Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4881

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
R 001232-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Raadkamer
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 591a. Het hof overweegt dat nu de beslissing op een verzoek op de voet van artikel 89 Sv een billijkheidsoordeel betreft, het afwijzen van dat verzoek niet vanzelfsprekend met zich brengt dat ook het verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten behoeve van die verzoekschriftprocedure moet worden afgewezen. Een dergelijk verzoek moet worden afgewezen indien gronden van billijkheid zich tegen toewijzing van het verzoek verzetten. Dit is alleen dan het rechtstreeks gevolg van de afwijzing van het verzoek ex artikel 89 Sv indien het verzoeker, voorzien van een rechtsgeleerd advocaat, rechtstreeks uit de wet en/of de bestendige gepubliceerde jurisprudentie volstrekt duidelijk had moeten zijn dat het verzoek zou worden afgewezen. In dat geval dient ook het verzoek ex artikel 591a Sv te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2018/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Rekestnummer: R 001232-17 (591a Sv HB)

Parketnummer in eerste aanleg: 15/800392-16

Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechter in de enkelvoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland van 21 juli 2017 op het verzoekschrift op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[appellante],

geboren te [geboorteplaats] op 4 december 1971,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,

mr. M.H.H. Meulmeesters, [adres]

1 Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding uit ’s Rijks kas ter zake van kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van het gelijktijdig ingediende verzoek op de voet van artikel 89 Sv.

2 Procesverloop

Het verzoekschrift is op 2 november 2016 ingediend. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.

Het hoger beroep is op 26 juli 2017 ingesteld door verzoekster (hierna: appellante).

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 10 november 2017 de advocaat-generaal en de advocaat van appellante ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellante is niet verschenen.

3 Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.

De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafvordering. Het vonnis in die strafzaak is inmiddels onherroepelijk geworden.

De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en daartoe als volgt overwogen: “Nu het verzoek ex artikel 591a Sv (het hof begrijpt: artikel 89 Sv) zal worden afgewezen, ziet de rechtbank eveneens geen aanleiding verzoekster een vergoeding toe te kennen ten aanzien van de kosten van de raadsman voor het opstellen en indienen van het verzoek.”

Het hof overweegt dat nu de beslissing op een verzoek op de voet van artikel 89 Sv een billijkheidsoordeel betreft, het afwijzen van dat verzoek niet vanzelfsprekend met zich brengt dat ook het verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten behoeve van die verzoekschriftprocedure moet worden afgewezen. Een dergelijk verzoek moet worden afgewezen indien gronden van billijkheid zich tegen toewijzing van het verzoek verzetten. Dit is alleen dan het rechtstreeks gevolg van de afwijzing van het verzoek ex artikel 89 Sv indien het verzoeker, voorzien van een rechtsgeleerd advocaat, rechtstreeks uit de wet en/of de bestendige gepubliceerde jurisprudentie volstrekt duidelijk had moeten zijn dat het verzoek zou worden afgewezen. In dat geval dient ook het verzoek ex artikel 591a Sv te worden afgewezen.

De rechtbank heeft het verzoek ex artikel 89 Sv afgewezen nu appellante een bekennende verklaring heeft afgelegd en slechts is vrijgesproken omdat een verkeerde pleegplaats in de tenlastelegging stond vermeld. De rechtbank heeft aan de afwijzing kennelijk ten grondslag gelegd dat appellante ondanks de gegeven vrijspraak schuldig is aan het strafbare feit, hetgeen in strijd is met de rechtspraak van het EHRM. Daartegen is appellante in beroep gekomen. Gelet op het voorgaande acht het hof het hoger beroep gegrond.

Nu het hoger beroep gegrond wordt geoordeeld zal het hof bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet had behoren te geschieden. Het hof acht in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding zoals verzocht.

4 Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Wijst het verzochte toe.

Kent uit ’s Rijks kas aan appellant een vergoeding toe van € 560,00 (vijfhonderdzestig euro).

Wijst het meer of anders verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M.L.M. van der Voet en C.M. Degenaar, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 24 november 2017.

De voorzitter beveelt:

de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 560,00 (vijfhonderdzestig euro), te betalen uit ’s Rijks kas aan appellant voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] t.n.v. [naam].

Amsterdam, 24 november 2017.

Mr. R.D. van Heffen, voorzitter.