Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4859

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
200.193.638/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging ex artikel 1:266 BW brengt thans niet de gewenste duidelijkheid omtrent het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van de minderjarige met zich mee en is daarom thans niet in zijn belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 21 november 2017

Zaaknummer: 200.193.638/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/593632 / FA RK 15-6500

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M.A. Muntjewerf te Amsterdam,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Partijen worden hierna respectievelijk de moeder en de raad genoemd.

1.2

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in zijn beschikking van 7 maart 2017. Bij die beschikking is de bestreden beschikking bekrachtigd voor zover daarbij het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige dochter van partijen, [minderjarige A] , geboren [in] 2000 (hierna: [minderjarige A] ), is beëindigd en de GI tot voogdes is benoemd. De behandeling van de zaak ten aanzien van het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige zoon van partijen, [minderjarige B] , geboren [in] 2002 (hierna: [minderjarige B] ), is pro forma aangehouden tot 13 augustus 2017 met het verzoek aan partijen om het hof een week vóór die datum schriftelijk te berichten over de stand van zaken.

1.3

Bij het hof zijn de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de moeder van 4 augustus 2017, ingekomen op 4 augustus 2017;

- een brief van de zijde van de moeder van 4 augustus 2017, ingekomen op 7 augustus 2017;

- een rapport van de raad van 14 augustus 2017, ingekomen op 16 augustus 2017.

1.4

De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige B] gesproken. Ter terechtzitting is van de inhoud van dit gesprek zakelijk mededeling gedaan.

1.5.

De behandeling van de zaak is ter terechtzitting van 27 september 2017 voortgezet, alwaar zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de heer V. Duivesteijn, tolk in de Spaanse taal, opgetreden voor de moeder;

- de heer [de vader] (hierna: de vader);

- de heer [X] , namens de raad;

- de gezinsmanager, namens de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de GI).

2 De verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1

Uit het raadsrapport van 14 augustus 2017 en de toelichting van de raad ter zitting van 27 september 2017 volgt dat de raad het verzoek tot gezagsbeëindiging van de moeder over [minderjarige B] handhaaft. Het perspectief van [minderjarige B] ligt volgens de raad niet langer bij de moeder.

Er bestaan zorgen over zowel de (identiteits- en seksuele) ontwikkeling van [minderjarige B] als het opvoedershandelen van en opvoedersfactoren aan de kant van de moeder. [minderjarige B] is in het verleden beschadigd geraakt als gevolg van onveiligheid en verwaarlozing in de thuissituatie. Hij is getuige en slachtoffer geweest van huiselijk geweld. Zijn gedragsproblemen en hechtingsproblematiek zijn hier het gevolg van. Deze problematiek komt met name tot uiting in gedrag op school (boos/agressief gedrag en moeite met wisselingen van leerkrachten). Het urenlang gamen van [minderjarige B] lijkt een negatieve invloed te hebben op het op tijd komen op school, zijn sociale contacten en vrijetijdsbesteding.

De moeder kan, gelet op haar beperkte opvoedcapaciteiten, onvoldoende aansluiten bij de ontwikkelingsbehoeften [minderjarige B] . Zij staat niet open voor hulpverlening, waardoor de situatie ook niet verandert. Zo is de hulpverlening die laatstelijk in de thuissituatie bij de moeder is ingezet, door middel van onder meer het JIM traject, op initiatief van de moeder (en [minderjarige B] ) gestaakt. Ook staat de moeder niet meer onder behandeling van de GGZ. Er is sprake van een symbiotische relatie tussen de moeder en [minderjarige B] en van rolomkering. Ook kan de moeder niet voorkomen dat [minderjarige B] ongezond en ongeremd eet.

De raad is van mening dat [minderjarige B] gebaat is bij een buitenregionale plaatsing, waarbij emotioneel beschikbare volwassenen hem een veilige en voorspelbare opvoedsituatie kunnen bieden. Door het vergroten van de fysieke afstand met de moeder bestaat de kans dat hij kan toekomen aan zijn ontwikkelingstaken en zich beter kan ontwikkelen richting zelfstandigheid. De huidige plaatsing van [minderjarige B] binnen [naam instelling] sluit hierbij aan, hetgeen niet wegneemt dat doorplaatsing van [minderjarige B] naar een gezinssituatie gewenst is.

Het is in het belang van [minderjarige B] dat er een einde komt aan de onzekerheid en onduidelijkheid over zijn perspectief, aldus de raad.

2.2

De GI heeft ter zitting van 27 september 2017 verklaard onveranderd van mening te zijn dat het perspectief van [minderjarige B] niet meer bij de moeder ligt.

Er zijn in het verleden diverse hulpverleningstrajecten aan de moeder en [minderjarige B] voorgesteld. Deze zijn nooit van de grond zijn gekomen, omdat de hulpvraag van de moeder niet aansloot op hetgeen de GI nodig achtte. De GI is akkoord gegaan met een tijdelijke plaatsing van [minderjarige B] bij de moeder onder de voorwaarde dat hulpverlening zou plaatsvinden. Gebleken is dat de moeder die hulpverlening niet heeft geaccepteerd. Na een moreel beraad binnen de GI is besloten [minderjarige B] uit huis te plaatsen. De ouders waren ervan op de hoogte dat als de hulpverlening niet zou slagen, [minderjarige B] uit huis geplaatst zou worden. Toen er een plek beschikbaar kwam op [naam instelling] , is hiertoe overgegaan.

De GI is van mening dat het perfectief van [minderjarige B] binnen de regio [regio] ligt, waar hij zich kan ontwikkelen tot een zelfstandige en stabiele jongeman en een adequate ouder-kind relatie kan leren aangaan. Op dit moment verblijft hij in een leefgroep, maar de bedoeling is dat hij op termijn op kamertraining of naar een gezinshuis zal gaan.

2.3

Uit de aanvullende stukken van de zijde van de moeder, zoals onder 1.3 genoemd, en de toelichting van de moeder ter zitting van 27 september 2017 volgt dat de moeder haar standpunt handhaaft dat het nog te vroeg is om te concluderen dat het perspectief van [minderjarige B] niet meer bij haar ligt. In de periode dat [minderjarige B] bij haar woonde, ging het goed met hem. Hij was gelukkig en had met beide ouders goed contact. Ook op school ging het goed; hij zou overgaan naar de volgende klas.

De moeder is van mening dat zij de hulpverlening die haar was toegezegd, niet heeft gekregen. In de periode dat [minderjarige B] bij de moeder woonde, is de (vorige) gezinsmanager één keer langsgekomen samen met een psychiater. De moeder heeft toen aangegeven graag met een psycholoog in contact te komen in plaats van met een psychiater. Hierop heeft zij niet meer van de GI vernomen. Het JIM traject is de enige vorm van hulpverlening die de moeder heeft geweigerd, omdat zij niet achter de keuze voor de beoogde mentor voor [minderjarige B] stond.

Het toekomstperspectief van [minderjarige B] is nog niet duidelijk, hetgeen ook blijkt uit de mededeling van de GI ter zitting dat hij naar verwachting nog zal worden overgeplaatst, aldus de moeder.

2.4

De vader heeft ter zitting van 27 september 2017 verklaard van mening te zijn dat de moeder het gezag over [minderjarige B] dient hebben, zodat [minderjarige B] bij haar kan blijven wonen. De moeder is erg belangrijk voor [minderjarige B] . De vader woont dichtbij de moeder en kan hen zo nodig ondersteunen. Het contact tussen de ouders over de kinderen is goed. Het JIM traject is drie jaar geleden ook al ingezet en mislukt omdat er geen geschikte mentor gevonden kon worden. De GI was hiervan op de hoogte. In de periode dat [minderjarige B] bij de moeder woonde, was de GI bovendien amper in beeld. Verder bevat het raadsrapport veel fouten en onwaarheden.

2.5

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 december 2016 en van 27 september 2017 is gebleken dat [minderjarige B] sinds zijn uithuisplaatsing medio juli 2013 diverse malen van opvoedingssituatie is gewisseld. Eerst heeft hij enkele maanden in een crisisopvang (KAO - Kortdurende Ambulante Opvang) in [plaats] gewoond, waarna hij op [naam instelling] is geplaatst. Hier heeft hij van september 2014 tot medio augustus 2015 gewoond. Vervolgens is hij overgeplaatst naar een woongroep op [plaats] . Naar aanleiding van een incident dat daar in de zomer van 2016 heeft plaatsgevonden, is [minderjarige B] begin november 2016 bij de moeder teruggeplaatst. Hier verbleef hij ongeveer 9 maanden tot hij op 3 augustus 2016 weer op [naam instelling] werd geplaatst. Dit betekent dat in iets meer dan vier jaar tijd [minderjarige B] nu aan zijn vijfde plaatsing toe is, terwijl hij een substantieel deel van die tijd (bijna 20%) bij de moeder heeft gewoond. De GI is van mening dat het perspectief van [minderjarige B] binnen de regio [regio] ligt, maar heeft aangegeven dat het wel de bedoeling is dat er op den duur een wijziging in zijn plaatsing komt omdat hij op termijn op kamertraining of naar een gezinshuis zal gaan.

De moeder kan, gelet op haar beperkte opvoedcapaciteiten, onvoldoende aansluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige B] en staat niet open voor hulpverlening. Er is sprake van een symbiotische relatie tussen de moeder en [minderjarige B] en van rolomkering. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet verwacht kan worden dat de moeder duurzaam in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige B] te dragen.

Desondanks mag uit het vorenstaande blijken dat bij het hof grote zorgen bestaan over de wijze waarop tot nu toe aan de uithuisplaatsing van [minderjarige B] invulling is gegeven. Wat er zij van de oorzaken daarvan, [minderjarige B] heeft recent negen maanden bij zijn moeder gewoond. Pas sinds 3 augustus 2017 verblijft [minderjarige B] op een leefgroep van de [naam instelling] en is het de bedoeling van de GI dat plaatsing in de regio [regio] permanent zal zijn.

Het hof is van oordeel dat het thans nog onvoldoende duidelijk is of het perspectief van [minderjarige B] binnen de regio [regio] ligt, zoals de voogd namens de GI ter zitting in hoger beroep heeft verklaard. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat [minderjarige B] daar nog maar relatief kort verblijft en dat zijn plaatsing daar eerder na bijna een jaar is gewijzigd. Om deze reden is het hof van oordeel dat een gezagsbeëindiging thans niet de gewenste duidelijkheid omtrent het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van [minderjarige B] met zich meebrengt en daarom thans niet in zijn belang is.

Dit leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd voor zover daarbij het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige B] is beëindigd en de GI tot voogdes is benoemd en het inleidend verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige B] zal worden afgewezen.

2.6

Tot slot is het hof van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat om de raad in de proceskosten te veroordelen, zoals door de moeder verzocht. Deze kosten zullen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.7

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige B] is beëindigd en de GI tot voogdes is benoemd, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige B] af;

draagt de griffier op krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. M.C. Schenkeveld en mr. J. Kok, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 21 november 2017 in het openbaar uitgesproken.