Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4850

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
02-07-2018
Zaaknummer
200.205.416/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van ECLI:NL:RBAMS:2016:7288. Kort geding. Programma “Mr. Frank Visser doet uitspraak”. Verbod uitzending van dit programma terecht door de eerste rechter geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.205.416/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/616408/ KG ZA 16-1185

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 november 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. I. Heijselaar te Amsterdam,

tegen

SBS BROADCASTING B.V.,

en

VINCENT TV PRODUCTIES B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. E.A. Wentink-Quelle te Ouderkerk aan de Amstel.

Partijen worden hierna [appellant] en SBS c.s. genoemd. Geïntimeerden worden afzonderlijk aangeduid met SBS en Vincent TV.

1 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 25 november 2016 in hoger beroep gekomen van het op 9 november 2016 door de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), uitgesproken vonnis onder bovenvermeld zaaknummer (hierna: het vonnis) tussen hem als eiser en SBS c.s. als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen, zoals geformuleerd in zijn dagvaarding in eerste instantie van 18 oktober 2016, zal toewijzen met hoofdelijke veroordeling van SBS c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.

SBS c.s. hebben geconcludeerd dat het hof de grieven ongegrond zal verklaren, dan wel zal afwijzen en het vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 29 september 2017 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, mr. Heijselaar aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd. Bij die gelegenheid hebben SBS c.s. nog twee producties in het geding gebracht. Partijen hebben voorts vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis in nr. 2.1 tot en met 2.7 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt, met dien verstande dat hierna ook enkele andere feiten zullen worden betrokken die tussen partijen niet in geschil zijn. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

[appellant] heeft zich in verband met een langlopend conflict met zijn buren

([buurman] en [buurvrouw], hierna in enkelvoud: [buren]) begin

april 2016 aangemeld voor het televisieprogramma “Mr. Frank Visser doet uitspraak”. In dit programma treedt mr. Frank Visser (hierna: mr. Visser) op als bindend adviseur in geschillen. In het programma krijgen de partijen bij een geschil de gelegenheid hun visie uit een te zetten, worden opnamen van de situatie waarop het geschil betrekking heeft getoond en spreekt mr. Visser zijn bindend advies uit. Het programma wordt geproduceerd door Vincent TV en uitgezonden door SBS.

2.2

SBS c.s. hebben een “Voorlopige bindend advies overeenkomst” (hierna: de voorlopige bindend adviesovereenkomst) in het geding gebracht, die op 6 april 2016 door [appellant] en [buren] is ondertekend. In deze overeenkomst is onder meer opgenomen:

“Partijen verklaren hierbij voorts het Reglement Bindend Advies Mr. Frank Visser Doet Uitspraak (editie 2015) te hebben ontvangen.”

Het Reglement Bindend Advies Mr. Frank Visser Doet Uitspraak wordt hierna “het reglement” genoemd.

[appellant] en [buren] hebben op 14 april 2016 ‘Bindend Advies Overeenkomst’ (hierna: de bindend adviesovereenkomst) ondertekend. Daarin is opgenomen dat partijen zich onderwerpen aan het reglement en dat zij verklaren een kopie daarvan te hebben ontvangen. Voorts zijn daarin de vorderingen van [appellant] en [buren] als volgt omschreven:

“[appellant] vordert dat Familie [buren] een einde maakt aan de wateroverlast op het perceel van [appellant]. [en handgeschreven toegevoegd:] + bouwlamp weg + camera’s op eigen erf richten + (muur) zakken/gesloopt worden.

(…)

Familie [buren] vordert dat [appellant] zich niet langer vertoont op of nabij zijn hiervoor bedoelde perceel, althans dat (…) mr. Visser een dusdanige andere voorziening treft, dat [appellant] zich niet langer schuldig zal maken aan de hiervoor bedoelde agressie, intimidatie en pesterijen. [en handgeschreven toegevoegd:] + kippenhok weg ivm. stankoverlast. ivm ratten”.

2.3

In het reglement is onder meer bepaald:

“(…)

Artikel 14. Bindend advies.

(…)

3. Mr. Frank Visser kan iedere uitspraak doen, die hij ter oplossing van het conflict redelijk en billijk acht. Hij is daarbij niet gebonden aan de vordering en de eventuele tegenvordering.

(…)

Artikel 16. Verbindende kracht van beslissingen.

(…)

3. Vernietiging van de in het bindend advies gegeven beslissing(en), zoals bedoeld in artikel 7:904 van het Burgerlijk Wetboek, kan alleen plaatsvinden door de gewone rechter. Daartoe moet het bindend advies binnen twee maanden na verzending van de schriftelijke uitwerking aan de bevoegde rechter worden voorgelegd.

(…)

4. Vernietiging is alleen mogelijk, indien gebondenheid aan het bindend advies, in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming daarvan, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
(…)

Artikel 17. Openbaarmaking.

1. Partijen geven de producent en de zender toestemming voor het maken en (her)uitzenden van alle opnames die door de producent in het kader van het programma zijn gemaakt. Deze toestemming wordt geacht mede betrekking te

hebben op aankondiging(en) in de media. Het staat de producent en de zender vrij deze opnames samen te vatten op de wijze die hen goeddunkt.
(...)

3. De producent noch de zender kunnen door partijen worden gedwongen opnames

al dan niet uit te zenden, of om dit op een bepaalde wijze te doen.

(…)”

2.4

Op 22 april 2016 heeft mr. Visser zijn bindend advies mondeling uitgesproken. Het bindend advies is op 2 mei 2016 door hem schriftelijk uitgewerkt. Hierin is de vordering van [appellant] afgewezen en de tegenvordering van [buren] toegewezen in die zin dat het [appellant] vanaf 22 mei 2016 te 00.00 uur werd verboden om zich binnen een straal van 500 meter rondom het perceel [adres] (dit is het perceel dat eigendom is van [appellant]) te bevinden en dat hij bij overtreding van dit verbod van rechtswege (geen aanmaning nodig) een boete verbeurt van € 1.000,- per keer tot een maximum van € 100.000,-.

2.5

[appellant] heeft tegen [buren] een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Noord-Holland waarin hij op grond van artikel 16 lid 3 en 4 van het reglement en artikel 7:904 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vernietiging van het bindend advies heeft gevorderd. In die zaak is op 15 maart 2017 vonnis gewezen. Bij dat vonnis is het bindend advies op een klein onderdeel vernietigd en wel in zoverre dat het i) [appellant] wel is toegestaan het in het verbodsgebied gelegen gezondheidscentrum te bezoeken mits hij de Kolkweg in Oostzaan niet oversteekt, en ii) dat de duur van het gebiedsverbod is beperkt tot de periode dat de heer of mevrouw [buren] op [adres] woonachtig is. Voor het overige is het bindend advies door de rechtbank in stand gelaten. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [buren]. [appellant] heeft tegen het vonnis appel ingesteld.

2.6

[appellant] heeft, vooruitlopend op het vonnis in de bodemprocedure, jegens [buren] een kort geding aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland waarin hij schorsing van het bindend advies heeft gevorderd. [buren] heeft in reconventie gevorderd dat - verkort weergegeven - [appellant] wordt veroordeeld, op straffe van een dwangsom, onvoorwaardelijk gehoor en uitvoering te geven aan het bindend advies en tot betaling van € 2.000,- vanwege het twee keer overtreden van het bindend advies op 22 mei 2016.

Bij vonnis van 13 juni 2016 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellant] afgewezen en daartoe overwogen - verkort weergegeven - dat [appellant] als gevolg van het gebiedsverbod weliswaar geen vrije toegang heeft tot zijn eigendom, maar dat dit het bindend advies, anders dan [appellant] heeft betoogd, niet zonder meer onaanvaardbaar maakt. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet aannemelijk is dat bij de totstandkoming van het bindend advies de beginselen van behoorlijk procesrecht zijn geschonden en dat [buren] daarom geen misbruik van bevoegdheid maakt door [appellant] aan het bindend advies te houden. De voorzieningenrechter heeft voorts de vordering van [buren] tot betaling van een boete tot een bedrag van € 1.000,- toegewezen en de overige vorderingen afgewezen.

2.7

Bij brief van 24 augustus 2016 heeft de advocaat van [appellant] SBS

gesommeerd schriftelijk te bevestigen dat niet tot uitzending van het televisieprogramma ter zake van het geschil tussen hem en [buren] (hierna de aflevering) zou worden overgegaan. Verder is in die brief de bindend adviesovereenkomst en het reglement buitengerechtelijk vernietigd. Bij brief van 9 september 2016 heeft de advocaat van SBS aan de advocaat van [appellant] meegedeeld dat SBS niet aan deze sommatie zou voldoen en de (bevoegdheid tot) buitengerechtelijke vernietiging uitdrukkelijk betwist.

2.8

Ter zitting van de voorzieningenrechter in de onderhavige procedure in eerste aanleg op 26 oktober 2016 hebben SBS c.s. verklaard dat de uitzending van de aflevering gepland stond op 19 december 2016.

2.9

Nadat het vonnis op 9 november 2011 was gewezen, heeft de uitzending van de aflevering plaatsgevonden op 14 november 2016. Dat de uitzending daarvan reeds op die datum zou plaatsvinden was [appellant] per e-mail van 9 november 2016 medegedeeld. De uitzending van de aflevering is herhaald op 17 augustus 2017.

2.10

Op 6 december 2016 ontving de gemeente Oostzaan van de redactie van het Noordhollands Dagblad (versie Zaanstreek) het bericht dat al twee dagen op de website van de gemeente Oostzaan een document stond met bijzondere persoonlijke informatie over [appellant]. Die informatie betrof een intern stuk van de gemeente Oostzaan waarin een chronologisch overzicht was opgenomen van de “casus [buren]/[appellant]”. Bij brief van 7 december 2016 heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan aan [appellant] geschreven het bijzonder vervelend te vinden dat het overzicht op de website terecht was gekomen en dat het overzicht van de website verwijderd was.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] vordert SBS c.s. primair te veroordelen niet tot uitzending over te gaan van de aflevering subsidiair niet tot uitzending daarvan over te gaan totdat ten gronde door de bodemrechter zal zijn beslist over de vordering tot vernietiging van het bindend advies op grond van artikel 7:904 BW, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van SBS c.s. in de proceskosten.

3.2

De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen en daartoe - samenvattend weergegeven - overwogen dat:
- [appellant] voorshands gebonden is aan het reglement en dus aan artikel 17 daarvan, waarin is bepaald dat hij toestemming geeft voor uitzending op televisie van de van hem gemaakte opnames;

- in kort geding niet kan worden vooruitgelopen op de mogelijke vernietiging in de bodemprocedure van het bindend advies omdat een mogelijke vernietiging niet maakt dat uitzending van de uitspraak en van de hoorzitting die daaraan voorafging, onrechtmatig zijn jegens [appellant];

- het korte, op de zitting vertoonde, stukje van de aflevering direct voorafgaand aan de hoorzitting, geen enkele aanleiding geeft te veronderstellen dat [appellant] in de uitzending belachelijk wordt gemaakt;

- de wijze waarop [appellant] in beeld wordt gebracht geen reden vormt om de uitzending te verbieden en

- de bescherming van artikel 10 EVRM noopt tot het zeer terughoudend omgaan met een preventief verbod, zoals dat door [appellant] is gevorderd.

3.3

[appellant] heeft vijf grieven tegen deze beslissing en de gronden waarop deze berust aangevoerd. Het hof zal die achtereenvolgens bespreken.

3.4

De eerste grief strekt ertoe dat SBS c.s. - desgevraagd - onjuiste informatie over de datum van de uitzending van de aflevering aan de voorzieningenrechter heeft gegeven en onjuist heeft gehandeld door na het vonnis van 9 november 2016 de aflevering reeds op 14 november 2016 uit te zenden. [appellant] stelt dat aan de beslissing van SBS c.s. de uitzending te vervroegen twee redenen ten grondslag lagen, te weten: het gebruik maken van de publiciteit die vanwege de gerechtelijke procedure was ontstaan en het [appellant] onmogelijk maken om in een turbo appel het vonnis van 9 november 2016 aan het hof voor te leggen. [appellant] voert ook aan dat de voorzieningenrechter een andere beoordeling zou hebben gemaakt indien SBS c.s. de voorzieningenrechter juist over de uitzenddatum zou hebben geïnformeerd.

SBS c.s. heeft daartegenin gebracht dat zij, gelet op de inhoud van het bestreden vonnis, in alle redelijkheid gerechtigd was op 14 november 2016 tot uitzending van de aflevering over te gaan. Vanwege het feit dat die uitzending reeds heeft plaatsgevonden bestrijdt SBS c.s. dat [appellant] nog belang heeft bij (het in hoger beroep niet gewijzigde) uitzendverbod.

[appellant] heeft tijdens het pleidooi aangevoerd dat zijn belang bij het uitzendverbod gelegen is in het voorkomen van heruitzendingen van de aflevering door SBS c.s., zoals op 17 augustus 2017 heeft plaatsgevonden en in de toekomst nog plaats zullen vinden. Het hof overweegt als volgt.

3.5

Omdat SBS c.s. ter zitting in hoger beroep bevestigd heeft dat in de toekomst heruitzending van de aflevering plaats kan vinden, heeft [appellant] nog steeds belang bij het door hem gevorderde uitzendverbod. De vordering van [appellant] SBS c.s. te gebieden “niet tot uitzending van de aflevering van ‘mr. Frank Visser Doet Uitspraak’ over te gaan”, beperkt zich, anders dan SBS c.s. nog heeft gesteld, niet tot de eerste uitzending van de aflevering, omvat dat begrip ook de heruitzending van de aflevering omvat.

3.6

Zonder nadere uitleg, die [appellant] niet gegeven heeft, valt niet in te zien waarom SBS c.s. na het vonnis van 9 november 2016 niet heeft mogen besluiten om de aflevering reeds op 14 november 2016 uit te zenden. Het feit dat SBS c.s. ter zitting van de voorzieningenrechter heeft medegedeeld dat de uitzending van de aflevering gepland stond voor 19 december 2016, belette SBS c.s. niet na het vonnis (waarbij zij in het gelijk waren gesteld en het gevorderde uitzendverbod was afgewezen) de planning te wijzigen. Evenmin hoefde SBS c.s. zich bij die wijziging er rekenschap van te geven dat [appellant] door vervroeging van de uitzenddatum mogelijk beperkt zou worden in zijn mogelijkheid om een turbo-appel aanhangig te maken. Door [appellant] is voorts niet toegelicht, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de voorzieningenrechter tot een ander oordeel zou zijn gekomen indien SBS c.s. ter zitting zou hebben verklaard dat zij voornemens waren de aflevering eerder, dan wel op 14 november 2016, uit te zenden. Uit de motivering van het bestreden vonnis blijkt niet dat het feit dat uitzending was voorzien op 19 december 2016 voor het oordeel van de voorzieningenrechter een zelfstandige betekenis heeft gehad. Grief I faalt derhalve.

3.7

Grief II is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat het bij de beoordeling van de vorderingen van belang is dat [appellant] zelf contact heeft gezocht met Vincent TV en zich heeft aangemeld voor het programma. In de toelichting op deze grief betwist [appellant] de relevantie hiervan door er, onder meer, op te wijzen dat hij vanwege zijn cognitieve beperkingen niet, althans onvoldoende, in staat was zijn wil te bepalen bij het aangaan van de bindend adviesovereenkomst.

3.8

[appellant] verwijst voor het bestaan van zijn cognitieve beperking naar een brief van (zijn huisarts) [huisarts] van 21 juli 2016, die voor zover van belang als volgt luidt:

“(…)

Uit de brieven die u als bijlage vindt blijkt dat de heer [appellant] een cognitieve beperking heeft. Dat betekent in gewoon nederland een verminderd IQ. Hierdoor zal hij niet alles even goed begrijpen. Zijn verbale capaciteiten zijn relatief goed ontwikkeld en zouden dit kunnen maskeren.” (…).

Indien al aangenomen zou moeten worden dat [appellant] een verminderd IQ heeft, doet dat aan de geldigheid van de door hem met SBS c.s. gesloten bindend adviesovereenkomst niet af. De wil van [appellant] tot het sluiten van de bindend adviesovereenkomst kan slechts dan geacht worden te hebben ontbroken indien zijn geestvermogens blijvend of tijdelijk waren gestoord en die stoornis een redelijke waardering van de betrokken belangen belette. [appellant] heeft niet gesteld dat bij de totstandkoming van de bindend adviesovereenkomst van een dergelijke stoornis bij hem sprake was. De enkele stelling dat hij door het jarenlange conflict met [buren] psychisch en fysiek “geknakt” is, is daartoe onvoldoende.

[appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan SBS c.s. zijn ondertekening van de voorlopige bindend adviesovereenkomst op 6 april 2016 en

de bindend adviesovereenkomst op 14 april 2016 redelijkerwijs niet heeft mogen opvatten als zijn instemming met die overeenkomsten en met de toepasselijkheid van het reglement. Evenmin heeft [appellant] gesteld op welk concreet punt hij, voorafgaand aan de ondertekening van de bindend adviesovereenkomst, niet of onvoldoende door SBS c.s. zou zijn voorgelicht.

Dit betekent dat de bindend adviesovereenkomst rechtsgeldig tot stand gekomen is, partijen aan de inhoud daarvan en van het reglement gebonden zijn en het beroep van [appellant] op de vernietigbaarheid van de bindend adviesovereenkomst en het regelement faalt.

3.9

[appellant] heeft ter zitting in hoger beroep nog aangevoerd dat mr. Visser het optreden als bindend adviseur in zijn conflict met [buren] had moeten weigeren op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 5 van het reglement omdat de aard van het conflict ongeschikt is voor het onderhavige programma.

Het hof stelt voorop dat artikel 3 lid 5 van het reglement aan de bindend adviseur een discretionaire bevoegdheid geeft om een conflict niet te behandelen indien hij dat “vanwege de aard daarvan ongeschikt acht voor het programma”.

Voor zover al aangenomen kan worden dat dit artikel de strekking heeft het belang van de deelnemers aan het programma te beschermen, zoals [appellant] suggereert, kan de rechter de beslissing van mr. Visser de zaak van [appellant] te behandelen slechts marginaal toetsen. De rechter dient te de vraag te beantwoorden of mr. Visser in de gegeven omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de zaak van [appellant] vs [buren] geschikt is voor behandeling in zijn programma.

Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. De feiten waarop [appellant] zich ter onderbouwing van zijn stelling beroept, te weten het zich al jaren voortslepen van het conflict en het belang van [appellant] om het probleem van de wateroverlast op te lossen, brengen niet met zich mee dat mr. Visser in redelijkheid had moeten beslissen dat de aard van het conflict ongeschikt was voor zijn programma. Grief II faalt.

3.10

Met de derde grief bestrijdt [appellant] de overweging van de voorzieningenrechter dat in het onderhavige kort geding niet kan worden vooruitgelopen op de mogelijke vernietiging in de bodemprocedure van het bindend advies. In de toelichting op de grief benadrukt [appellant] dat er tussen de geldigheid van het bindend advies en de rechtmatigheid van de uitzending van de aflevering een verband bestaat, in die zin dat indien het bindend advies vernietigd wordt het uitzenden van de aflevering onrechtmatig is.

3.11

Deze grief faalt. [appellant] miskent dat SBS c.s. op grond van artikel 17 van de bindend adviesovereenkomst gerechtigd is tot uitzending van alle opnames die in het kader van het programma van [appellant] en [buren] zijn gemaakt, en de eventuele vernietiging van het bindend advies de geldigheid van de bindend adviesovereenkomst, en het daaruit voortvloeiende uitzendrecht van SBS c.s. in beginsel niet aantast. Daarbij komt dat de grief uitgaat van de vernietiging van het bindend advies door de bodemrechter, welk uitgangspunt vooralsnog onjuist is gebleken omdat de rechtbank Noord-Holland bij genoemd vonnis van 15 maart 2017 het bindend advies grotendeels in stand heeft gelaten.

3.12

Met de vierde grief bestrijdt [appellant] de juistheid van de overwegingen van de voorzieningenrechter dat [appellant] geen inhoudelijke bezwaren tegen de aflevering heeft aangevoerd, dat het korte - op de zitting vertoonde - stukje van de aflevering geen enkele aanleiding geeft om te veronderstellen dat [appellant] daarin belachelijk wordt gemaakt en dat in dit geval de vrijheid van meningsuiting dient te wijken voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [appellant].

In de toelichting op de grief maakt [appellant] mr. Visser het verwijt dat hij zich verpersoonlijkt heeft met het wel en wee van [buren], dat mr. Visser niet de moeite heeft gedaan zich echt in de feiten en achtergronden van het geschil te verdiepen en dat [appellant], die in de aflevering moederziel alleen zijn belangen behartigde, tegen zichzelf in bescherming genomen had moeten worden omdat hij door het jarenlange conflict met [buren] “overduidelijk psychisch/fysiek (was) geknakt”.

3.13

Deze bezwaren van [appellant] tegen uitzending van de aflevering snijden geen hout. Door [appellant] is niet gesteld dat SBS c.s. het hem onmogelijk heeft gemaakt om zich tijdens de opname door familie of derden te laten bijstaan. Dit betekent dat hij er kennelijk zelf voor gekozen heeft alleen op te treden. Die keuze komt voor zijn rekening en noopte SBS c.s. niet om [appellant] tegen zichzelf in bescherming te nemen en van uitzending van de aflevering af te zien.

Door [appellant] is ook niet feitelijk onderbouwd dat hij tijdens de opname door mr. Visser zodanig bejegend is dat SBS c.s. van uitzending van de aflevering hadden moeten afzien omdat het recht op vrijheid van meningsuiting van SBS c.s. diende te wijken voor het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [appellant]. Voor zover het bezwaar Van [appellant] tegen de uitzending van de aflevering erin gelegen is dat hij ongelijk heeft gekregen, stuit dit bezwaar af op het feit dat het inherent is aan een programma als ‘Mr. Frank Visser Doet Uitspraak’ dat een van beide partijen in het ongelijk gesteld wordt.

3.14

[appellant] heeft nog gesteld dat het bindend advies mogelijk anders geluid zou hebben indien mr. Visser bij de behandeling van de zaak kennis zou hebben gehad van het hiervoor in overweging 2.10 genoemde interne stuk van de gemeente Oostzaan, waarin een chronologisch overzicht is opgenomen van de ‘casus [buren]/[appellant]’. Volgens [appellant] zou dan niet hij maar [buren] als boeman tevoorschijn zijn gekomen en zou mogelijk de beslissing in zijn voordeel zijn uitgevallen.

SBS c.s. heeft dit standpunt van [appellant] gemotiveerd bestreden.

3.15

Het hof leest in de overwegingen van het bindend advies geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat de beslissing anders, laat staan in het voordeel van [appellant], zou hebben geluid indien mr. Visser kennis zou hebben genomen van voornoemd chronologisch overzicht. [appellant] heeft ook niet gewezen op een dergelijk aanknopingspunt.

3.16

[appellant] is tijdens de zitting in hoger beroep uitgebreid ingegaan op de negatieve gevolgen die hij en zijn familie ondervinden van de uitzending van de aflevering en de mate waarin zijn privacy daardoor geschonden wordt. Tevens heeft hij betoogd dat aan de zijde van SBS c.s. de vrijheid van meningsuiting niet in het geding is, omdat de aflevering in essentie niet veel anders omvat dan de oordeelsvorming en de uitspraak van mr. Visser. Volgens [appellant] kan SBS c.s. geen beroep doen op artikel 10 EVRM en dient dat artikel bij de afweging van de belangen van SBS c.s. en [appellant] buiten beschouwing te blijven. Dit betekent volgens [appellant] dat de bescherming van zijn privacy dient te prevaleren en om die reden het uitzenden van de aflevering verboden dient te worden.

3.17

Aan SBS c.s. komt het recht op vrijheid van meningsuiting toe. Dat recht is verankerd in artikel 7 van de Grondwet en geldt ook voor radio en televisie. Het uitgangspunt van [appellant] dat het programma vanwege de inhoud daarvan, niet onder het bereik van artikel 7 van de Grondwet zou vallen, is in strijd met artikel 7 lid 2 van de Grondwet waarin is bepaald dat er geen voorafgaand toezicht is op de inhoud van een televisie-uitzending. Evenzeer is dat standpunt in strijd met de in artikel 10 lid 2 EVRM neergelegde voorwaarden waaronder een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting geoorloofd is. De strekking van die voorwaarden is dat de rechter een grote mate van terughoudendheid dient te betrachten bij het toestaan van een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting, zoals het door [appellant] gevorderde uitzendverbod.

3.18

In het algemeen kan het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer (privacy) een belang zijn op grond waarvan inbreuk gemaakt kan worden op het recht op vrijheid van meningsuiting. Bij de afweging van het recht op vrijheid van meningsuiting van SBS c.s. enerzijds en het recht op privacy van [appellant] anderzijds is hun onderlinge rechtsverhouding van belang. Die wordt mede bepaald door het reglement. In artikel 17 lid 1 daarvan is bepaald dat ‘partijen’, waaronder dus ook [appellant], de producent (Vincent TV) en de zender (SBS) toestemming geven voor het maken en (her)uitzenden van alle opnames die in het kader van het programma zijn gemaakt. [appellant] is aan deze toestemming gebonden omdat hij de bindend adviesovereenkomst getekend heeft en daarin duidelijk staat dat het reglement van toepassing is en dat een exemplaar van het reglement door [appellant] is ontvangen. Voorts is van belang dat [appellant] zichzelf voor het programma heeft aangemeld. Naar het voorlopig oordeel van het hof volgt daaruit dat hij voorafgaand aan het aangaan van de (voorlopige) bindend adviesovereenkomsten reeds bekend was met de aard van het programma en zich mitsdien bewust was wat zijn toestemming betekende. Tevens is van belang dat [appellant] na ondertekening van de voorlopige bindend adviesovereenkomst, nog ruim een week bedenktijd heeft gehad alvorens hij de bindend adviesovereenkomst ondertekende en dat hij voorafgaand aan de hoorzitting door mr. Visser uitdrukkelijk gewezen is op de gevolgen van deelname.

3.19

Omdat [appellant] geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld die met zich zouden kunnen brengen dat SBS c.s. zich niet kan beroepen op de door hem gegeven toestemming, stond en staat het SBS c.s. vrij de aflevering uit te zenden. Dit betekent dat, voor zover door de uitzending de privacy van [appellant] wordt aangetast, zulks niet ongeoorloofd of onevenredig is. Het belang van de vrijheid van meningsuiting van SBS c.s. prevaleert boven het belang van [appellant] bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.

3.20

De slotsom is dat de grieven I t/m IV falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep. Dat betekent dat ook grief V die er toe strekt dat SBS c.s. in de kosten van de procedure moeten worden veroordeeld, geen doel treft.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SBS c.s. begroot op € 716,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M.M. Steenberghe, A.M.A. Verscheure en

M.L.D. Akkaya door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.