarin op afzienbare termijn verbetering komt.

Bovendien is de toewijzing van het primaire verzoek van de vrouw disproportioneel. De wet voorziet immers in schorsing van rechtswege op het moment dat de man niet in staat is (door psychische problematiek) het gezag uit te oefenen. De man heeft er geen bezwaar tegen dat dat laatste ook in een beslissing wordt vastgelegd en in die zin refereert de man zich voor wat betreft het subsidiaire verzoek van de vrouw.

5.2

De vrouw voert verweer en stelt dat zij terecht het eenhoofdig gezag heeft gekregen. De man stelt weliswaar dat de haperingen in de communicatie uitsluitend te maken hebben met zijn psychotische episoden, maar er is vrijwel nooit enige communicatie tussen partijen geweest. Van een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening is nooit sprake geweest. De contacten tussen de man en [de minderjarige] waren in eerste instantie voornamelijk telefonisch (in 2012). In 2013, 2014 en 2015 is in ieder jaar een keer feitelijk contact geweest. Sinds april 2015 is er geen enkel contact meer geweest tussen de man en [de minderjarige] .

De vrouw was in 2016 genoodzaakt om de rechtbank om vervangende toestemming te vragen voor een reis, nu de man geen toestemming gaf. Voor een verzoek van de vrouw tot toestemming voor psychologische ondersteuning voor [de minderjarige] in februari 2016 heeft de man pas toestemming gegeven in juli 2016.

De man is door zijn ziektebeeld niet in staat zijn vaderrol te vervullen en de communicatieproblemen zijn dermate ernstig dat een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders, terwijl niet te verwachten is dat het ziektebeeld van de man binnen afzienbare tijd zal verbeteren, terwijl de wijziging van het gezag anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is.

5.3

De raad heeft geadviseerd de beslissing van de rechtbank te bekrachtigen. Er zijn te veel belemmeringen, waaronder geen samenwerking en communicatie tussen de ouders, om gezamenlijk gezag te behouden.

5.4

Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag van de ouders over een minderjarige het uitgangspunt van de wetgever is. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n jo. 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Ter beoordeling aan het hof ligt voor de vraag of de gronden voor beëindiging van het gezamenlijk gezag aanwezig zijn en of de vrouw terecht met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] is belast.

5.5

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de vrouw, sinds het uiteengaan van partijen in 2005, feitelijk alleen het gezag uitoefent over [de minderjarige] . De man heeft onvoldoende gesteld om de stelling van de vrouw te ontkrachten dat hij al jarenlang geen invulling geeft aan het gezamenlijk gezag. Het hof gaat in dit verband ervan uit dat het contact tussen de man en [de minderjarige] minimaal is, nu de man het door de vrouw overgelegde overzicht van de contacten tussen de man en [de minderjarige] niet inhoudelijk heeft weersproken. Uit dat overzicht valt op te maken dat in 2013, 2014 en 2015 jaarlijks ongeveer eenmaal contact is geweest. Sinds april 2015, een laatste WhatsAppcontact, is er geen enkel contact meer geweest. De aansporing van de man door de rechtbank om stappen te ondernemen het contact met [de minderjarige] weer op te bouwen, heeft geen verandering in de houding van de man gebracht. De vrouw heeft aangegeven dat zij de man momenteel per e-mail op de hoogte houdt van het welzijn van [de minderjarige] , maar dat zij meestal geen reactie van de man ontvangt.

5.6

In 2016 heeft de vrouw de rechtbank om vervangende toestemming moeten vragen voor een reis en heeft zij vervangende toestemming voor een paspoort voor [de minderjarige] moeten vragen, nu zij de toestemming van de man niet kreeg. Daarnaast ontving de vrouw op een verzoek tot toestemming voor psychologische ondersteuning van [de minderjarige] in februari 2016 na herhaaldelijk vragen pas in juli 2016 de toestemming van de zijde van de man.

De man schrijft het ontbreken van toestemming van zijn zijde toe aan het slechte contact tussen partijen en de psychoses die hij heeft doorgemaakt. Ter zitting is in dit verband aan de orde gekomen dat de man meerdere keren opgenomen is geweest in een inrichting op basis van een rechterlijke machtiging. Hierdoor is hij voor langere perioden plotseling onbereikbaar geweest voor de vrouw en [de minderjarige] en werd hij belemmerd in de uitoefening van zijn gezag. Niet weersproken is dat de man opgenomen is geweest in 2006, 2009, 2010, 2011, 2016 en 2017 voor de duur van maximaal vier maanden.

5.7

Uit het vorenstaande blijkt dat ten opzichte van de situatie in 2011, toen het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag nog werd afgewezen, sprake is van gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 1:253n BW, nu voorheen contact moeizaam maar mogelijk was en daarna contact op sommige momenten onmogelijk bleek en de afgelopen periode voor toestemming zelfs juridische procedures nodig waren.

5.8

Tevens is gebleken dat de man, hoewel daarbij van onwil niet zozeer is gebleken, in het meer recente verleden niet adequaat heeft gereageerd op verzoeken van de vrouw. De vrouw heeft de afgelopen periode erg veel moeite moeten doen om de vereiste toestemming van de man te verkrijgen.

Gelet op de regelmatige opnamen van de man, ook in het recente verleden, en diens slechte bereikbaarheid, is het goed mogelijk dat de vrouw, vanwege een plotseling afwezig zijn van de man en diens onbereikbaarheid, ook in de toekomst in handelingsverlegenheid komt en dat praktische zaken met betrekking tot de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] niet adequaat en met voldoende voortvarendheid kunnen worden geregeld. Nu de man de vrouw niet op de hoogte heeft gehouden van zijn verblijf en de gemoedstoestand waarin hij verkeert, is een tijdelijke schorsing van de man in zijn gezag geen passende maatregel gelet op het belang van [de minderjarige] .

Verbeteringen in voormelde situatie zijn, gelet op het ziektebeeld van de man en de gebrekkige vooruitgang in de afgelopen jaren, niet op redelijke termijn te verwachten. De stelling van de man dat inmiddels is ontdekt dat hij PTSS heeft en dat zijn medicatie nu beter is afgestemd, maakt het vorenoverwogene niet anders.

Gezamenlijk gezag vereist niet alleen dat de ouders in staat zijn tot enige vorm van communicatie met elkaar en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, maar ook dat belangrijke beslissingen over het kind met enige voortvarendheid genomen kunnen worden in situaties die dat vereisen en dat daarnaar kan worden gehandeld. Het hof is onder deze omstandigheden dan ook van oordeel dat beëindiging van het gezamenlijk gezag en toekenning van het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] aan de vrouw anderszins in het belang [de minderjarige] noodzakelijk is.

5.9

Ten overvloede overweegt het hof dat gebleken is dat de vrouw een positieve houding heeft ten aanzien van het contact tussen de man en [de minderjarige] . Het hof heeft er vertrouwen in dat de vrouw ook in de toekomst de man zal blijven informeren en betrekken bij belangrijke beslissingen ten aanzien van [de minderjarige] en open zal blijven staan voor contact tussen de man en [de minderjarige] , conform het neergelegde in artikel 1:377a en 1:377b lid 1 BW.

5.10

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. H.A. van den Berg en
mr. A.R. van Wieren, bijgestaan door mr. J. Stein als griffier en is op 28 november 2017 in het openbaar uitgesproken.