Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:489

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
23-001789-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte, nu de verdachte deze van meet af aan onvoldoende heeft geconcretiseerd of verifieerbaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001789-16

datum uitspraak: 20 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 mei 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-125409-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1941,

adres: [adres 1].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 primair en

3 subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1 primair:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 november 2014 tot en met 8 december 2014 te Assendelft, gemeente Zaanstad opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1601 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

1 subsidiair:
een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 november 2014 tot en met 8 december 2014 te Assendelft, gemeente Zaanstad met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres 2] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1061 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 november 2014 tot en met 8 december 2014 te Assendelft, gemeente Zaanstad, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

2 primair:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 november 2014 tot en met 8 december 2014 te Assendelft, gemeente Zaanstad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2 subsidiair:
een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 november 2014 tot en met 8 december 2014 te Assendelft, gemeente Zaanstad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of verdachte, waarbij die onbekend gebleven perso(o)n(en) die/dat weg te nemen stroom (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door een illegale electriciteitsaansluiting aan te leggen, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 november 2014 tot en met 8 december 2014 te Assendelft, gemeente Zaanstad opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door toegang te verschaffen tot de meterkast.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Naar het oordeel van het hof bieden de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep onvoldoende aanknopingspunten om aan te kunnen nemen dat de verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van stroom ten behoeve van de aangetroffen hennepkwekerij, zodat hij van hetgeen hem onder 2 primair en 2 subsidiair is ten laste gelegd dient te worden vrijgesproken. Het enkele gegeven dat de elektriciteitsaansluiting op naam van de verdachte was gesteld acht het hof onvoldoende.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft in eerste aanleg en op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op verzoek van ene ‘[naam 1]’ een loods aan de [adres 2] te Assendelft op zijn naam heeft gehuurd, een B.V. heeft opgezet en een bestelbus heeft aangeschaft en dat hij geen enkele wetenschap had van de vervolgens – kennelijk door die ‘[naam 1]’ – in die loods opgezette en in werking getreden hennepkwekerij. Voor zijn bemoeienissen heeft de verdachte maandelijks een bedrag van € 500,00 ontvangen. Aan het einde van het jaar zou hij van ‘[naam 1]’ bovendien een bonus krijgen, aldus de verdachte.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe, zich baserende op de verklaring van de verdachte, gesteld dat de verdachte enkel huurder was van het pand en er geen bewijs is voor betrokkenheid van de verdachte bij de in dat pand aangetroffen hennepkwekerij.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte met betrekking tot het bestaan van deze ‘[naam 1]’, nu hij diens bestaan – alhoewel daartoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld – van meet af aan onvoldoende heeft geconcretiseerd of verifieerbaar gemaakt. Tijdens het opsporingsonderzoek van de politie, toen er voor verificatie nog alle ruimte was, heeft hij over ‘[naam 1]’ niet veel meer verklaard dat dat deze op minister-president Rutte leek, in een Audi reed en mogelijk uit Alkmaar kwam. Pas bij de eerste rechter, toen het vooronderzoek was afgerond, heeft hij de achternaam ‘[naam 2]’ genoemd. Daarbij komt het volstrekt ongeloofwaardig voor dat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van een man op wiens verzoek de verdachte naar eigen zeggen een loods had gehuurd, een B.V. had opgericht en een bestelbus had aangeschaft en van wie hij maandelijks een serieus geldbedrag ontving, geen enkel contactgegeven, zoals een telefoonnummer, heeft kunnen noemen. Ook overigens bevat het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het dossier geen aanwijzingen die de stelling van de verdachte dat een ander dan hijzelf verantwoordelijk is voor de hennepkwekerij zou kunnen onderbouwen. Het hof neemt daarbij voorts nog in aanmerking dat de verdachte wisselend heeft verklaard over het tot zijn beschikking staan van de sleutel(s) van het pand en de reden waarom hij op het moment van de ontmanteling van de kwekerij langs het gehuurde pand ging.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat

- de verdachte de huurder van de loods was,

- de verdachte beschikte over de sleutel(s) van de loods,

- de verdachte de loods wekelijks bezocht,

- er op 8 december 2014 in de loods, naast een in werking zijnde hennepkwekerij, een bestelauto welke op naam van (een door) de verdachte (opgerichte B.V.) stond, is aangetroffen en

- de verdachte tijdens het onderzoek van de politie degene is geweest die polshoogte is komen nemen,

zulks in samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen, leidt het hof af dat het de verdachte is geweest die opzettelijk in bedoelde loods de hennep heeft geteeld.

Het hof verwerpt aldus het verweer bij gebrek aan feitelijke grondslag en acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen als na te melden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:
hij in de periode van 6 november 2014 tot en met 8 december 2014 te Assendelft, gemeente Zaanstad, opzettelijk heeft geteeld een hoeveelheid van ongeveer 1.601 hennepplanten.

Hetgeen onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair en

2 subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van

4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van

4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten. Het gebruik van de op lijst II van de Opiumwet voorkomende middelen - de hennepproducten - brengt risico’s mee voor de gezondheid van gebruikers en veroorzaakt mede daardoor schade van velerlei aard in de samenleving. De verdachte heeft daaraan bijgedragen en heeft zich daarbij louter, naar mag worden aangenomen, laten leiden door de zucht naar eigen financieel gewin.

Het hof heeft bij het bepalen van de soort en de omvang van de aan de verdachte op te leggen straf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor gevallen van het kweken van hennep tot een hoeveelheid van 1.000 planten een taakstraf van 180 uren in combinatie met 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf genoemd. In dit geval, waarin een hoeveelheid van ruim 1.600 planten is gekweekt, wordt mede in dit licht oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf weken in beginsel passend geacht. Dit geldt temeer nu de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 januari 2017, reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit en voor andersoortige strafbare feiten.

Het hof ziet evenwel – met de advocaat-generaal en de raadsman – aanleiding in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Daarbij heeft het hof er in het bijzonder oog voor gehad dat de verdachte een vergevorderde leeftijd heeft, nog altijd de gevolgen ondervindt van een hersenbloeding uit 2015 en de volledige zorg draagt voor zijn dementerende (ex-)partner.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

De in beslag genomen hennepplanten, met betrekking tot welke het onder 1 primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven bestelauto met kenteken VT-PR-26 zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten, nu niet voldaan is aan de in artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht gestelde eisen voor verbeurdverklaring.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1.601 hennepplanten (goednummer 353850).

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 bestelauto, kenteken VT-PR-26 (goednummer 353121).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Bek, mr. J.J.I. de Jong en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van

mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

20 februari 2017.

[.......]

.