Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4892

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
23-001372-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arrest na terugwijzing HR, enkel strafoplegging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001372-17

datum uitspraak: 24 november 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 11 april 2017- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 december 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-703044-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder vaste woon-of verblijfplaats hier te lande,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen.

Procesgang

De politierechter heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 16 juli 2015 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 11 april 2017 het arrest van het gerechtshof vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 december 2014 en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd, omdat het hof tot de oplegging van een andere straf komt dan de rechter in eerste aanleg.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het bewezen verklaarde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf dagen met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte thans een ISD-traject doorloopt, welk traject – inmiddels – gericht is op terugkeer naar Polen, daar de verdachte op 31 oktober 2017 ongewenst is verklaard. Het opleggen van een gevangenisstraf dient daarmee geen enkel doel meer.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal van een fles Smirnoff en daarmee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de rechthebbende. Winkeldiefstallen veroorzaken in het algemeen overlast en schade bij de betrokkenen.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof mee dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 oktober 2017 meermaals onherroepelijk is veroordeeld, onder meer wegens winkeldiefstallen.

Gelet op het bovenstaande acht het hof het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel gerechtvaardigd.

Het hof constateert echter dat de rechtbank Amsterdam op 8 november 2016 aan de verdachte een ISD- maatregel heeft opgelegd die thans wordt tenuitvoergelegd. Deze maatregel is gericht op de terugkeer van de verdachte naar Polen. In strafmatigende zin ziet het hof verder onder ogen dat het ter berechting voorliggende feit een goed van geringe waarde betreft en dateert van bijna 3 jaar geleden.

In hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting is aangevoerd ziet het hof, mede gelet op de ernst van het feit en de eerdere veroordelingen van de verdachte, geen aanleiding te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

Alles afwegende acht het hof, mede gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. R. Veldhuisen en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 november 2017.

[...]