Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4922

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
23-001119-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besturen van een snorfiets in de zin van art. 8 Wegenverkeerswet 1994. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001119-17

datum uitspraak: 24 november 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 96-259661-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 december 2016 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 775 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de advocaat-generaal primair aangevoerd dat de bekennende verklaring die de verdachte ter plaatse heeft afgelegd, ondanks het gebruik van alcohol, voldoende betrouwbaar is nu de verdachte op de agenten een ‘normale’ indruk maakte en hij gedetailleerd kon verklaren over onder meer de aangetroffen verkeerssituatie. Bovendien wordt de verklaring van de verdachte door de verklaring van de bestuurder van de personenauto en de verkeerssituatie ter plaatse ondersteund. Subsidiair heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat, ook al zou de verdachte de snorfiets slechts (lopend) hebben voortgeduwd, nog steeds sprake is van ‘besturen’ in de zin van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: “WVW”).

De verdachte heeft gesteld dat hij dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De verdachte erkent alcohol te hebben genuttigd, maar ontkent de snorfiets te hebben bestuurd. Daartoe voert de verdachte aan dat hij de snorfiets lopend voortduwde, dat de motor van de snorfiets niet draaide en de sleutel niet in het contact gestoken was. Onder deze omstandigheden is volgens de verdachte geen sprake van ‘besturen’ als bedoeld in artikel 8 WVW.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep de juistheid van de ten overstaan van de politie afgelegde “bekennende” verklaring betwist en andersluidend verklaard. Het hof ziet aanleiding aan de juiste weergave van deze “bekennende” verklaring te twijfelen, omdat de processen-verbaal op dit punt tegenstrijdig zijn. Zo staat enerzijds in het “proces-verbaal van bevindingen” van 17 december 2016 dat de verdachte ter plaatse heeft verklaard:

“Ik reed daar gewoon en die bestuurder van die Audi die riep vervolgens iets naar mij. Ik hoef maar een klein stukje naar huis te rijden. Ik rijd met de brommer omdat ik hartklachten heb.”

Anderzijds staat in het “proces-verbaal ter zake artikel 8 WVW 1994” van 17 december 2016 als verklaring van de verdachte:

“Ik ontken dat ik een voertuig heb bestuurd. Ik wens niets te verklaren.”

Tevens staat in voornoemd proces-verbaal dat de verdachte niet wenste te ondertekenen, “omdat het niet mijn verklaring is”.

Gezien deze tegenstrijdigheid acht het hof de aan de verdachte in voornoemd proces-verbaal van bevindingen toegeschreven verklaring onvoldoende betrouwbaar om tot bewijs van het tenlastegelegde te dienen. Het dient er daarom voor te worden gehouden dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet op zijn snorfiets heeft gereden.

Daarmee komt aan de orde de vraag of het met de hand voortduwen van een snorfiets aangemerkt kan worden als het besturen van een snorfiets. Of een persoon als ‘bestuurder’ in de zin van artikel 1, eerste lid onder n en artikel 8 WVW kan worden aangemerkt, hangt af van de feiten en omstandigheden van het concrete geval.

Het openbaar ministerie heeft zijn stelling onderbouwd dat de verdachte – ook al duwde hij de snorfiets zonder draaiende motor voort – wel de bestuurder van zijn snorfiets was. Daartoe heeft het openbaar ministerie bij appelschriftuur (kennelijk) verwezen naar arresten die over dit onderwerp staan weergegeven in het Zakboek Strafvordering voor de hulpofficier, van M.G.M. Hoekendijk. Daarnaast heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep verwezen naar een tweetal arresten. Het hof heeft die door het openbaar ministerie genoemde arresten vergeleken met de onderhavige casus.

In HR 12 juni 1990 (NJ 1991, 29) (in de appelschriftuur abusievelijk weergeven als HR 12 juni 1994) had het hof geoordeeld dat het duwen van een auto, terwijl de motor in werking was en de verdachte door het open raam het stuurwiel van de auto bediende, de verdachte tot bestuurder in de zin van de WVW maakte. De Hoge Raad oordeelde dat deze opvatting geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. In de onderhavige zaak liggen de feiten wezenlijk anders. De zaken zijn niet gelijk.

Het openbaar ministerie heeft voorts verwezen naar een arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 25 januari 2011, VR 2012,15. In die verstekzaak ging het om de vraag of de verdachte door in een auto te stappen, de lichten aan te doen, de motor te starten en aanstalten te maken zijn gordel om te doen, kwalificeerde als bestuurder in de zin van de WVW. Hier geldt eveneens dat de zaken niet gelijk zijn.

Ook de andere aangehaalde arresten – kort samen te vatten als de startende motorfiets (in de appelschriftuur evenals in het Zakboek Strafvordering voor de hulpofficier abusievelijk weergegeven zonder datum) en de steppende fietser (HR 22 december 1987, NJ 1988, 758 (in de appelschriftuur abusievelijk weergegeven met vindplaats DD1992, 276) – brengen het hof niet tot een ander oordeel, omdat die zaken feitelijk sterk verschillen van de onderhavige casus.

Om met die laatste zaak te beginnen: de Hoge Raad oordeelde dat het middel faalde op de gronden als weergegeven in de conclusie van het openbaar ministerie. Advocaat-Generaal Remmelink concludeerde: “Wie op een fiets gaat zitten en door spierkracht bewerkstelligend, dat deze zich in beweging zet, fungeert als bestuurder daarvan. Of hij daarbij de pedalen bedient lijkt mij niet van belang, evenmin als het functioneren van een motor voor het besturen van een motorrijtuig doorslaggevend is. (…) Slechts wanneer de fietser zich niet meer op het vehikel bevindt, maar dit, er naast lopende, voortduwt is hij een voetganger geworden.” Het hof ziet in de onderhavige casus overeenkomsten met de door de advocaat-generaal genoemde hypothese en sluit zich bij diens redenering aan.

Het zonder datum genoemde arrest betreffende een voortgeduwde motorfiets, met als kennelijke vindplaats DD 1992/276, heeft het hof weten terug te vinden als HR 10 maart 1992, DD 22 (1992), afl. 7, p. 778, (92.276). Dit arrest, waarvan niet de inhoud maar alleen een korte samenvatting is gepubliceerd, zou inhouden dat met de overweging dat de verdachte, die met een motorfiets aan de hand liep terwijl hij probeerde die te starten (en daarin uiteindelijk ook slaagde), als bestuurder met die motorfiets heeft gereden, de rechtbank geen onjuiste uitleg heeft gegeven aan de term 'als bestuurder van een motorrijtuig daarmee rijden'. Wat daarvan ook zij, zonder de feiten van die zaak te kennen, die het openbaar ministerie ook niet heeft gepresenteerd, kan een vergelijking met de onderhavige casus niet plaatshebben.

Ten slotte bespreekt het hof de twee door de advocaat-generaal genoemde arresten. In HR 30 augustus 2005 (LJN AT7292) trok een passagier aan de handrem van een auto. Dat deze passagier aldus als bestuurder van die auto had gefungeerd, gaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zo oordeelde de Hoge Raad. Wederom een wezenlijk andere situatie dan de verdachte die zijn snorfiets voortduwde.

Hetzelfde geldt ten slotte voor het arrest van dit hof van 18 mei 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:2109). In die zaak werd aannemelijk geacht dat de verdachte als passagier een ruk aan het stuur van een rijdende auto had gegeven. Hij werd aangemerkt als bestuurder in de zin van de WVW. Ook hier gaat een vergelijking niet op.

En daarmee keert het hof terug naar zijn vooropstelling dat het antwoord op de vraag of een persoon als ‘bestuurder’ in de zin van artikel 1, eerste lid onder n en artikel 8 WVW kan worden aangemerkt, afhangt van de feiten en omstandigheden van het geval. Gelijke gevallen als het onderhavige heeft het hof in de jurisprudentie niet gevonden. Het ernaast lopend voortduwen van een snorfiets kwalificeert naar het oordeel van het hof niet als besturen in de zin van de WVW. Dat de verdachte (mogelijk, het dossier rept daarover niet) het stuur van die snorfiets en/of het zadel vasthad en daardoor de voortbeweging en rijrichting van die snorfiets beïnvloedde, maakt dat niet anders. Die door het openbaar ministerie voorgestane benadering zou immers ertoe leiden dat een ieder die een (snor)fiets aan de hand meevoert, als bestuurder daarvan zou gelden. Dat kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. De verdachte was naar het oordeel van het hof gezien de concrete feiten en omstandigheden zoals genoemd geen ‘bestuurder’ in de zin van de WVW, maar – indachtig de hiervoor weergegeven conclusie van advocaat-generaal Remmelink – een voetganger.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het hof niet bewezen wat de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. M.M. van der Nat, en mr. M.E. Hinskens-van Neck, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 november 2017.

[...]