Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4896

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
23-003233-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak moord, veroordeling doodslag en poging doodslag. Oplegging langdurige gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003233-15

datum uitspraak: 14 november 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13/654182-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in PI Midden Holland – Huis van Bewaring De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

24 augustus 2016 en 31 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 22 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] eenmaal of meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of de hals/nek en/of de arm(en) en/of de/het be(e)n(en) en/of de borst en/of de buik, in elk geval in het lichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2 primair:
hij op of omstreeks 22 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 2] eenmaal of meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, in elk geval in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden;

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 22 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] eenmaal of meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, in elk geval in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3:
hij op of omstreeks 22 juli 2014 te Amsterdam, een wapen van categorie 1, onder 1, te weten een stiletto voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen feit 1

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van moord. Zij heeft daarbij drie momenten onderscheiden. De situatie in de woning, waar de verdachte het slachtoffer al met een mes heeft gestoken, kan haars inziens als een ogenblikkelijke gemoedsopwelling worden beschouwd. Deze situatie is daarna overgegaan in een situatie waarin de verdachte tijd had om zich te beraden. Zowel na het eerste, als het tweede steekmoment had hij tot inkeer van zijn daden moeten en kunnen komen. De verdachte heeft echter na beide steekmomenten en tijdens het tweede en derde steekmoment diverse uitlatingen gedaan die erop wijzen dat hij maar één doel had, te weten dat het slachtoffer dood moest, en dat niets hem kon tegenhouden. Het is niet aannemelijk dat er contra-indicaties waren die aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg zouden staan, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat niet kan worden bewezen dat de verdachte handelde met voorbedachten rade, zodat hij moet worden vrijgesproken van moord. Op basis van getuigenverklaringen en objectieve bevindingen, waaronder de resultaten van de sectie op het lichaam van het slachtoffer, valt de conclusie te trekken dat de verdachte heeft gehandeld vanuit hevige drift en woede. Er zijn verder aanwijzingen dat het fatale letsel van het slachtoffer al in de woning is toegebracht. Bovendien is alles heel snel gegaan en had de verdachte geen tijd om zich te beraden. Er zijn contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachten rade, aldus de raadsman.

Overwegingen hof

Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 22 juli 2014 is de verdachte naar de woning van [slachtoffer 1] te Amsterdam Zuidoost gegaan. In de woning hebben de verdachte en het slachtoffer ruzie gekregen. De verdachte heeft een mes gepakt en heeft het slachtoffer daarmee gestoken. Het slachtoffer is hierop uit de woning gevlucht. Zij bloedde hevig uit haar hals. Op straat heeft zij om hulp geroepen en heeft zij tegen de buurvrouw gezegd: ‘hij heeft mij gestoken’. Vervolgens is de verdachte met zijn fiets aan de hand uit de woning van het slachtoffer gekomen. In zijn hand had hij een bebloed mes, dat later een stiletto met een lemmet van ongeveer 7 centimeter bleek te zijn. De verdachte is op het slachtoffer afgelopen, heeft zijn fiets laten vallen, heeft het slachtoffer vastgepakt en meermalen met kracht op haar ingestoken. Hierna is het slachtoffer richting een binnentuin gelopen. De verdachte heeft zijn fiets gepakt en is achter het slachtoffer aangefietst. In de binnentuin lag het slachtoffer op haar rug in het gras met de verdachte bovenop haar. De verdachte heeft opnieuw op het slachtoffer ingestoken. Het slachtoffer vroeg hem: ‘Waarom doe je dit?’. De verdachte zei: ‘Omdat je lult, ik ga je dood maken’. Vervolgens is [slachtoffer 2] op de verdachte en het slachtoffer afgekomen. Hij sprak de verdachte aan en schreeuwde tegen omstanders dat zij de politie en de GGD moesten bellen. Hierop is de verdachte overeind gekomen en met het mes op [slachtoffer 2] afgegaan. [slachtoffer 2] probeerde weg te komen op zijn fiets maar is door de verdachte tweemaal met het mes in zijn rug gestoken. Tenslotte is de verdachte met het mes in zijn hand op zijn fiets gestapt en weggefietst.
[slachtoffer 1] is kort daarna in het ziekenhuis aan haar verwondingen overleden. Zij bleek 25 tot 27 keer te zijn gestoken of gesneden, onder meer in haar hals, borst en buik.

Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet

komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of

het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de

gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en

zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten rade is gehandeld, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

Beoordeling feit 1

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden kunnen drie steekmomenten worden onderscheiden: in de woning, op straat en in de binnentuin. Ten aanzien van het eerste steekmoment (in de woning), is het hof met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat er op grond van het dossier geen aanwijzingen zijn dat de verdachte tevoren het plan had opgevat om het slachtoffer van het leven te beroven.
Hoewel er met betrekking tot de situatie tussen het eerste en tweede steekmoment en de situatie tussen het tweede en derde steekmoment aanwijzingen zijn dat de verdachte zich heeft kunnen beraden op het door hem te nemen of genomen besluit – zoals de verstreken tijd tussen de onderscheiden steekmomenten en de omstandigheid dat de verdachte rustig en kalm op een aantal getuigen overkwam – acht het hof deze ontoereikend om tot een bewezenverklaring van voorbedachten rade te komen, gelet op de eveneens aanwezige contra-indicaties waaraan het hof een zwaarder gewicht toekent. Deze contra-indicaties zijn de volgende. Het hof acht het allereerst aannemelijk dat de aanleiding voor het gewelddadige handelen van de verdachte was gelegen in een ruzie die zich, voor de verdachte, in de relationele sfeer bevond. Op grond hiervan is het zeer wel mogelijk dat de verdachte heeft gehandeld vanuit een plotselinge hevige drift. Daarnaast hebben de geweldshandelingen zich betrekkelijk kort na elkaar afgespeeld en vormt het feit dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstond eveneens een sterke contra-indicatie. Tot slot kan uit meerdere getuigenverklaringen een hevige gemoedsopwelling dan wel drift worden afgeleid. Zo leek de verdachte ‘bezeten door de duivel’, had hij ‘een waas voor zijn ogen’, stond hij ‘als een Jack the Ripper te steken’ en was hij ‘agressief’. Daarbij komt voorts nog dat niet kan worden uitgesloten dat het fatale letsel al in de woning aan [slachtoffer 1] is toegebracht.
Dit alles leidt tot de slotsom dat het ten laste gelegde bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ niet kan worden bewezen, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord op [slachtoffer 1]. Het hof acht de ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsoverwegingen feit 2

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 2] en daartoe aangevoerd dat de verdachte door het slachtoffer met een scherp mes met een lemmet van zeven centimeter twee keer in zijn rug te steken, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer een fatale steekwond zou kunnen toebrengen.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’. Tevens moet de verdachte worden vrijgesproken van poging tot doodslag, omdat niet kan worden vastgesteld met welke kracht is gestoken. Het relatief geringe letsel is een contra-indicatie voor de aanname van een poging tot doodslag. Evenmin kan worden vastgesteld of er is gestoken op delen van het lichaam die zodanig kwetsbaar zijn dat op eenvoudige wijze dodelijk letsel kan worden toegebracht, aldus de raadsman.

Overwegingen hof

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde bestanddeel ‘voorbedachten rade’, zodat geen sprake is van een poging tot moord. Ten aanzien van de onder 2 primair tenlastegelegde poging tot doodslag overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, door [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) met een stiletto met een lemmet van zeven centimeter tweemaal in zijn rug te steken, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] hieraan zou overlijden. Van algemene bekendheid is dat het bovenlichaam, waarin zich verscheidene kwetsbare en vitale organen bevinden, een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is. Blijkens de geneeskundige verklaring is [slachtoffer 2] halverwege de ruggengraat, iets links en iets rechts daarvan, gestoken. De kans dat [slachtoffer 2] hieraan zou kunnen komen te overlijden is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten, de aard van het mes waarmee de verdachte heeft gestoken daarbij mede in aanmerking genomen. De gedragingen van de verdachte dienen daarnaast naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel – de verdachte heeft het slachtoffer, terwijl deze van hem weg vluchtte, tot tweemaal toe in de rug gestoken – dat het niet anders kan zijn dan dat hij de kans daarop bewust heeft aanvaard. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is niet gebleken.

Dat niet kan worden vastgesteld met welke kracht de verdachte heeft gestoken en dat de toegebrachte wonden ondiep zijn, doet hier niet aan af, nu die ondiepte kan worden verklaard doordat het vluchtende slachtoffer van de verdachte weg bewoog toen hij werd gestoken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet subsidiair), 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. impliciet subsidiair):
hij op 22 juli 2014 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen met kracht met een mes in de hals/nek en de borst en de buik gestoken en gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2 primair:
hij op 22 juli 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2] meermalen met een mes in de rug heeft gestoken;

3:
hij op 22 juli 2014 te Amsterdam, een wapen van categorie 1, onder 1, te weten een stiletto, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals opgenomen in bijlage I bij dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 (impliciet subsidiair), 2 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 (impliciet subsidiair), 2 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 (moord), 2 primair (poging tot doodslag) en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot 15 jaren gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld met het bevel dat hij van overheidswege verpleegd zal worden.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechtbank in eerste aanleg opgelegd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte niet de tbs-maatregel met dwangverpleging kan worden opgelegd. De rapporten uit 2003 zijn veertien jaar oud en thans, gelet op de weigerachtige houding van de verdachte, kan niet worden vastgesteld of de bevindingen van destijds juist zijn. Tevens kan niet worden vastgesteld of de verdachte tijdens het tenlastegelegde leed aan een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens. Omdat, als al een stoornis zou kunnen worden vastgesteld, de doorwerking evenmin kan worden vastgesteld kan ook niets worden gezegd over een eventueel recidiverisico en behandelbaarheid van de verdachte.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat indien wel aan de verdachte de tbs-maatregel wordt opgelegd, de op te leggen gevangenisstraf aanzienlijk lager moet zijn dan door de rechtbank is bepaald en gebruikelijk zou zijn zonder tbs-oplegging, om detentieschade te voorkomen en de verdachte eerder en beter te laten profiteren van behandeling. Tot slot heeft de raadsman verzocht de tbs-maatregel eerder aan te laten vangen dan nadat twee-derde van de gevangenisstraf is uitgezeten.

Beoordeling hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag en een poging daartoe. Hij heeft een jonge vrouw, die op het punt stond haar nieuwe woning te betrekken en uitzag naar haar toekomst, het leven ontnomen. Tijdens een ruzie heeft de verdachte een mes ter hand genomen en het slachtoffer daarmee op drie verschillende momenten in totaal ruim twintig keer gestoken. Het slachtoffer vluchtte voor haar leven en smeekte om hulp, maar de verdachte liet haar niet ontkomen en heeft de daad waaraan hij was begonnen op een genadeloze wijze afgemaakt.

Buurtbewoners hebben vanuit hun woning en op straat moeten toezien hoe een jonge vrouw op klaarlichte dag keer op keer door de verdachte werd gestoken. [slachtoffer 2], die het slachtoffer te hulp schoot, werd ook tweemaal door de verdachte met het mes gestoken, waardoor deze steekwonden in zijn rug opliep. Hij heeft voor zijn leven gevreesd en het is niet aan de verdachte te danken dat het letsel dat [slachtoffer 2] daarbij heeft opgelopen relatief licht van aard was.

De verdachte heeft aan de familie en vrienden van [slachtoffer 1] ongekend leed berokkend. Hun geliefde is hen ontnomen. Met gevoelens van boosheid en verdriet blijven zij achter en moeten zij verder leven. Ook voor veel buurtbewoners is deze ingrijpende gebeurtenis een traumatische ervaring geweest, waarvan zij ook nu nog last hebben. Sommigen van hen kampen met het schuldgevoel dat zij niets voor het slachtoffer hebben kunnen betekenen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 oktober 2017 is hij in Nederland eerder meermalen voor poging tot doodslag onherroepelijk veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen. Tevens is de verdachte in Suriname voor verschillende geweldsdelicten veroordeeld. Dit alles weegt in zijn nadeel.

Op grond van het bovenstaande acht het hof geen andere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd.

Gedragskundige rapportages

Omtrent de persoon van de verdachte zijn rapportages opgemaakt. Hierin staat, samengevat, het volgende.

Pro Justitia rapport van 30 april 2003 opgemaakt door psychiater [naam 1]

Bij de verdachte is sprake van zwakzinnigheid en een gehoorstoornis op grond waarvan hij regelmatig uitingen van anderen mis interpreteert en zaken niet begrijpt. Hij voelt zich gerechtvaardigd tot geweld. Er is een gerede kans op herhaling, gezien de onveranderbaarheid van de handicap en het milieu waarin de verdachte zich bevindt. Hij begrijpt vaak de situatie en bedoeling van de ander maar gedeeltelijk, reageert daarop met wantrouwen, koppigheid en met de overtuiging dat hij in zijn recht staat om te vergelden. Het is aannemelijk dat dit ook bij het tenlastegelegde een rol speelde. Dit gebeurde in zodanige mate dat er sprake is van een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Pro Justitia rapport van 24 april 2003 opgemaakt door psycholoog [naam 2]

De verdachte stelde zich tijdens het onderzoek vriendelijk en coöperatief op en was goed onderzoekbaar. De psycholoog heeft vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, namelijk lichte zwakzinnigheid/lichte verstandelijke beperking. Hij beschikt over zeer beperkte intellectuele, abstraherende, (zelf)reflecterende, sociale en empathische vermogens. Zijn persoonlijkheid wordt gekenmerkt door kinderlijkheid en starheid. Voorstelbaar is dat de verdachte vanuit zijn verstandelijke beperking sociale situaties onvoldoende kan beoordelen, zich sociaal onhandig gedraagt, zich beperkt kan inleven in het standpunt van de ander en hierdoor in conflicten met anderen zou kunnen geraken. De verdachte is door de geconstateerde gebrekkige ontwikkeling onvoldoende in staat sociale situaties goed te beoordelen en hierin adequaat te handelen. Hij is wel goed op de hoogte van wat wel en niet mag en realiseert zich ook het strafrechtelijk ongeoorloofde hiervan. Gezien de relatie tussen de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en het ten laste gelegde wordt geadviseerd de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor wat betreft het tenlastegelegde. Zwakzinnigheid is geen te behandelen stoornis.

Rapportage Pieter Baan Centrum 1 juni 2015 opgemaakt door psycholoog [naam 3] en psychiater

[naam 4]

De verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd.

Op basis van de korte contacten met de verdachte is de klinische inschatting dat er sprake is van een

gebrekkige ontwikkeling, waarbij onduidelijk is of hier een forensische relevantie vanuit gaat. De

eenvoudige woordkeuze en de kinderlijke houding wijzen in de richting van zwakbegaafdheid of een

verstandelijke beperking, mogelijk samenhangend met niet-aangeboren hersenletsel. Echter, de manier

waarop de verdachte verzandt in zijn verhalen en niet afstemt op zijn gesprekspartner zijn hier niet zo

zeer typisch voor. Door de weigering van de verdachte heeft nader onderzoek niet plaats kunnen vinden.

Concluderend is het niet mogelijk diagnostische uitspraken te doen over de huidige psychische

toestand, noch over die in de periode van het tenlastegelegde of in de aanloop daartoe.

Voormelde psycholoog [naam 3] en psychiater [naam 4] zijn ter terechtzitting in hoger beroep gehoord als deskundige. Zij hebben, ieder met betrekking tot de eigen deskundigheid, kort samengevat verklaard dat zij kennis hebben genomen van de eerder over de verdachte opgemaakte rapporten uit 2003 en dat door de psycholoog [naam 2] in 2003 uitgebreid testpsychologisch onderzoek is gedaan. De psycholoog heeft hierover verklaard dat de daarbij gebruikte tests reguliere tests betreffen, en dat ook de volgorde, de wijze van afnemen en de wijze van verslaglegging adequaat is gedaan. Het betreft een uitstekende combinatie van tests die ook nu nog wordt gebruikt, zij het dat de gebruikte WAIS-III test inmiddels is vervangen door de WAIS-IV. Doorgaans geeft de WAIS-III een overschatting van wat de WAIS-IV zou geven. Het psychologisch onderzoek en de vastlegging daarvan is adequaat en valide. De verdachte heeft destijds zijn best gedaan medewerking te verlenen en er is geen melding gedaan van storende variabelen die de validiteit kunnen doen afnemen, aldus de psycholoog.

De deskundigen hebben voorts verklaard dat de bevindingen in deze rapporten aansluiten bij hun eigen observaties. Het bestaan van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte, waarvoor de deskundigen in hun observaties aanwijzingen hebben gezien, achten zij nu op basis van de rapporten uit 2003 aannemelijk. Om de doorwerking en de eventuele behandeling van de gebrekkige ontwikkeling te bepalen is uitgebreider onderzoek nodig naar de achtergrond daarvan.


Op grond van het voorgaande acht het hof de bevindingen en conclusies van de psychiater [naam 1] en de psycholoog [naam 2] uit 2003 ten aanzien van de bij de verdachte bestaande gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens betrouwbaar en ook thans nog bruikbaar. Door de deskundigen [naam 3] en [naam 4] is ter terechtzitting in hoger beroep de betrouwbaarheid van de destijds gebruikte methoden en het ontbreken van storende variabelen toegelicht. Hetgeen de raadsman in dit verband te berde heeft gebracht geeft het hof geen aanleiding om de validiteit van de in 2003 getrokken conclusies in twijfel te trekken, terwijl van de zijde van de verdachte geen rapportages of andere stukken zijn ingebracht die een ander licht op de rapporten van 2003 zouden kunnen werpen.

Gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens ten tijde van het tenlastegelegde

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat bij de verdachte in 2003 en ook tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens bestond. Een lichtverstandelijke beperking betreft immers, mede volgens de in hoger beroep gehoorde deskundigen, een stoornis die niet (snel) verbetert, terwijl de verdachte daarvoor niet is behandeld, noch daarbij is begeleid.

Toerekeningsvatbaarheid

Aangezien de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van alle bewezenverklaarde feiten bestond, gaat het hof ervan uit dat deze bij de totstandkoming van met name de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten een rol heeft gespeeld, mede gelet op de door de deskundigen in 2003 geschetste mogelijke doorwerking van zijn gebrekkige ontwikkeling in sociale situaties. Het hof acht mitsdien een direct verband aanwezig tussen de stoornis en de bewezenverklaarde feiten. Het hof gaat er voorts van uit dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte niet geheel kunnen worden toegerekend. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet de verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. Dit oordeel is gebaseerd op de rapporten uit 2003, waarin op grond van dezelfde problematiek en dezelfde soort feiten, namelijk geweldsdelicten, tot die mate van toerekenbaarheid is geconcludeerd, terwijl de meer recente bevindingen van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum bij deze rapporten aansluiten en de conclusie ten aanzien van de gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens ook bevestigen.

Gevaarscriterium

Psychiater [naam 1] heeft in 2003 gerapporteerd dat er een gerede kans is op herhaling, gezien de onveranderbaarheid van de handicap en het milieu waarin de verdachte zich bevindt. Met de bewezenverklaring van de onderhavige feiten kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat in het leven van de verdachte een langdurig patroon van geweldshandelingen zichtbaar is. Zo is de verdachte in een verder verleden in Suriname meermalen voor geweldsdelicten veroordeeld en is hij in Nederland zowel in 2001 als in 2003 veroordeeld voor een poging tot doodslag in verband met het toebrengen van messteken. Zowel de in 2001 opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, als de in 2003 opgelegde gevangenisstraf van zesendertig maanden hebben de verdachte er niet van kunnen weerhouden opnieuw zeer ernstige geweldsmisdrijven te plegen.

Gelet op de bij de verdachte geconstateerde gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens en het langdurige patroon van geweld, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een geweldsmisdrijf zal plegen.

Behandelbaarheid

De deskundigen hebben ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij op dit moment geen uitspraken kunnen doen over de behandelbaarheid van de gebrekkige ontwikkeling van de verdachte. De verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd en nader onderzoek naar de achtergrond van de lichtverstandelijke beperking is noodzakelijk om de eventuele behandelbaarheid en aanpak daarvan te bepalen.

TBS met dwangverpleging.

Gelet op de ernst van de gepleegde feiten, de door [naam 2] en [naam 1] in 2003 vastgestelde en nog altijd bestaande aard en ernst van de bij de verdachte aanwezige problematiek acht het hof het bestaan van een ernstig recidivegevaar reëel, welk gevaar verband houdt met de hiervoor geconstateerde gebrekkige ontwikkeling, en wel van dien aard is dat de veiligheid van anderen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eist. Anders gezegd: afgestraft en onbehandeld blijft de verdachte naar het oordeel van het hof een té groot gevaar voor de Nederlandse samenleving. Gelet op de ernst van de gepleegde feiten, de door de deskundigen vastgestelde aard van de bij verdachte aanwezige gebrekkige ontwikkeling en voornoemd wezenlijk geacht recidivegevaar, acht het hof de verpleging van overheidswege noodzakelijk en de mogelijkheid om verdachte in een alternatief, minder vergaand behandelkader te (doen) plaatsen niet aan de orde.

Het hof stelt samenvattend vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten immers sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, de door de verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en naar het oordeel van het hof eist de algemene veiligheid van personen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte en het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

De maatregel zal worden opgelegd wegens doodslag en een poging daartoe, misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

Geen toepassing artikel 37b lid 2 Sr

Het hof zal niet overgaan tot het opnemen van een advies als bedoeld in artikel 37b, tweede lid, Sr, zoals door de raadsman is verzocht. De persoonlijke omstandigheden en de verstandelijke beperking van de verdachte acht het hof daartoe onvoldoende en bovendien staan deze niet in verhouding tot de ernst van de feiten.

Redelijke termijn

Het hof doet uitspraak op een datum waarop de behandeling van de zaak in hoger beroep ruim drie maanden langer heeft geduurd dan 16 maanden. Nu deze overschrijding grotendeels het gevolg is van de op de op verzoek van de verdediging in hoger beroep verrichte getuigenverhoren, de duur van de overschrijding in hoger beroep beperkt is en de totale behandeling in twee feitelijke instanties de duur van vier jaren niet overschrijdt zal worden volstaan met de constatering daarvan.

Conclusie hof
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur passend en geboden. Het hof komt tot een lagere gevangenisstraf dan de rechtbank en dan door de advocaat-generaal geëist, nu het anders dan de rechtbank geen moord maar doodslag bewezen acht en het hof meer dan de advocaat-generaal in matigende zin rekening houdt met de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte, waardoor de feiten hem niet volledig kunnen worden toegerekend, en de omstandigheid dat de opgelegde maatregel naar alle waarschijnlijkheid ook al een langdurige vrijheidsbeneming en –beperking mee zal brengen. Het hof acht daarbij, evenals de rechtbank, oplegging van TBS met dwangverpleging noodzakelijk. Anders dan door de raadsman bepleit kan niet worden volstaan met een gevangenisstraf van kortere duur, gelet op hetgeen hiervoor is geschetst, en met name gelet op de grote ernst van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, gepleegd door een verdachte die al eerder, zij het langer geleden, is veroordeeld wegens soortgelijke geweldsdelicten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.528,47 en bestaat uit € 228,47 aan materiële schade en € 1.300,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De materiële schade is door de benadeelde partij voldoende gesteld en door de verdediging niet betwist. Dit deel van de vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De raadsman heeft verzocht de vordering te matigen.

Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid – met de rechtbank – begroten op € 1.300,00, waarbij in het bijzonder is gelet op de omstandigheid dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezen geachte:

  • -

    letsel heeft opgelopen waarvoor medisch ingrijpen, in de vorm van hechtingen, noodzakelijk was en waarvan hij enige weken heeft moeten herstellen;

  • -

    gedurende enige tijd in onzekerheid heeft verkeerd over eventuele besmetting en een hepatitis B-kuur heeft moeten volgen;

  • -

    last heeft (gehad) van herbelevingen en slaapproblemen.

Verder heeft het hof gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan Gemeente Diemen van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

16. rijbewijs 4799313.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. videocamera JVC 4799303

2. zaktelefoon Samsung 4799258

3. zaktelefoon NOKIA 4799259

4. zaktelefoon Samsung 4799261

5. zaktelefoon Samsung 4799263

6. zaktelefoon Blackberry Bold 4799264

7. zaktelefoon T-Mobile 4799265

8. papier met telefoonnummer 4799267

9. simkaart Lyca 4799271

10. zaktelefoon NOKIA 4799268

11. zaktelefoon Blackberry Curve 4799287

12. zaktelefoon Blackberry 4799291

13. zaktelefoon Alcatel 4799292

14. boek, zwart 4799301

15. fototoestel Minolta Dynax300si 4799305

17. zaktelefoon Blackberry Bold 4799318

18. zaktelefoon Blackberry 4799351.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.528,47 (duizend vijfhonderdachtentwintig euro en zevenenveertig cent) bestaande uit € 228,47 (tweehonderdachtentwintig euro en zevenenveertig cent) materiële schade en € 1.300,00 (duizend driehonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.528,47 (duizend vijfhonderdachtentwintig euro en zevenenveertig cent) bestaande uit € 228,47 (tweehonderdachtentwintig euro en zevenenveertig cent) materiële schade en € 1.300,00 (duizend driehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. C.N. Dalebout en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

14 november 2017.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.