Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4977

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
200.202.868/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:8847, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bijstandsverhaal; uit art. 1:394 BW noch enige andere wettelijke bepaling vloeit voort dat de onderhoudsplicht van de verwekker verband houdt met de aard of de bestendigheid van de (voorafgaande) relatie tussen de verwekker en de moeder; bij de bepaling van de behoefte van de minderjarige - waar het gaat om een eerste vaststelling van een onderhoudsbijdrage - dienen niet alleen de financiële middelen van de vrouw, maar ook die van de man in aanmerking te worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0345
RFR 2018/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.202.868/ 01

zaaknummer rechtbank: C15/237385 / FA RK 15-8074

beschikking van de meervoudige kamer van 28 november 2017 inzake

De gemeente Den Helder,

zetelende te Den Helder,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de gemeente,

en

[de man] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans verblijvende in Curaçao,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.S. Vos te Alkmaar.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 26 oktober 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De gemeente is op 8 november 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 26 oktober 2016.

2.2.

De man heeft op 29 december 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De gemeente heeft op 22 november 2016 het procesdossier uit de eerste aanleg en op 23 november 2016 het proces‑verbaal van de zitting in eerste aanleg ingediend.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de gemeente, vertegenwoordigd door de heer H.P. Niezen;

- de advocaat van de man.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

3 De feiten

3.1.

Uit [de vrouw] (hierna: de vrouw) is geboren [in] 2012 [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ).

De vrouw is van rechtswege belast met het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] verblijft bij de vrouw.

3.2.

De vrouw ontvangt sinds 28 mei 2013 van de gemeente een bijstandsuitkering ingevolge de (thans geheten) Participatiewet, die mede ten behoeve van [de minderjarige] wordt verstrekt.

3.3.

Bij brief van 22 mei 2015 heeft de gemeente de man verzocht aan te geven of hij al dan niet de verwekker is van [de minderjarige] .

Bij brief van 16 september 2015 is de man door de gemeente gewezen op zijn wettelijke onderhoudsplicht jegens [de minderjarige] en is hem verzocht inlichtingen te verstrekken omtrent zijn financiële omstandigheden, teneinde de gemeente in de gelegenheid te stellen de grens van zijn onderhoudsplicht te bepalen.

Bij brief van 20 september 2015 heeft de man de gemeente bericht dat hij niet de verwekker is van [de minderjarige] en dat hij geen inlichtingen wenst te verstrekken omtrent zijn financiële omstandigheden.

3.4.

Bij verhaalsbesluit van de gemeente van 30 september 2015 is de man, op grond van een tweetal daartoe strekkende verklaringen “biologisch vaderschap” van de vrouw, door de gemeente aangemerkt als de biologische vader van [de minderjarige] en is de door de man te betalen verhaalsbijdrage door de gemeente ambtshalve vastgesteld op € 250,- per maand, met ingang van 1 oktober 2015.

3.5.

Blijkens een rapport Verwantschapsonderzoek van Verilabs van 24 mei 2016, is praktisch bewezen dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] .

3.6.

Bij brief van 14 december 2015 heeft de gemeente aangekondigd een gerechtelijke procedure te starten teneinde het verhaalsbedrag in rechte te laten vaststellen.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is de verhaalsbijdrage, die de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens [de minderjarige] aan de gemeente wegens gemaakte en nog te maken kosten van bijstand verschuldigd is, vastgesteld op € 97,- per maand, door de man te betalen met ingang van 1 oktober 2015.

Deze beslissing is gegeven op het (inleidend) verzoek van de gemeente de door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbijdrage vast te stellen op € 250,- per maand met ingang van 1 oktober 2015.

Voorts heeft de rechtbank – op het daartoe strekkende verzoek van de gemeente – bepaald dat de man, ingeval van niet-tijdige betaling van hetgeen hij aan de gemeente verschuldigd is, de dan bestaande achterstand ineens zal betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de man in verzuim is tot de dag van voldoening. Het verzoek van de gemeente om de man te veroordelen in de kosten van het geding is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd.

4.2.

De gemeente verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking:

- de door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbijdrage vast te stellen op € 250,- per maand met ingang van 1 oktober 2015;

- te bepalen dat de man, ingeval van niet-tijdige betaling van hetgeen hij aan de gemeente verschuldigd is, de dan bestaande achterstand ineens zal betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de man in verzuim is tot de dag van voldoening;

- de man te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4.3.

De man verzoekt het door de gemeente in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

De man is geboren [in] 1981. Hij is alleenstaand.

5.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 62, aanhef en sub a, Participatiewet, voor zover thans van belang, kunnen kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, worden verhaald op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt.

5.3.

De gemeente betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de behoefte van [de minderjarige] (uitsluitend) op basis van het inkomen van de vrouw dient te worden bepaald en niet mede op basis van het inkomen van de man. Hiertoe voert de gemeente aan dat overeenkomstig de normen opgenomen in het zogenaamde Tremarapport voor de bepaling van de behoefte, indien de ouders nimmer hebben samengewoond, het gemiddelde dient te worden genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte berekend op basis van het inkomen van de andere ouder. De man heeft geen enkel inzicht gegeven in zijn financiële situatie, waardoor het niet mogelijk is de behoefte op basis van het inkomen van de man te berekenen. De door de gemeente ambtshalve vastgestelde verhaalsbijdrage van € 250,- per maand dient dan ook te worden gehandhaafd, aldus de gemeente.

5.4.

De man betwist de stellingen van de gemeente en voert het volgende aan. De man en de vrouw hebben slechts een ‘one-night-stand’ gehad, zonder affectieve relatie, waaruit [de minderjarige] is geboren. De man en de vrouw hebben nimmer samengewoond noch het voornemen gehad om te gaan samenleven. De man heeft zich nooit als een vader van [de minderjarige] gedragen, er zijn geen contacten geweest tussen hem en [de minderjarige] , zodat [de minderjarige] niet heeft deelgenomen- of is gewend geraakt aan de door de man gevoerde welstand, noch hieraan ooit zal deelnemen. De gemeente heeft deze feiten en omstandigheden volgens de man niet betwist. De behoefte van [de minderjarige] dient dan ook uitsluitend op basis van het inkomen van de vrouw te worden bepaald, aangezien [de minderjarige] geen andere mate van welstand kent of heeft gekend dan de bijstandsuitkering van de vrouw. Voorts behoorden ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] nog twee minderjarige kinderen tot het gezin van de vrouw. Ter zitting in hoger beroep is namens de man nog aangevoerd dat de kosten van een kind dienen te worden bepaald op basis van het verleden, maar dat de man nimmer deel uitgemaakt heeft van het leven van [de minderjarige] aangezien hij niet op de hoogte was van haar bestaan.

De man voert ten slotte aan dat de gemeente op niet ter zake doende gronden in hoger beroep is gekomen en aldus onnodig proceskosten heeft veroorzaakt, zodat de gemeente in de kosten van het hoger beroep dient te worden veroordeeld.

5.5.

Het hof overweegt als volgt.

Vaststaat dat de man en de vrouw nimmer hebben samengewoond en dat ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] reeds twee minderjarige kinderen tot het eenoudergezin van de vrouw behoorden. Voorts is niet in geschil dat de man en de vrouw slechts een eenmalig seksueel contact hebben gehad waaruit [de minderjarige] is geboren en dat de man als verwekker onderhoudsplichtig is jegens [de minderjarige] .

Artikel 1:394 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, voor zover thans in hoger beroep van belang, dat de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, als ware hij ouder verplicht is tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Uit deze noch enige andere wettelijke bepaling vloeit voort dat die onderhoudsplicht van de verwekker verband houdt met de aard of de bestendigheid van de (voorafgaande) relatie tussen de verwekker en de moeder. Deze wettelijke onderhoudsplicht geldt derhalve ook in het geval er geen bestendige affectieve relatie tussen de verwekker en de moeder heeft bestaan en/of geen affectieve relatie met voornemen tot samenleven in de toekomst, doch slechts sprake is geweest van - zoals in het onderhavige geval - een eenmalig seksueel contact. Ook indien de verwekker zich nimmer als vader heeft gedragen en nimmer in die hoedanigheid contact met het kind heeft gehad of wenst, laat dit het bestaan van voormelde onderhoudsplicht onverlet.

Aan dit wettelijk systeem ligt ten grondslag dat zowel de vader/verwekker als de moeder aan de verzorging en opvoeding van het kind moet bijdragen. Aan dit uitgangspunt zou tekort worden gedaan, indien voor de bepaling van de behoefte van het kind aan een bijdrage slechts de kosten in aanmerking zouden worden genomen, die de moeder voor het kind heeft gemaakt in een periode waarin zij nog niet kon beschikken over een door de vader/verwekker betaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Voor de bepaling van de behoefte van het kind dient – in het geval als het onderhavige waarin het gaat om een eerste vaststelling van een onderhoudsbijdrage – er van te worden uitgegaan dat ook de verwekker dient bij te dragen in de kosten van het kind met een bedrag dat hij aan het kind zou besteden als dit kind in zijn gezin zou opgroeien (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AN9690).

Gelet op het voorgaande dient de vraag of [de minderjarige] in haar verzorging en opvoeding mag profiteren van de door de man gevoerde welstand bevestigend te worden beantwoord en dienen derhalve niet alleen de financiële middelen van de vrouw, maar ook die van de man in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van haar behoefte. Anders dan de man betoogt, is de aard of de bestendigheid van de relatie tussen hem en de vrouw in dit kader niet relevant. Hetzelfde geldt voor de door de man gestelde omstandigheden dat hij zich nimmer als een vader heeft gedragen en nimmer contact heeft gehad met [de minderjarige] . Voor zover de man betoogt dat [de minderjarige] tot op heden feitelijk in een ander gezinsverband is opgegroeid bij de vrouw en haar andere minderjarige kinderen en [de minderjarige] daarmee niet heeft deelgenomen aan de door hem gevoerde welstand, zodat zijn inkomen ook daarom niet mede in aanmerking dient te worden genomen bij de bepaling van haar behoefte, gaat het hof hieraan voorbij, nu het in dit geval gaat om een eerste vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] en de omvang van de voor [de minderjarige] gemaakte kosten in het verleden uitsluitend is bepaald door wat de vrouw aan haar heeft besteed zonder nog over een bijdrage van de man te kunnen beschikken.

Het hof zal de behoefte van [de minderjarige] begroten op basis van het Tremarapport, dat een richtlijn bevat voor een situatie vergelijkbaar met de onderhavige, waarbij de vader nimmer met de moeder en het kind in gezinsverband heeft samengeleefd. Voor die situatie wordt aanbevolen de behoefte van een kind aldus te bepalen dat het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder. Het hof ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om van die richtlijn af te wijken en zal deze berekeningsmethodiek ook op het onderhavige geval toepassen.

5.6.

Nu geen grieven zijn gericht tegen de door de rechtbank berekende behoefte van [de minderjarige] op basis van het inkomen van de vrouw, te weten € 97,- per maand met ingang van 1 oktober 2015, en de man in zijn verweerschrift in hoger beroep uitdrukkelijk instemt met deze behoefteberekening, zal hiervan in hoger beroep eveneens worden uitgegaan.

Anders dan de rechtbank is het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat tevens de behoefte van [de minderjarige] berekend op basis van het inkomen van de man in aanmerking dient te worden genomen. Zoals hiervoor onder 3.3 is overwogen, heeft de gemeente de man verzocht inlichtingen te verstrekken omtrent zijn financiële omstandigheden, teneinde de grens van zijn onderhoudsplicht te kunnen bepalen. De man heeft dit echter nagelaten, zodat de gemeente – bij gebreke van door de man verstrekte financiële gegevens – ambtshalve de grens van diens onderhoudsplicht heeft bepaald op € 250,- per maand. De man heeft in eerste aanleg noch in hoger beroep gegevens omtrent zijn financiële situatie in het geding gebracht, zodat het hof hierin geen inzicht heeft kunnen krijgen, hetgeen voor rekening en risico van de man dient te komen. Gelet hierop heeft de man onvoldoende betwist dat de (gemiddelde) behoefte van [de minderjarige] , waarbij mede de behoefte berekend op basis van zijn inkomen in aanmerking is genomen, op 1 oktober 2015 ten minste € 250,- per maand bedroeg.

De man heeft in eerste aanleg, noch in hoger beroep een draagkrachtverweer gevoerd.

Voorts is niet in geschil dat aan de zijde van de vrouw geen rekening dient te worden gehouden met enige draagkracht. De man heeft dan ook onvoldoende weersproken dat hij in staat is de door de gemeente vastgestelde verhaalsbijdrage ten behoeve van [de minderjarige] van € 250,- per maand te voldoen.

De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de verhaalsbijdrage, te weten 1 oktober 2015, is niet in geschil, zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Nu de man – ook in hoger beroep – geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de gemeente te bepalen dat de man, ingeval van niet-tijdige betaling van hetgeen hij aan de gemeente verschuldigd is, de dan bestaande achterstand ineens zal betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de man in verzuim is tot de dag van voldoening, zal dit onderdeel van het door de gemeente verzochte eveneens worden toegewezen.

5.7.

Gelet op de aard en uitkomst van de procedure en nu niet onnodig is geprocedeerd, ziet het hof geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, zoals door ieder van partijen over en weer is verzocht. Het hof zal de kosten van het geding in hoger beroep derhalve compenseren.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbijdrage ten behoeve van [de minderjarige] vast op € 250,- (TWEEHONDERD VIJFTIG EURO) per maand met ingang van 1 oktober 2015;

bepaalt dat de man, ingeval van niet-tijdige betaling van hetgeen hij aan de gemeente verschuldigd is, de dan bestaande achterstand ineens zal betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de man in verzuim is tot de dag van voldoening;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Buitendijk, mr. H.A. van den Berg, mr. L.M. Coenraad, bijgestaan door mr. J.H.M. Kessels als griffier, en is op 28 november 2017 in het openbaar uitgesproken.