Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4847

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
23-002350-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal met braak. Verwerping verweer met betrekking tot de herkenning van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002350-15

datum uitspraak: 14 november 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2015 in de strafzaak onder de parketnummers 13‑701999-15 en 13-703205-14 (TUL) tegen

[verdachte 1]

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1981,

[alias 1] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 1979,

[alias 2]

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 3] 1981,

[alias 3]

geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 4] 1980,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een lunchroom heeft weggenomen een geldbedrag van 290 euro, geheel of ten dele toebehorende aan K [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot voornoemde lunchroom heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op of verbreking van een ruit van voornoemde lunchroom.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof op onderdelen anders overweegt dan de politierechter, de bewijsmiddelen aanvult en toepassing geeft aan art. 63 Sr.

Het hof zal evenwel overnemen de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen onder 2 en 3, genoemd in het proces-verbaal dat een geheel vormt met de aantekening van het mondeling vonnis.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft gesteld, dat niet zonder twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte de dader van de inbraak in de lunchroom is die zichtbaar is op de camerabeelden. Het gezicht van de verdachte is op de beelden niet duidelijk te zien. Weliswaar zijn verschillende gezichtskenmerken in beeld, maar deze zijn zo weinig onderscheidend, dat de verbalisant niet tot een herkenning van de verdachte heeft kunnen komen. Bovendien wordt de betrouwbaarheid van de herkenning aangetast doordat de verbalisant bij het zien van de camerabeelden wist dat hij keek naar beelden van een persoon die de dag daarvoor was aangehouden op verdenking van de betreffende inbraak. De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

Het hof overweegt als volgt.

Op 19 mei 2015 te Amsterdam heeft een inbraak plaatsgevonden in een lunchroom, toebehorende aan [slachtoffer], de aangever. [slachtoffer] heeft de volgende dag de camerabeelden bekeken die zijn gemaakt van de inbraak en heeft op de bewegende beelden de dader gezien. Op 21 mei 2015 heeft de aangever de dader op straat herkend en heeft daarover als volgt verklaard:

‘…wij zagen de dader lopen. Ik heb hem toen vastgegrepen en de politie gebeld…Ik wil benadrukken dat ik 100 % weet dat het de inbreker was.’1

Een verbalisant heeft de dader op 21 mei 2015 gehoord als verdachte. Op 22 mei 2015 heeft hij van de aangever de camerabeelden aangeleverd gekregen en heeft daarop onmiddellijk diezelfde verdachte herkend. Hij heeft als volgt verklaard:

‘Ik herkende [verdachte 1] op de camerabeelden aan de volgende kenmerken: smal gelaat, hoekige kaak, donkere wenkbrauwen, kort haar bovenop het hoofd dat vooral aan de voorzijde dun is (zijn hoofdhuid is door zijn haar zichtbaar), haardracht rondom kort opgeschoren, kort geschoren baard, waarbij de hoek rondom het oor opvallend kaal is, zelfde bril (witte gespleten pootjes, nabij het oor zwart), onderzijde broekspijp omgeslagen, lichtkleurige schoenen met witte zool.’2

Van de verdachte zijn enkele foto’s gemaakt in de kleding waarin hij is aangehouden. Voorts bevinden zich in het dossier enkele zogenaamde ‘stills’ van de bewegende beelden.

De bewegende beelden zijn ter terechtzitting in hoger beroep getoond. Het hof heeft waargenomen dat op de beelden alle (gezichts)kenmerken die door de verbalisant zijn genoemd, duidelijk zichtbaar zijn.

Nu deze persoonskenmerken voldoende specifiek en onderscheidend zijn en deze kenmerken, met name de bijzondere bril en de haar- en baardgroei, ook duidelijk te zien zijn op de foto’s van de verdachte in het dossier, is de herkenning door de verbalisant betrouwbaar. De omstandigheid dat de verbalisant wist dat hij naar beelden keek van de persoon die eerder op verdenking van de inbraak was aangehouden, maakt dat niet anders.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen in samenhang bezien, is het hof van oordeel dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, dat de verdachte de inbraak heeft gepleegd zoals tenlastegelegd. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 mei 2015 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een lunchroom heeft weggenomen een geldbedrag van 290 euro, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot voornoemde lunchroom heeft verschaft door middel van verbreking van een ruit van voornoemde lunchroom.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de gebezigde bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde 13 dagen gevangenisstraf.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging gevorderd van de eerder voorwaardelijk opgelegde 13 dagen gevangenisstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een inbraak gepleegd in een horecagelegenheid en heeft daarbij de inhoud van de kassa weggenomen. Dit is een zeer hinderlijk feit, dat niet alleen schade heeft veroorzaakt voor de betreffende ondernemer, maar ook gevoelens van onveiligheid in de buurt kan hebben veroorzaakt.

De door de politierechter opgelegde straf is passend en geboden. De omstandigheid dat artikel 63 Sr van toepassing is, maakt dat niet anders.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 oktober 2017 (onder de aliassen [alias 1]) is de verdachte eerder en bij herhaling met betrekking tot vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de omstandigheid, dat in deze zaak in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, nu namens de verdachte op 9 juni 2015 het hoger beroep is ingesteld en het hof eerst heden op 14 november 2017 arrest wijst.

De redelijke termijn is zodoende overschreden met ruim 5 maanden.

De reden hiervan is, dat aanvankelijk bij het dagvaarden van de verdachte in hoger beroep verwarring heeft bestaan over de identiteit van de verdachte. De verdachte heeft in verschillende zaken verschillende identiteiten gehanteerd. Voorts is op verzoek van de verdediging onderzoek verricht en is de behandeling eenmaal wegens verhindering van de raadsvrouw aangehouden. Nu de oorzaak van de vertraging voor een belangrijk gedeelte aan de verdachte en de verdediging is te wijten, kan met constatering van de overschrijding worden volstaan.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam met parketnummer 13-703205-14 van 14 november 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 13 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 november 2014, parketnummer 13-703205-14, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 november 2017.

Mr. Den Otter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]

[…]

1 […]

2 .