Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4929

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
23-001976-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstal. De gedragingen van de verdachte zijn ook naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op het wegnemen van de goederen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001976-17

datum uitspraak: 20 november 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-016046-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2017.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer cosmeticaproduct(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Deen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe is door en namens de verdachte – kort gezegd – aangevoerd dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte is op 24 januari 2017 in een Deen supermarkt aan de [straat] te Amsterdam geweest. Uit het proces-verbaal van bevindingen, dat naar aanleiding van het onderzoek naar de daar opgenomen camerabeelden is opgemaakt, blijkt dat de verdachte – nadat hij goederen in zijn tas had gestopt – zich een kwartslag naar rechts heeft gedraaid en met zijn rug naar een medewerker van de supermarkt is gaan staan die op dat moment het gangpad in kwam lopen. Vervolgens heeft de verdachte dat gangpad verlaten en is hij daar weer teruggekeerd, nadat die medewerker was weggelopen. Bij de kassa gekomen heeft de verdachte een flesje drinken afgerekend, om daarna de supermarkt te verlaten. Op weg naar buiten is hij aangehouden door een winkelmedewerker. Daarnaast blijkt uit dit proces-verbaal dat de verdachte iets – naar later bleek: de weggenomen cosmeticagoederen – in een prullenbak gooide toen hij na zijn aanhouding op de eerste etage even alleen stond. Naar het oordeel van het hof zijn deze gedragingen van de verdachte ook naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op het wegnemen van de cosmeticaproducten met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De ter zitting door de verdachte gegeven verklaring dat hij ‘zijn hoofd er niet bij had’ en had vergeten de spullen af te rekenen, acht het hof niet geloofwaardig. Deze verklaring strookt niet met de hiervoor geschetste handelwijze. Daar komt bij dat de verdachte niet meteen toen hij werd betrapt, een uitleg heeft gegeven voor zijn handelen en bij zijn eerste politieverhoor heeft ontkend die goederen weggenomen te hebben en het wegnemen eerst bekende toen hij geconfronteerd werd met de camerabeelden. Dat de verdachte een zeer grote hoeveelheid contant geld bij zich had maakt het voorgaande niet anders. Het hof acht de ten laste gelegde diefstal dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 januari 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen cosmeticaproducten, toebehorende aan winkelbedrijf Deen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal door cosmeticaproducten weg te nemen en heeft daarmee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het betreffende winkelbedrijf. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit, dat naast schade ook hinder veroorzaakt voor het gedupeerde winkelbedrijf en noodzaakt tot het treffen van uitgebreide beveiligingsmaatregelen. Door zijn ontkenning heeft de verdachte geen inzicht gegeven in zijn beweegredenen behoudens dat deze niet van financiële aard zijn.

Ten voordele van de verdachte houdt het hof rekening met een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 oktober 2017, waaruit blijkt dat hij in de afgelopen jaren niet in contact is gekomen met justitie. Verder houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep aan bod kwamen. Gelet hierop ziet het hof aanleiding om af te wijken van de door de politierechter opgelegde straf. Het hof zal dit feit als eenmalig incident zien, maar acht wel een voorwaardelijke straf op zijn plaats om te voorkomen dat de verdachte nogmaals in de fout gaat.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.


Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. C.N. Dalebout en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. O.F. Qane, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 november 2017.

Mr. M. Gonggrijp-van Mourik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]