Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4853

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
200.214.537/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet niet terecht want niet alle aan het ontslag ten grondslag gelegde omstandigheden zijn komen vast te staan. Geen herstel dienstverband, want er was wel grond voor ontbinding geweest. Werknemer heeft daarbij ernstig verwijtbaar gehandeld, door voor zijn werkgever bestemd verzekeringsgeld te laten overmaken op de bankrekening van zijn moeder, en geen pogingen te ondernemen dit geld van die bankrekening terug te (laten) storten naar de bankrekening van de werkgever. Toegewezen wordt het loon over de opzegtermijn (een maand, € 1.821 bruto) en een geringe billijke vergoeding (€ 1.179 bruto).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1432
AR 2017/6250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.214.537/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 5601108 \ OA VERZ 16-464

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 november 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

advocaat: mr. Y.A.R. Seen te Noord Scharwoude,

tegen

[geïntimeerde] handelend onder de naam Schoonmaakbedrijf [X],

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W.L. Vader te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 24 april 2017, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kantonrechter) onder bovenstaand zaaknummer op 24 januari 2017, met een herstelbeschikking op 16 februari 2017, heeft gegeven. Het beroepschrift bevat acht grieven. Het strekt ertoe dat het hof genoemde beschikking zal vernietigen en voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] zonder geldige dringende reden onverwijld de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Hij vordert voorts dat het hof primair de arbeidsovereenkomst zal herstellen, althans subsidiair aan [appellant] zal toekennen een billijke vergoeding, een bruto maandsalaris vanwege het niet in acht nemen van de opzegtermijn en een transitievergoeding en tenslotte [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van de proceskosten.

Op 17 juli 2017 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep ingekomen. [geïntimeerde] verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en aan [appellant] diens verzoeken te ontzeggen, met veroordeling van hem in de proceskosten in beide instanties.

Ten behoeve van de mondelinge behandeling zijn door partijen nadere producties ingebracht. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2017. Bij die gelegenheid heeft namens [appellant] zijn genoemde advocaat het woord gevoerd, die zich daarbij heeft bediend van aan het hof overgelegde aantekeningen, en namens [geïntimeerde] haar genoemde advocaat.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. De uitspraak is bepaald op heden.

2 Feiten

Als gesteld en niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1

[appellant] , geboren [in] 1973, is op 7 juni 2012 in dienst getreden bij [geïntimeerde] . Hij vervulde de functie van meewerkend voorman/schoonmaker en verrichtte voor [geïntimeerde] verder diverse, waaronder administratieve, werkzaamheden. Het laatstgenoten salaris van [appellant] bedroeg € 1.821,36 bruto per maand, exclusief emolumenten.

2.2

[appellant] is op 9 november 2015 uitgevallen wegens ziekte. Hij heeft vanaf dat moment geen werkzaamheden meer verricht voor [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft een verzuimverzekering bij verzekeringsmaatschappij De Amersfoortse, op grond waarvan bij ziekte van haar werknemers, waaronder [appellant] , uitkeringen worden gedaan.

2.3

[geïntimeerde] is gedurende de maanden september en oktober en een deel van de maand november 2016 niet op het bedrijf geweest.

2.4

Op 15 of 24 september 2016 is vanaf het e-mail adres van [geïntimeerde] een e-mail verzonden aan De Amersfoortse, waarin is verzocht betalingen niet meer te doen aan het tot dan toe gebruikte bankrekeningnummer van [geïntimeerde] (verder: het oorspronkelijke bankrekeningnummer), maar naar een ander bankrekeningnummer bij de Rabobank (verder ook: het nieuwe bankrekeningnummer). De Amersfoortse heeft in oktober 2016 twee bedragen overgemaakt naar het nieuwe bankrekeningnummer, van in totaal € 2.410,10.

2.5

Het nieuwe bankrekeningnummer behoort toe aan de moeder van [appellant] . [appellant] is, in ieder geval vanaf 28 april 2017, gevolmachtigd tot deze bankrekening van zijn moeder.

2.6

[geïntimeerde] heeft op 10 november 2016 aangifte gedaan van fraude en daarin [appellant] aansprakelijk gesteld voor het bedrag waarmee hij haar bedrijf had gedupeerd.

2.7

[geïntimeerde] heeft [appellant] per op 11 november 2016 verzonden brief en e-mail uitgenodigd voor een gesprek op 14 november 2016 om 11.00 uur, met de mededeling “een serieuze kwestie” met hem te willen bespreken. [appellant] heeft hierop op 11 november 2016 om 13.37 uur per e-mail aan [geïntimeerde] het volgende geantwoord: “ En bij deze wil ik u melden dat ik mandag in het ziekenhuis zit en ik niet kan komen en kan ivm mijn ziekte en overspannenheid er niet nog een gesprek bij hebben want dat trek ik niet en als u iets te bespreken heeft dan kan dat per email of mij telefonisch benaderen maar liever niet want ben niet voor niets onder behandeling bij de psycholoog en langskomen op kantoor is op dit moment niet mogelijk”.

2.8

[geïntimeerde] heeft vervolgens aan [appellant] op 11 november 2016 een e-mail verzonden met de volgende inhoud: “Beste [appellant] ,

Je wilt niet ingaan op de uitnodiging van maandag 14 november.

Dat vind ik jammer vandaar deze mail Ik had dit graag met je persoonlijk willen bespreken.

Beste […] je werkt al bij ons sinds 07-07-2012.

we hebben altijd een goede samenwerking gehad, en we hebben een vertrouwensband opgebouwd.

Je had toegang tot mijn email account zodoende kon je tijdens mijn afwezigheid klanten beantwoorden.

Je hebt mijn vertrouwen geschonden op 24 september 2016.

Je hebt via mijn email account mijn zakelijke bankrekening nummer bij Amersfoortse veranderd in het bankrekening nummer van je moeder [nummer] .

Hierop is geld gestort en ik wil dat je dit terugboekt naar de Amersfoortse verzekering. Vanaf 7 november ben ik alle mails kwijt tot en met 15 augustus 2016.

Dit is cyber crime.

Graag had ik je hierover willen spreken maandag de 14 november 2016.”

2.9

[appellant] reageerde, na een rappel van [geïntimeerde] , op laatstgenoemde e-mail bij e-mail van 12 november 2016 met als inhoud: “De loonstrook van extra in september en de loonstrook van oktober heb je mij per email toe gezonden op 28 oktober en hoe de Amersfoortse bij mijn moeder terecht komt is mij ook een raadsel en dat hebben we ook na gevraagd bij de amersfoortse en die wisten het ook niet en daarbij weet ik het rekeningnr niet van mijn moeder en dan is het toch ook vreemd dat het rekeningnr bij de amersfoortse is veranderd en als ze overmaken staat er toch een naam bij van [X] Schoonmaak of niet. En snap er zelf ook niks van en de amersfoortse ging het uitzoeken.”.

2.10

[geïntimeerde] heeft op [appellant] op 14 november 2016 een brief gestuurd met onder andere de volgende inhoud: “ ,

Ik heb je in de gelegenheid gesteld om mij te vertellen hoe jij hier toe gekomen bent. Via een uitnodiging vandaag op kantoor maar je kon niet om 11 uur aanwezig zijn omdat je om 13.20 een afspraak hebt in het ziekenhuis te Alkmaar?

Je ook in de gelegenheid gesteld om via de mail te reageren, ook dit heb je niet gedaan.

De loonstrook van oktober en ook de loonstrook van extra uren vakantiegeld heb ik jouw niet gestuurd.

Hoe het geld van de Amersfoortse op de bankrekening van jouw moeder terecht komt. Je hebt het wachtwoord van mijn email account voor beantwoorden van vragen van klanten tijdens mijn afwezigheid gebruikt voor je eigen belang.

Op 24 september 2016 heb je via mijn email account het rekeningnummer verandert bij de Amersfoortse verzekering in dat van je Moeder mevr. (…) met bankrekeningnummer (..).

En later heb je ook de email account gebruikt voor het verkrijgen van de salarisspecificatie’s.

Voorts ben ik alle mail kwijt van af 15 augustus tot 7 november 2016.

Waaronder ook de facturen naar de klanten, en de terugkoppeling van de afspraak Arbo arts, voor alles wat hier uit voortvloeit stel ik je verantwoordelijk.

We hebben aangifte gedaan bij de politie.

Ik geef je hierbij ontslag op staande voet. (…)”.

2.11

[appellant] heeft via zijn gemachtigde laten weten de geldigheid van het verleende ontslag op staande voet te betwisten. [appellant] heeft vervolgens bij dagvaarding van 29 december 2016 in kort geding het achterstallig salaris over de maanden november en december 2016 gevorderd, alsmede het salaris vanaf januari 2017, alles verhoogd met wettelijke rente en wettelijke verhoging. De kortgedingzitting vond plaats op 10 januari 2017, tegelijk met de mondelinge behandeling van het verzoek en tegenverzoek die tot de bestreden beschikking hebben geleid. De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 24 januari 2017 de door [appellant] ingestelde vordering afgewezen. De kantonrechter heeft daarbij onder andere het volgende overwogen:

4.2.

Uit het over en weer betoogde, de overgelegde stukken en de omstandigheid dat de onderhavige procedure zich niet leent voor (nadere) bewijsvoering is de kantonrechter voorshands, rekening houdende met de vermoedelijke beslissing in de eventueel te entameren bodemzaak, het volgende van oordeel.

4.3.

Het standpunt van [geïntimeerde] komt er op neer dat aan het ontslag op staande voet een geldige dringende reden ten grondslag ligt.

Volgens [appellant] zijn er voldoende redenen die wijzen in de richting van [appellant] .

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter vormt de door [geïntimeerde] gepretendeerde handelwijze van [appellant] - indien voldoende aannemelijk gemaakt - voldoende dringende reden om tot ontslag op staande voet over te gaan.

4.5.

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden komt de kantonrechter tot het oordeel dat de verdenking van [geïntimeerde] als gerechtvaardigd moet worden aangemerkt.

4.5.1

[appellant] is in dienst bij [geïntimeerde] en hij had tijdens de periode voorafgaand aan zijn ziekte de beschikking over het e-mailaccountadres van [geïntimeerde] , althans onweersproken is dat [appellant] door middel van de inlogcode van [geïntimeerde] voor het verrichten van administratieve werkzaamheden toegang heeft gehad tot de account van [geïntimeerde]

4.5.2.

Het gewijzigde banknummer is van de moeder van [appellant] en niet van een willekeurige derde. Onbegrijpelijk zou zijn dat een willekeurige derde kennis had of heeft van dat nummer.

4.5.3.

[appellant] heeft betoogd dat hij inmiddels niet (meer) de beschikking had over de

toegangscode en dus dat hij niet heeft kunnen inloggen.

4.5.4.

Het banknummer is bij de Amersfoortse gewijzigd door een persoon die do beschikking had over de toegangscode. Volgens [appellant] had dit net zo goed [geïntimeerde] zelf of een van haar kinderen kunnen doen. Echter, geheel onwaarschijnlijk is dat die derde het banknummer van de moeder van [appellant] zou opgeven.

4.5.5.

De toegangscode (wachtwoord) van [geïntimeerde] is zeer simpel, namelijk de voornamen van haar zonen met daarachter het cijfer 2. Deze code is zo een eenvoudig en goed te onthouden dat het standpunt van [appellant] inhoudende dat hij tijdens zijn ziekte niet de beschikking daarover had, ongeloofwaardig is.

4.5.6.

[geïntimeerde] heeft onbestreden verklaard dat [appellant] de bankrekening van zijn moeder beheert, in die zin dat hij beschikt over de bankpas van haar rekening en dat hij betalingen doet.

4.6.

[appellant] heeft daar slechts tegenover gesteld het betoog “dat het ook anders kan zijn.

gebeurd.” Een dergelijke blote ontkenning vormt onvoldoende reden om de wel

gemotiveerde stellingen van de wederpartij te weerleggen, dan wel voldoende gemotiveerd te weersproken.

4.7.

Het vorenstaande komt erop neer dat op grond van de thans voorliggende feiten er niet van ken worden uitgegaan dat de bodemrechter, indien geconfronteerd met hetzelfde feitencomplex, zal beslissen dat het ontslag op staande voet geen stand houdt en dient te worden vernietigd.

3 Beoordeling

3.1

[geïntimeerde] heeft bij het op 21 december 2016 ingediende inleidende verzoekschrift verzocht de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] voorwaardelijk te ontbinden, voor zover deze niet al was geëindigd door het [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.2

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het voorwaardelijk verzoek, tevens inhoudend een zelfstandig verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet.

3.3

De kantonrechter heeft bij beschikking van 24 januari 2017 het voorwaardelijk ontbindingsverzoek afgewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat in de kortgedingprocedure bij beslissing van diezelfde datum de loonvordering van [appellant] werd afgewezen, “waarbij is overwogen dat op grond van de thans voorliggende feiten er niet van kan worden uitgegaan dat de bodemrechter zal beslissen dat het ontslag op staande voet geen stand houdt en dient te worden vernietigd.” [appellant] heeft de kantonrechter verzocht tot een herstelbeschikking te komen, omdat aldus op het tegenverzoek van [appellant] niet was beslist. De kantonrechter heeft naar aanleiding hiervan op 16 februari 2017 een herstelbeschikking gegeven. In deze herstelbeschikking heeft de kantonrechter verwezen naar het kort gedingvonnis van 24 januari 2017, meer in het bijzonder de (hiervoor geciteerde) overwegingen 4.3 tot en met 4.6. De kantonrechter overwoog in de herstelbeschikking geen aanleiding te zien om in de onderhavige ontbindingsprocedure anders te beslissen, waarbij werd gewezen op de door [appellant] niet bestreden verklaring van [geïntimeerde] , inhoudend dat [appellant] beschikte over de bank/pinpas van zijn moeder en hij haar rekening beheerde door betalingen te doen, en waarbij werd overwogen dat aan bewijslevering daaromtrent niet werd toegekomen. De kantonrechter concludeerde dat [geïntimeerde] geen belang (meer) had bij voorwaardelijke ontbinding en dit meebracht dat ook de tegenverzoeken van [appellant] werden afgewezen.

3.4

[appellant] bestrijdt de bestreden beslissing met acht grieven. De eerste grief heeft betrekking op het door de kantonrechter niet vermelden van de feiten, waarop de beslissing is gebaseerd. De tweede en derde grief hebben betrekking op het feit dat de kantonrechter in de bestreden ontbindingsbeslissing verwees naar het kortgedingvonnis van die zelfde datum. De vierde en vijfde grief zijn gericht tegen de overwegingen omtrent het met gebruikmaking van een wachtwoord wijzigen van het bankrekeningnummer bij De Amersfoortse. Met de zesde grief klaagt [appellant] over het door de kantonrechter onbesproken laten van de overige gronden waarop [appellant] vernietiging van het ontslag op staande voet heeft verzocht. Met een ook als zes genummerde grief klaagt [appellant] over het afwijzen van de vordering tot vernietiging van het ontslag op staande voet. De laatste grief is gericht tegen de beslissing over de proceskosten. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof oordeelt als volgt.

3.5

Het hof heeft de in deze zaak relevante feiten hierboven genoemd. Daarmee heeft [appellant] geen belang meer bij de verdere behandeling van grief 1.

3.6

Met de tweede en derde grief klaagt [appellant] er over dat de kantonrechter in de thans bestreden beslissing verwijst naar het kortgedingvonnis en overweegt dat er in deze ontbindingszaak geen aanleiding is anders te beslissen dan in het kortgeding, terwijl in het kortgedingvonnis wordt verwezen naar een te entameren bodemzaak (ov. 4.2) en ook wordt overwogen dat “de door [geïntimeerde] gepretendeerde handelwijze van [appellant] – indien voldoende aannemelijk gemaakt – voldoende dringende reden (vormt) om tot ontslag op staande voet over te gaan.” De kantonrechter heeft miskend dat de onderhavige ontbindingsprocedure de bodemprocedure is. In de ontbindingsbeschikking kon dus niet worden volstaan met het verwijzen naar de in het kortgedingvonnis uitgesproken verwachting over de uitkomst van de bodemzaak. De grieven 2 en 3 slagen want hetgeen [appellant] hierover aanvoert is juist. Het stond de kantonrechter in het kortgedingvonnis vrij te verwijzen naar de mogelijke uitkomst in een bodemzaak. De onderhavige ontbindingsprocedure is echter de bodemzaak, met de gevolgen voor bewijsvoering en bewijswaardering van dien. De kantonrechter had daarom niet kunnen volstaan met de opmerking over de gepretendeerde handelwijze van [appellant] ‘indien voldoende aannemelijk gemaakt’, maar had er een oordeel over moeten geven of die handelwijze voldoende aannemelijk was gemaakt.

3.7

De beide als zesde grief aangeduide grieven klagen erover dat de kantonrechter het ontslag op staande voet niet heeft vernietigd. Het hof overweegt als volgt. In de ontslagbrief (hiervoor onder 2.10 geciteerd) is niet met zoveel woorden aangegeven wat de dringende reden is die aan het ontslag ten grondslag wordt gelegd. In de brief wordt [appellant] een aantal gedragingen verweten: het tijdens de afwezigheid van [geïntimeerde] in zijn belang gebruiken van haar e-mailwachtwoord voor (i) het bij de Amersfoortse wijzigen van het bankrekeningnummer van [geïntimeerde] in het bankrekeningnummer van zijn moeder en (ii) het verkrijgen van salarisspecificaties. Voorts wordt hij in de brief verantwoordelijk gesteld voor het kwijtraken van de e-mail van [appellant] van 15 augustus tot 7 november 2016. Daarmee wordt hem verweten (iii) die e-mails verwijderd te hebben.

Omdat de ontslagbrief niet vermeldt wat als dringende reden heeft te gelden, vormen de drie gedragingen zoals hierboven genoemd, bij elkaar genomen, de dringende reden. Er is mitsdien sprake van een samengestelde dringende reden. Weliswaar heeft [geïntimeerde] ter zitting van het hof gesteld dat voor haar het belangrijkste was dat [appellant] bij de Amersfoortse het bankrekeningnummer van [geïntimeerde] in het bankrekeningnummer van zijn moeder gewijzigd had, maar dat zij dat afzonderlijk, dus zonder de gedragingen (ii) en (iii), als dringende reden aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd heeft, blijkt niet uit de ontslagbrief. Evenmin heeft [geïntimeerde] feiten gesteld waaruit blijkt dat [appellant] dat duidelijk was of behoorde te zijn. Het gevolg daarvan is dat als een van de drie gedragingen niet komt vast te staan, reeds om die reden het ontslag op staande voet niet geldig is omdat de daaraan ten grondslag gelegde, en aan [appellant] medegedeelde, reden niet geheel is komen vast te staan.

3.8

[geïntimeerde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar e-mails over de periode 15 augustus 2016 tot 7 november 2016 zijn verdwenen. Zij heeft dit wel gesteld, maar na de betwisting door [appellant] , die stelling niet onderbouwd, bijvoorbeeld door een overzicht te laten zien van de binnengekomen en verstuurde e-mails, of door een verklaring in te brengen van een ter zake deskundige. Nu aldus niet is komen vast te staan dat de desbetreffende e-mails zijn verdwenen, staat evenmin vast dat [appellant] voor die verdwijning verantwoordelijk is. Dit deel van de aangevoerde dringende reden is daarmee niet komen vast te staan. Of de andere aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde reden (de betalingen door de Amersfoortse op de rekening van de moeder van [appellant] ) wel als vaststaand kan worden aangemerkt, behoeft voor de beoordeling van de geldigheid van het ontslag op staande voet daarom niet meer te worden onderzocht. De grieven 6 slagen. Voor recht zal worden verklaard dat [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst zonder geldige dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 BW heeft opgezegd.

3.9

Aan de orde is daarmee het primaire verzoek van [appellant] tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Het hof oordeelt hierover als volgt. Indien de rechter in hoger beroep van oordeel is dat het verzoek van de werknemer tot vernietiging van de opzegging ten onrechte is afgewezen, kan hij de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of kan hij aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen. In de memorie van toelichting van de Wwz is opgemerkt dat, gezien het tijdsverloop, de rechter vermoedelijk vaak tot het toekennen van een billijke vergoeding, in plaats van veroordeling tot herstel van het dienstverband, zal overgaan (Kamerstukken II, 33 818, 3, pag. 34-35).

3.10

Het hof is, zoals uit het hierna overwogene volgt, van oordeel dat [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst met [appellant] op rechtmatige wijze had kunnen beëindigen. Omdat er een grond voor beëindiging aanwezig was, zal het hof niet tot herstel van de arbeidsovereenkomst overgaan, en in plaats daarvan een billijke vergoeding toekennen. Omdat de opzegging daarmee in stand wordt gelaten, is [geïntimeerde] een vergoeding verschuldigd op grond van artikel 7:672 lid 10 BW, welke vergoeding door [appellant] berekend is op een maandsalaris, te weten € 1.821,36 bruto. Dit bedrag zal aan [appellant] worden toegekend, nu [geïntimeerde] de gestelde hoogte daarvan als zodanig niet heeft betwist.

3.11

De Hoge Raad heeft ten aanzien van de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW een aantal omstandigheden genoemd die daarbij van belang zijn (HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187). De Hoge Raad heeft daarbij onder andere overwogen (ov. 3.4.4): “Zowel uit deze opmerking als uit de keuzemogelijkheid die art. 7:681 BW de werknemer biedt, volgt dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding op grond van deze bepaling mede kan worden gelet op hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst daarbij in aanmerking moet worden genomen. Daarbij is mede van belang of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen, en op welke termijn dit dan had mogen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd.” Aangezien de billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW een vergoeding is die in plaats van herstel van het dienstverband kan worden opgelegd, en dat ten aanzien van de billijke vergoeding op grond van artikel 7:683 lid 3 BW ook het geval is, is er aanleiding te veronderstellen dat de door de Hoge Raad in de genoemde beschikking van 30 juni 2017 genoemde omstandigheden ook van belang kunnen zijn bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van artikel 7:683 BW.

3.12

[geïntimeerde] had de arbeidsovereenkomst met [appellant] op rechtsgeldige wijze kunnen beëindigen. Daartoe dient het volgende.

3.12.1

Vast staat dat aan de Amersfoortse in september 2016 per e-mail is medegedeeld dat betalingen in verband met de arbeidsongeschiktheidsverzekering in plaats van op het oude bankrekeningnummer van [geïntimeerde] , op het nieuwe bankrekeningnummer gestort moesten worden. [appellant] heeft aangevoerd met deze wijziging van het bankrekeningnummer geen enkele bemoeienis te hebben gehad. Hij heeft daartoe gesteld dat het mogelijk is dat hij ooit het bankrekeningnummer van zijn moeder op een kladblok in het kantoor van [geïntimeerde] heeft opgeschreven, dat [geïntimeerde] (dan wel een van haar zonen) daarmee op de hoogte was van de tenaamstelling en dat bankrekeningnummer, en dat [geïntimeerde] (dan wel een van haar zonen) dit bankrekeningnummer aan de Amersfoortse heeft doorgegeven, om daarmee een grond te hebben om [appellant] te kunnen ontslaan. De loonkosten van de zieke [appellant] drukten immers zwaar op [geïntimeerde] , zo betoogt [appellant] . Het hof acht dit scenario zo onaannemelijk, dat hier niet van zal worden uitgegaan. Het hof acht genoemd scenario onaannemelijk, omdat het veronderstelt dat [appellant] , die naar zijn zeggen vanaf november 2015 niet meer op kantoor bij [geïntimeerde] was geweest, vóór november 2015 ‘op een kladblok’ bij [geïntimeerde] het bankrekeningnummer van zijn moeder zou hebben gezet, met de vermelding dat dit van haar was, en dat [appellant] deze gegevens zou hebben bewaard, om ze vervolgens een jaar later te gebruiken voor de door [appellant] genoemde doeleinden.

Dat het [appellant] is geweest die het gewijzigde bankrekeningnummer aan de Amersfoortse heeft doorgegeven, acht het hof aannemelijk: het betreft immers het bankrekeningnummer van zijn moeder. De opdracht tot de wijziging aan De Amersfoortse is in september 2016 en daarmee tijdens de afwezigheid van [geïntimeerde] gegeven - naar [geïntimeerde] heeft gesteld en [appellant] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken - vanaf het e-mailaccount van [geïntimeerde] . [appellant] heeft erkend in ieder geval (tijdens de bouwvak) in 2014 op het e-mailaccount van [geïntimeerde] te hebben ingelogd. Hij moet derhalve op dat moment op de hoogte zijn geweest van het wachtwoord van dat account. [geïntimeerde] heeft gesteld dat haar wachtwoord makkelijk te onthouden was, namelijk de voornamen van haar twee kinderen achterelkaar geschreven met daarachter een cijfer. Het hof acht het niet onaannemelijk dat [appellant] in 2014 op de hoogte van het wachtwoord dat wachtwoord heeft kunnen onthouden. Daarvan uitgaande heeft [appellant] tegenover [geïntimeerde] zeer verwijtbaar gehandeld.

3.12.2

Ook los van het onder 3.12.1 besprokene acht het hof het handelen en nalaten van [appellant] , nadat [geïntimeerde] hem had medegedeeld dat genoemde gelden van De Amersfoortse op het bankrekeningnummer van [appellant] moeder terecht waren gekomen, zeer verwijtbaar. Nadat [geïntimeerde] op 11 november 2016 aan [appellant] geschreven had dat het zakelijk bankrekeningnummer van [geïntimeerde] gewijzigd was in dat van [appellant] moeder, antwoordde [appellant] op 12 november 2016 dat hij navraag had gedaan bij De Amersfoortse en dat het hem een raadsel was hoe De Amersfoortse bij zijn moeder gekomen was. [appellant] wist derhalve dat een bedrag dat bestemd was voor [geïntimeerde] , op het bankrekeningnummer van zijn moeder was overgemaakt. Op grond van het goed werknemerschap had [appellant] er vervolgens voor moeten zorgen dat dit geld teruggestort werd, althans daartoe pogingen moeten ondernemen. [appellant] verkeerde in de mogelijkheid daartoe, in ieder geval vanaf april 2017 toen hij gemachtigd was betalingen te doen namens zijn moeder. Naar het hof aanneemt had [appellant] ook vóór april 2017 zijn invloed kunnen aanwenden om zijn moeder het door haar ten onrechte ontvangen bedrag te laten terugstorten. [appellant] heeft niets van dat alles gedaan, doch zich slechts op het standpunt gesteld dat het niet zijn probleem was. Daarmee heeft [appellant] zijn verantwoordelijkheid dienaangaande volledig miskend.

3.12.3

[appellant] stilzitten maakt het door hem genoemde en onder 3.12.1 beschreven ‘alternatieve scenario’ des te meer onaannemelijk, want indien het [geïntimeerde] (dan wel een van haar zonen) zou zijn geweest die De Amersfoortse er toe had gezet het geld naar [appellant] moeder over te maken, had van [appellant] zeker mogen worden verwacht de onterechte betalingen onmiddellijk te redresseren. [appellant] heeft bovendien niet weersproken dat hij hoge schulden had en dat hij kort na 14 november 2016 wilde instemmen met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zonder verdere vergoedingen, zoals [geïntimeerde] nog heeft gesteld. Ook die twee omstandigheden passen bij een scenario waarbij [appellant] de wijziging van het bankrekeningnummer heeft bewerkstelligd.

3.12.4

[geïntimeerde] had gezien het bovenstaande de arbeidsovereenkomst met [appellant] kort na 14 november 2016 door ontbinding van die arbeidsovereenkomst op grond van ernstig verwijtbaar handelen van [appellant] kunnen laten eindigen. Hetgeen [appellant] in dat geval aan loon genoten zou hebben naast het onder ov. 3.10 genoemde bedrag zou dan enkele weken salaris hebben bedragen. Rekening houdend met het onder ov. 3.10 genoemde bedrag zal aan [appellant] een (aanvullende) billijke vergoeding worden toegekend van € 1.178,64 bruto, zodat hem in totaal € 3.000,- bruto wordt toegekend. Voor toekenning van een transitievergoeding ziet het hof geen grond, nu het gedrag van [appellant] als ernstig verwijtbaar is aan te merken. Het vorenstaande betekent dat de grieven 4 en 5 falen.

3.13

De conclusie is dat de primaire vordering onder II (tot herstel van de arbeidsovereenkomst) zal worden afgewezen, dat de subsidiaire vordering (tot toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn) gedeeltelijk zal worden toegewezen (tot bedragen van € 1.178,64 bruto resp. € 1.821,36 bruto) en dat het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

3.14

Nu partijen ieder gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, in die zin dat bepaald wordt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter van 24 januari 2017 (met herstelbeschikking van 16 februari 2017), behalve voor zover daarin is bepaald dat beide partijen de eigen kosten van de procedure dragen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst met [appellant] zonder een geldige dringende reden heeft opgezegd;

kent aan [appellant] ten laste van [geïntimeerde] toe € 1.821,36 bruto vanwege het niet in acht nemen van de opzegtermijn en € 1.178,64 bruto als billijke vergoeding;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat partijen de eigen kosten van de procedure in eerste aanleg dragen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M.M. Steenberghe, A.M.A. Verscheure en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.