Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:486

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
200.187.901/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORARL:2016:68
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris en kandidaat-notaris. Klagers verwijten de notarissen dat zij bij de uitvoering van hun werkzaamheden (in het kader van een executieveiling) onzorgvuldig te werk zijn gegaan, althans hun zorgplicht jegens klagers hebben geschonden.

De kamer heeft alle onderdelen van de klacht van klagers ongegrond verklaard. Het hof bevestigt de bestreden beslissing.

Zie ook: ECLI:NL:GHAMS:2017:485.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.187.901/01 NOT

nummer eerste aanleg : AL/2015/154, 155

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 21 februari 2017

inzake

1. [naam] ,

2. [naam] ,

beiden wonende te [plaats] ,

appellanten,

gemachtigde: mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam,

tegen

1. mr. [naam] ,

notaris te [plaats] ,

2. mr. [naam] ,

kandidaat-notaris te [plaats] ,

geïntimeerden.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellanten (hierna: klagers) hebben op 21 maart 2016 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 18 februari 2016 (ECLI:NL:TNORARL:2016:68). De kamer heeft in de bestreden beslissing alle onderdelen van de klacht van klagers tegen geïntimeerden, hierna te noemen ‘de notarissen’ (geïntimeerden gezamenlijk) respectievelijk ‘ [notaris B] ’ en ‘ [de kandidaat-notaris] ’, ongegrond verklaard.

1.2.

De notarissen hebben op 22 april 2016 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

De zaak is, tezamen met de zaak met zaaknummer 200.187.900/01 NOT (klacht van klagers tegen notaris mr. [naam] , hierna: [notaris A] ), behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 december 2016. De gemachtigde van klagers en de notarissen zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klagers aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Klagers zijn, met berichtgeving vooraf, niet verschenen.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Het hof zal de feiten waar nodig aanvullen.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Bij vonnis van 3 april 2013 van de rechtbank [plaats] , (hierna: de rechtbank) zijn klagers veroordeeld om aan [naam] (hierna: [X] ) een bedrag van
€ 30.000,- te vermeerderen met rente en kosten te voldoen. Tegen dit vonnis hebben klagers hoger beroep ingesteld.

3.2.2.

Op 8 juni 2013 is [X] overleden.

3.2.3.

Tijdens de zitting bij het gerechtshof [plaats] op 7 augustus 2013 hebben klagers en de erfgenamen van [X] een schikking getroffen. Op 13 augustus 2013 is het hoger beroep doorgehaald.

3.2.4.

Bij brief van 1 oktober 2013 is klagers namens de erfgenamen van [X] medegedeeld dat de erfgenamen – aangezien klagers in verzuim waren de op 7 augustus 2013 gemaakte afspraken na te komen – de schikkingsovereenkomst ontbonden en een gerechtsdeurwaarder opdracht hebben gegeven de executie van voormeld vonnis van 3 april 2013 voort te zetten.

3.2.5.

Op 5 december 2013 en op 20 maart 2014 zijn executoriale beslagen gelegd op het woonhuis annex kantoor van klagers.

3.2.6.

Nadien heeft [de bank] (hierna: de bank) aan klagers medegedeeld dat zij met toepassing van artikel 509 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de executie zou overnemen.

3.2.7.

De bank heeft [notaris A] opdracht gegeven tot executoriale verkoop van het woonhuis annex kantoor. [notaris A] heeft [notaris B] verzocht als veilingnotaris op te treden.

3.2.8.

Bij incidenteel vonnis van 28 januari 2015 heeft de rechtbank de erfgenamen van [X] bevolen om iedere (verdere) executiehandeling uit hoofde van het vonnis van 3 april 2013 te staken en gestaakt te houden – zulks op straffe van een dwangsom – totdat zij de overgang van hun executiebevoegdheid met een bewijsstuk in de vorm van een verklaring van erfrecht aan klagers zouden hebben betekend.

3.2.9.

Op 15 februari 2015 is de hiervoor bedoelde verklaring van erfrecht aan klagers betekend.

3.2.10.

Bij schrijven van 23 maart 2015 heeft [notaris B] klagers geïnformeerd over de datum van de openbare verkoop, te weten 2 september 2015, alsmede over de publicatie van de executieveiling en de wijze waarop en tot welk moment deze publicatie kon worden voorkomen.

3.2.11.

Op 13 april 2015 heeft op het kantoor van de notarissen een bespreking plaatsgevonden tussen [notaris B] en klagers in verband met de aangekondigde executieveiling.

3.2.12.

In reactie op een e-mailbericht van [de kandidaat-notaris] van 29 juli 2015 heeft de gemachtigde van klagers op diezelfde dag aan de notarissen onder meer het volgende bericht:

“Gelet op het gedane aanbod tot zekerheidstelling (..) en de storting die inmiddels op de Stichting Beheer Derdengelden mr. [de gemachtigde van klagers] heeft plaatsgehad, handelt de bank en u als notaris onrechtmatig wanneer u beiden de executie doorzet. Daarom verzoek ik u dringend, en sommeer ik u de executie onmiddellijk stop te zetten (..).”

3.2.13.

Bij vonnis van 29 juli 2015 heeft de rechtbank – gelet op het feit dat de verklaring van erfrecht inmiddels was betekend – de vordering van klagers, inhoudende om voor recht te verklaren dat de erfgenamen van [X] misbruik van recht maken door een executieopdracht tot veiling van het woonhuis annex kantoor van klagers te handhaven en/of ten uitvoer te brengen, afgewezen.

3.2.14.

Vervolgens hebben [de kandidaat-notaris] en de gemachtigde van klagers over en weer met elkaar gemaild over de aangezegde executieveiling, althans over de door klagers verzochte stopzetting van die veiling. [notaris B] heeft de gemachtigde van klagers per e-mail van 3 augustus 2015 onder meer het volgende medegedeeld:

“Zolang er geen schriftelijke opdracht is van de hypotheekhouder tot opschorting of intrekking van de veiling dan wel een rechterlijke uitspraak dat de veiling dient te worden stopgezet, zal de veiling doorgang vinden.”

4 Standpunt van klagers

Klagers verwijten de notarissen dat zij bij de uitvoering van hun werkzaamheden onzorgvuldig te werk zijn gegaan, althans hun zorgplicht jegens klagers hebben geschonden. Meer specifiek verwijten klagers de notarissen het volgende.

i. De notarissen hebben niets, althans onvoldoende ondernomen om de bank van de voorgenomen, onrechtmatige executieveiling te weerhouden. Deze executieveiling is onrechtmatig, omdat het te executeren vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan.

ii. De notarissen zijn ten onrechte niet ingegaan op de mededeling van klagers dat ter voorkoming van de executieveiling voldoende zekerheid was gesteld, althans aangeboden werd. Het had op de weg van de notarissen gelegen om klagers in de gelegenheid te stellen het aangeboden bedrag op hun derdengeldenrekening te storten.

iii. De notarissen hebben geen, althans onvoldoende onderzoek gedaan naar de argumenten van klagers tegen de voorgenomen executieveiling.

iv. De notarissen hebben de voorgenomen executieveiling onzorgvuldig voorbereid en georganiseerd. De aankondiging van de publicatie van de executieveiling heeft klagers op een zodanig laat tijdstip bereikt, dat zij daartegen geen actie meer konden ondernemen. Bovendien was [notaris B] in een belangrijke periode (namelijk in de aanloop naar de executieveiling) op vakantie, zodat hij de op 13 april 2015 toegezegde bewaking van het proces niet kon waarmaken.

5 Standpunt van de notarissen

De notarissen hebben verweer gevoerd. Het standpunt van de notarissen wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Bezwaren tegen de voorgenomen executieveiling en de zekerheidsstelling

6.1.

De kamer heeft ten aanzien van de verwijten van klagers dat de notarissen geen, althans onvoldoende onderzoek hebben verricht naar de bezwaren van klagers tegen de voorgenomen executieveiling en dat zij onvoldoende hebben ondernomen om de bank te weerhouden van deze – in de visie van klagers – onrechtmatige veiling (zie 4.2.3 en 4.4.3 van de bestreden beslissing) – kort samengevat – het volgende overwogen. De notarissen hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de rechtmatigheid van de voorgenomen executieveiling en de argumenten van klagers wel degelijk en in voldoende mate hebben onderzocht. Zij hebben aan de hand van de relevante rechterlijke uitspraken (3 april 2013, 28 januari 2015 en 29 juli 2015) getoetst of en in hoeverre zij gehouden waren ingevolge hun wettelijke ministerieverplichting hun medewerking aan de executie te verlenen. Ook is de betekening van de verklaring van erfrecht geverifieerd, terwijl ter zake van de zekerheidsstelling een afweging is gemaakt. De uitkomst van dit onderzoek en deze afweging is volgens de kamer zodanig dat de notarissen redelijkerwijs tot de conclusie konden komen dat zij niet gehouden waren hun ministerie te weigeren. Een en ander is bovendien duidelijk met klagers gecommuniceerd.

6.2.

De enkele omstandigheid, aldus nog steeds de kamer (onder 4.3.3 en 4.3.4 van de bestreden beslissing), dat klagers aan de notarissen hebben laten weten dat zij een bedrag tot zekerheid van voldoening van de oorspronkelijke vordering hebben gestort op de derdenrekening van hun gemachtigde, kan niet worden aangemerkt als een belemmering voor een rechtsgeldige – door de hypotheekhouder overgenomen – executie. Naar het oordeel van de kamer zou dit anders kunnen zijn indien klagers naast de zekerheidsstelling een executiegeschil aanhangig hadden gemaakt. De notarissen hebben klagers op deze mogelijkheid geattendeerd en klagers hebben kenbaar gemaakt voornemens te zijn een executiegeschil te gaan entameren. Dit voornemen hebben zij echter aanvankelijk niet uitgevoerd. Onder deze omstandigheden bestond er volgens de kamer tuchtrechtelijk gezien voor de notarissen geen verplichting klagers uit te nodigen bedoelde zekerheidsstelling op hun derdengeldenrekening te storten.

6.3.

Het hof verenigt zich met het oordeel van de kamer zoals hierboven onder 6.1. en 6.2. weergegeven en de gronden waarop dat berust.

De klacht in hoger beroep, dat de kamer ten onrechte de klacht in drie aparte onderdelen heeft onderscheiden en niet als één klacht heeft behandeld waardoor geen integrale beoordeling plaatsvindt, treft geen doel. Naar het oordeel van het hof ziet de kamer de klacht als één, maar onderscheidt de kamer in deze klacht terecht diverse onderdelen, die een afzonderlijke behandeling rechtvaardigen.

In hoger beroep zijn verder geen argumenten naar voren gekomen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Dit betekent dat de onderdelen van klacht onder i. tot en met iii. ongegrond zijn, zoals de kamer ook heeft beslist.

Voorbereiding en organisatie van de voorgenomen executieveiling

6.4.

Het hof is met de kamer van oordeel dat het verwijt onder 4.iv. ongegrond is. Uit de overgelegde stukken is het hof gebleken dat de notarissen klagers in de periode van maart tot en met juli 2015 tijdig en juist hebben ingelicht over de gang van zaken en waar nodig nadere uitleg hebben gegeven. Voorts blijkt uit de stukken genoegzaam dat [notaris B] zich tijdens zijn vakantie adequaat heeft laten waarnemen door [de kandidaat-notaris] . Dit betekent dat, evenals de kamer heeft geoordeeld, ook het klachtonderdeel onder iv. ongegrond is.

6.5.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.6.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.M.A. Verscheure, C.H.M. van Altena en J.W. van Zaane en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2017 door de rolraadsheer.