Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4840

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
200.200.534/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Bemiddeling bij woonruimteverhuur. Wietplantage aangetroffen in de verhuurde woning. Bemiddelaar was gehouden de betrouwbaarheid van de aangedragen huurder te controleren. Daarin is zij tekortgeschoten blijkens de evidente valsheid van de door huurder verstrekte bewijsstukken. Bewijsopdracht over de staat waarin de woning na afloop van de overeenkomst van partijen door bemiddelaar is opgeleverd.

Wetsartikelen: 7:401 BW, 6:74 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.200.534/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4855285 CV EXPL 16-6954

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 november 2017

inzake

[appellante] ,

kantoorhoudend te [kantoorplaats] ,

appellante,

tevens geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. B.R. Capaan te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

tevens appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. D.M. Schouten-Hennen te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 16 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 30 mei 2016, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellante] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- antwoordakte, tevens memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties;

- antwoordakte zijdens [geïntimeerde] .

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] geheel zal afwijzen en hem, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen in de gedingkosten in beide instanties, vermeerderd met een bedrag van € 100,= dat aan [appellante] in rekening is gebracht door haar bank vanwege het door [geïntimeerde] gelegde bankbeslag. In incidenteel appel heeft zij geconcludeerd tot afwijzing van het beroep, met veroordeling van [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten daarvan.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en veroordeling van [appellante] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in beide instanties.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, is in dit geding het volgende komen vast te staan.

a. [geïntimeerde] is eigenaar van een woning aan [adres] (hierna: de woning). Op 3 oktober 2014 heeft [geïntimeerde] de woning op de internetsite Marktplaats te huur aangeboden.

b. Dezelfde dag heeft [appellante] , die handelt onder de naam 99Houses, [geïntimeerde] een e-mail gestuurd met de volgende inhoud:

(…) wij van 99houses kunnen uw woning per direct verhuren zonder dat daar kosten aan zijn verbonden. Tevens bieden wij ook huurgarantie!!!! wij hopen dat u contact met ons opneemt? (…)

c. Bij overeenkomst, gedagtekend 6 oktober 2014, zijn [geïntimeerde] (“partij 1”) en [appellante] (“partij 2”) met elkaar een beheerovereenkomst aangegaan met betrekking tot de woning. Deze overeenkomst houdt, voor zover van belang, het volgende in;

(…)

1.4

Partij 1 geeft partij 2 opdracht tot financieel en technisch beheer van Haar woning.

1.5

Partij 1 Machtigt Partij 2 om in opdracht een contract op te stellen en te onderteken met een huurder, aangewezen door partij 1 van de woning.

1.6

Alle huurverplichtingen, welke beheerder namens eigenaar jegens derden aangaat, Zullen zijn aangegaan als verplichting van eigenaar.

(…)

6.1

De door of vanwege partij 2 voor partij 1 te verzorgen bijkomende leveringen en diensten zijn de volgende: 6.2 Het bijhouden van een administratie, het incasseren van de huurpenning en incasso opdrachten. Inclusief gas, water en warmte, servicekosten, jaarlijkse gemeentelijke belastingen en parkeerplaats.

Belangrijk: Als bij de jaarlijkse eindafrekening over verbruik wordt geconstateerd dan zullen deze geheel voor rekening van de huurder komen.

(…)

9.1

Partij 2 stelt zich bij onderteken van deze overeenkomst verantwoordelijk voor het klein onderhoud van de ruimte. Bij ingang van deze overeenkomst is de ruimte in volledig nieuw gerenoveerde staat zonder gebreken.

(…)

d. Partijen zijn overeengekomen dat [appellante] tegen betaling van een bedrag van € 250,= nog enig schilderwerk aan de woning zou (laten) verrichten. Het bedrag is door [geïntimeerde] betaald.

e. Met ingang van 1 november 2014 heeft [appellante] als beheerder de woning voor een periode van een jaar verhuurd aan een zekere [A] (hierna: [A] ) voor een bedrag van € 1.250,= per maand, inclusief gas, water en elektriciteit. In artikel 3 van de huurovereenkomst is bepaald dat huurder een waarborgsom ten bedrage van € 1.250,= diende te betalen.

f. [geïntimeerde] heeft bij aanvang van de huurovereenkomst geen afschrift ontvangen van het door [A] ondertekende huurcontract. Evenmin heeft hij toen afschriften ontvangen van de kopie van het identiteitsbewijs en van de loonstroken die [appellante] op haar verzoek van [A] heeft ontvangen.

g. In de maanden na 1 november 2014 is de huur volgens afspraak door [appellante] aan [geïntimeerde] voldaan.

h. Bij factuur, gedagtekend 27 mei 2015 en gezonden naar het adres van de woning, heeft Liander aan [geïntimeerde] medegedeeld dat haar medewerkers op 14 mei 2015 hadden ontdekt dat er in de woning was gefraudeerd met de elektriciteitsmeter en heeft Liander [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade ad € 1.964,06, voornamelijk bestaand in ongeregistreerd gebruik, transportvergoeding, kosten uit- en inbedrijfsstelling, onderzoeks- en administratiekosten.

i. Op 31 mei 2015 heeft [geïntimeerde] op de deur van de woning een brief van de politie aangetroffen, waarin is medegedeeld dat zij in de woning een wietplantage had opgerold. [A] is niet meer aangetroffen in de woning.

j. Bij brief van 5 juni 2015, die door [geïntimeerde] voor akkoord is ondertekend, heeft [appellante] aan [geïntimeerde] de volgende afspraken bevestigd:

(…)

99Houses draagt vandaag 05 juni de huur van de maand juni over aan de heer [geïntimeerde]

(eigenaar woning [adres] );

99Houses zal er zorg voor dragen dat de woning weer in orginele en juiste staat aan u wordt opgeleverd.

In wederzijdse goedkeuring is de beheerovereenkomst van [adres] per 1 juli 2015 beeindigd.

99Houses is niet verplicht u de huur van de maand juni te betalen, gezien de schade die ik alleen nog op foto’s heb gezien kunt u ervan uitgaan dat de schade hoger zal uitvallen dan de borgsom die betaald is voor de woning, 99Houses is niet schuldig aan het feit wat zich heeft voorgedaan in de woning maar, voelt zich wel verantwoordelijk naar de heer [geïntimeerde] toe om de huur en het opknappen van de woning voor haar rekening te nemen. (…)

k. Partijen zijn overeengekomen dat [appellante] op 1 juli 2015 de herstelwerkzaamheden aan de woning zou hebben afgerond en de sleutels van de woning zou overdragen aan [geïntimeerde] . Op 1 juli 2015 heeft [geïntimeerde] de sleutels bij [appellante] opgehaald en getekend voor ontvangst van een bedrag van € 150,= met als omschrijving “woningschade [adres] rest vergoeding”.

l. Bij brief van 30 juli 2015 heeft de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerde] [appellante] aansprakelijk gesteld voor de door [geïntimeerde] geleden schade en aanspraak gemaakt op betaling binnen veertien dagen van een kennelijk in de bijlage van die brief gespecificeerd bedrag. [appellante] heeft de aansprakelijkstelling van de hand gewezen.

3 Beoordeling

3.1

Bij inleidende dagvaarding van 16 februari 2016 heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [appellante] zou worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 9.571,89, bestaande uit € 6.170,64 voor herstelkosten van de woning, € 75,= voor expertisekosten, € 250,= voor niet uitgevoerde schilderwerkzaamheden, € 50,= voor nieuwe sloten, € 483,87 voor gederfde huur gedurende twaalf dagen in juli 2015, € 1.964,= voor de nota van Liander en € 728,32 voor juridische kosten, verminderd met het door [appellante] reeds betaalde bedrag van € 150,= en over alle bedragen de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Daarnaast vorderde [geïntimeerde] een bedrag voor buitengerechtelijke kosten. Hij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de beheerovereenkomst door onvoldoende controle uit te oefenen op de door haar aangezochte huurder, als gevolg waarvan [geïntimeerde] de door hem gevorderde schade heeft geleden.

3.2

[appellante] is in eerste aanleg wel in rechte verschenen, maar heeft nagelaten (tijdig) verweer te voeren. De kantonrechter heeft de vordering als niet onrechtmatig of ongegrond voorkomend toegewezen, behoudens de gevorderde juridische kosten, buitengerechtelijke kosten en wettelijke verhoging. De kantonrechter heeft het vonnis, zonder dat dit door [geïntimeerde] was gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.3

In hoger beroep heeft [geïntimeerde] bij zijn memorie van grieven in incidenteel appel, tevens memorie van antwoord in principaal appel zijn eis vermeerderd. In reactie op de tweede grief van [appellante] heeft [geïntimeerde] alsnog gevorderd dat de veroordeling tot betaling uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard. Voorts heeft hij onder het kopje “eisvermeerdering” zijn eis vermeerderd met een bedrag van € 98,27 voor een nieuwe toiletpot en een bedrag van € 15,75 voor de btw over de expertisekosten. [appellante] heeft tegen deze eisvermeerdering bezwaar gemaakt en aangevoerd dat een eisvermeerdering in hoger beroep niet zou zijn toegestaan. Dat standpunt is echter onjuist; het staat de oorspronkelijke eiser vrij bij zijn eerste memorie in hoger beroep de eis te wijzigen. Andere bezwaren tegen de eiswijziging zijn niet aangevoerd. Het hof zal dus recht doen op de gewijzigde eis. Hieraan staat niet in de weg dat [geïntimeerde] kennelijk per abuis in zijn petitum (zie boven) alleen de bekrachtiging van het bestreden vonnis heeft gevorderd en niet tevens de toewijzing van de genoemde bedragen voor toiletpot en btw. Het hof zal het petitum verbeterd lezen, nu [appellante] blijkens haar memorie van antwoord in incidenteel appel begrepen heeft wat [geïntimeerde] beoogde te vorderen. Hetzelfde geldt voor de kwestie dat [geïntimeerde] heeft verzuimd de vernietiging te vorderen van het bestreden vonnis voor zover daarbij de juridische kosten en de buitengerechtelijke kosten zijn afgewezen; uit de inhoud van de incidentele grief van [geïntimeerde] is duidelijk dat hij wenst dat die kosten alsnog worden toegewezen.

3.4

Met grief 1 in principaal appel voert [appellante] verweer tegen de gehele vordering van [geïntimeerde] . Zij voert daartoe aan dat zij niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de beheerovereenkomst en dat zij bovendien, in overeenstemming met de afspraken in de brief van 5 juni 2015, de woning op 1 juli 2015 in geheel herstelde staat weer aan [geïntimeerde] ter beschikking heeft gesteld, afgezien van enige losse plintjes, waarvoor partijen de onder 2.k. genoemde betaling van € 150,= zijn overeengekomen. Subsidiair heeft zij de toewijsbaarheid van de afzonderlijke posten bestreden.

3.5

Hoewel dat niet uitdrukkelijk in het schriftelijke contract is vermeld, heeft [appellante] op zich genomen voor de woning een huurder te vinden. Dat dat de bedoeling was, bleek ook al uit het aanbod dat zij op 3 oktober 2014 per e-mail aan [geïntimeerde] heeft gedaan (hiervoor onder 2.b.). Van [appellante] als professioneel handelend bemiddelaar mocht worden verwacht dat zij zich bewust was van het grote belang dat in het bijzonder een particuliere huiseigenaar als [geïntimeerde] erbij heeft dat zijn eigendom wordt verhuurd aan een betrouwbare huurder en dat zij daarnaar zou handelen. Een niet betrouwbare huurder kan de eigenaar immers, door wanbetaling of (al dan niet crimineel) wangedrag en/of door misbruik of beschadiging van de woning, in grote moeilijkheden brengen. Een professionele bemiddelaar behoort daarom in ieder geval een grondige controle te doen van de identiteit en de financiële situatie van de beoogde huurder. [appellante] is zich hiervan kennelijk ook daadwerkelijk bewust geweest, want op haar website rept zij van de wens van de huiseigenaar om te verhuren aan een betrouwbaar persoon en het (daarom) verrichten van een volledige screening van de potentiele huurder. Zij heeft aan haar controleplicht echter onvoldoende concrete invulling gegeven. Zij heeft weliswaar bij [A] om een kopie van diens identiteitsbewijs en afschriften van drie loonstroken gevraagd, maar de inhoud van die stukken heeft zij vervolgens kennelijk op geen enkele manier onderzocht. Al bij oppervlakkige lezing van de drie loonstroken (merkwaardig onprofessioneel gesteld op naam van “meneer [A] ”) blijkt dat het daarin genoemde minimumloon (€ 1.9469,40) niet juist kan zijn en dat de onder het kopje “Cumulatieven” genoemde bedragen op iedere loonstrook dezelfde zijn, namelijk de maandbedragen, zonder cumulatie. Deze merkwaardigheden zouden reden moeten hebben gegeven voor een nader onderzoek van de relatie tussen [A] en het op de salarisspecificatie genoemde bedrijf, bij welk onderzoek [appellante] zou zijn gebleken dat het bedrijf niet was gevestigd op het op de loonstrook genoemde adres en dat [A] aldaar onbekend was. [appellante] heeft voorts niet bestreden dat de voorkant en de achterkant van de kopie van het identiteitsbewijs geen betrekking hebben op dezelfde persoon, wat [appellante] bij een nauwkeurig onderzoek ook zou hebben moeten opvallen. Door de door haar opgevraagde kopieën niet behoorlijk te onderzoeken is [appellante] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen als bemiddelaar. Hieraan doet niet af dat zij het betaalgedrag van [A] heeft gecontroleerd op de site van GGN, omdat uit de uitdraai daarvan reeds blijkt dat de identiteit zelf niet is gecontroleerd, wat in dit geval de betekenis ontneemt aan het geconstateerde lage risico. Voor de als gevolg van haar tekortschieten ontstane schade is [appellante] jegens [geïntimeerde] aansprakelijk. In zoverre faalt haar eerste grief.

3.6

Daarmee komt het hof toe aan de behandeling van de door [geïntimeerde] opgevoerde schadeposten.

3.6.1

De grootste schadepost wordt gevormde door de gevorderde herstelkosten ad € 6.170,64. [geïntimeerde] heeft gesteld dat [appellante] de woning op 1 juli 2015 in zwaar beschadigde staat weer aan hem ter beschikking heeft gesteld. [appellante] heeft dat betwist en aangevoerd dat zij de woning wel degelijk, zoals was afgesproken, heeft hersteld (afgezien van de door betaling van € 150,= afgehandelde kwestie van de plintjes). [geïntimeerde] heeft gewezen op een door hem overgelegd overzicht van WhatsApp-berichten in de periode rond de oplevering, maar daaruit blijkt niet zonneklaar dat [appellante] zou hebben gezegd dat zij de woning niet had opgeknapt, daargelaten de bewijskracht van dit door [geïntimeerde] vervaardigde overzicht. [geïntimeerde] heeft onder 30 van de inleidende dagvaarding nog verwezen naar een e-mailbericht van 1 juli 2015 waaruit zou blijken dat [appellante] heeft geschreven dat zij de werkzaamheden niet kon afronden, maar die e-mail is op de genoemde plaats (producties 14) niet door het hof aangetroffen. [appellante] van haar kant heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] de door hem overgelegde foto’s reeds op 16 juni 2015 aan haar heeft toegestuurd, zodat die niet de toestand op 1 juli 2015 weergeven, maar die verzending kan het hof uit de door haar genoemde productie 7 bij haar memorie niet afleiden. [appellante] heeft voorts verwezen naar WhatsApp-berichten van 25 en 26 juni 2015, waaruit blijkt dat zij op 25 juni 2015 foto’s van de voortgang van de werkzaamheden aan [geïntimeerde] heeft gestuurd, die daarop op 26 juni 2015 reageerde met: “Ziet er goed uit”, maar daaruit blijkt niet dat [appellante] meer heeft gedaan dan het opruimen van de restanten van de wietplantage. De echtheid van de door [appellante] overgelegde factuur voor de herstelwerkzaamheden is door [geïntimeerde] bestreden. Voorts lijkt het feit dat [geïntimeerde] heeft getekend voor ontvangst van € 150,= onder de aanduiding “woningschade [adres] rest vergoeding” wel te wijzen op een regeling van een nog resterende kleine schade, maar doorslaggevend is dat niet. Op [geïntimeerde] rust de bewijslast van zijn door [appellante] gemotiveerd betwiste stelling dat [appellante] de woning op 1 juli 2015 in beschadigde staat heeft opgeleverd. Het hof zal hem overeenkomstig zijn aanbod tot het bewijs van die stelling toelaten.

3.6.2

[geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel gesteld dat hij het herstel door derden heeft moeten laten uitvoeren en de door hem overgelegde offerte als “factuur” aangeduid, maar in zijn laatste akte heeft hij aangevoerd dat hij het herstelwerk niet heeft laten uitvoeren, maar, met hulp van familie en vrienden, zelf heeft verricht. Dat laatste hoeft op zichzelf niet aan de toewijsbaarheid van de gevorderde herstelkosten in de weg te staan, zolang het gevorderde bedrag redelijk is. [appellante] als aansprakelijke partij hoeft immers niet te profiteren van de keuze die [geïntimeerde] als gelaedeerde partij in dit verband heeft gemaakt. Een abstracte wijze van schadeberekening ligt hier in de rede. Welk bedrag voor de (resterende) schade redelijk is zal worden beoordeeld na de bewijslevering. Wel kan nu reeds worden overwogen dat [appellante] onweersproken heeft aangevoerd dat in de door [geïntimeerde] overgelegde offerte ten bedrage van € 6.170,64 reeds een bedrag van € 110,80 voor de nieuwe toiletpot was opgenomen, terwijl [geïntimeerde] in hoger beroep daarvoor ook nog een bedrag van € 98,27 heeft gevorderd. Voor toewijzing van beide bedragen of voor toewijzing van het hogere geoffreerde bedrag, terwijl feitelijk het lagere bedrag van € 98,27 toereikend was, bestaat hoe dan ook geen grond, zodat in dit geding maximaal toewijsbaar is een bedrag aan herstelkosten van (€ 6.170,64 minus het verschil tussen beide bedragen) € 6.158,11.

3.6.3

De toewijsbaarheid van de gevorderde kosten van het expertiserapport, inclusief de btw, die in feite de kosten zijn van de hiervoor bedoelde offerte, is afhankelijk van het lot van de herstelkosten en zal derhalve na de bewijslevering worden beoordeeld. Hetzelfde geldt voor de post gederfde huurpenningen.

3.6.4

Het bedrag van € 250,= dat [geïntimeerde] heeft gevorderd op de grond dat hem achteraf is gebleken dat [appellante] de onder 2.d. omschreven werkzaamheden niet heeft uitgevoerd, is niet toewijsbaar bij gebreke aan voldoende juridische grondslag. Ook als juist zou zijn dat die schilderwerkzaamheden niet zijn uitgevoerd, wat [appellante] heeft betwist, brengt dat nog niet met zich dat de betaling zonder meer als onverschuldigd kan worden teruggevorderd, terwijl met betrekking tot de overige vereisten voor schadeplichtigheid niets is aangevoerd.

3.6.5

[geïntimeerde] heeft vergoeding gevorderd van door hem geplaatste nieuwe sloten. [appellante] heeft aangevoerd dat zij zelf de sloten heeft vervangen. [geïntimeerde] zal ook op dit punt tot bewijslevering worden toegelaten.

3.6.6

De nota van Liander is een rechtstreeks gevolg van het feit dat de door [appellante] , met verzaking van haar onderzoeksplicht, aangezochte huurder in de woning een wietplantage heeft aangelegd. Deze schade kan [appellante] als een gevolg van haar wanprestatie worden toegerekend. Dit causale verband wordt niet doorbroken door de omstandigheid dat [geïntimeerde] zelf ervoor heeft gekozen de elektriciteit op zijn naam te laten staan. De factuur heeft immers betrekking heeft op elektriciteit buiten de meter om en manipulatie van de meter, zaken waarmee [geïntimeerde] geen rekening had hoeven houden als [appellante] haar werk goed had gedaan. Dit deel van de vordering is dus terecht door de kantonrechter toegewezen. Ook in zoverre faalt de eerste grief van [appellante] .

3.7

Iedere verdere beoordeling van grief 1 in principaal appel wordt aangehouden tot na de bewijslevering.

3.8

Bij de beoordeling van grief 2 in principaal appel, waarmee [appellante] klaagt over het feit dat de kantonrechter het bestreden vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, hoewel dat niet was gevorderd, heeft [appellante] geen belang, aangezien die uitvoerbaarverklaring bij voorraad door [geïntimeerde] in hoger beroep alsnog is gevorderd. In dit verband kan voorts thans reeds worden opgemerkt dat het bedrag van € 100,= dat [appellante] in hoger beroep heeft gevorderd wegens, volgens haar, ten onrechte gelegd bankbeslag, niet kan worden toegewezen, aangezien dat bedrag niet valt onder de proceskosten. In feite vordert [appellante] hier een schadevergoeding, maar omdat zij in eerste aanleg in het geheel geen vordering in reconventie heeft ingesteld, kan zij in hoger beroep deze vordering niet voor het eerst instellen.

3.9

Met zijn incidentele grief maakt [geïntimeerde] bezwaar tegen de afwijzing van de door hem gevorderde juridische kosten en buitengerechtelijke kosten. Het is het hof niet duidelijk waarom [geïntimeerde] hier twee afzonderlijke bedragen vordert. De gerechtelijke kosten worden slechts vergoed volgens het liquidatietarief. Nu vast staat dat ter incasso van de onderhavige vordering ook buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, heeft [geïntimeerde] in beginsel tevens aanspraak op een redelijke vergoeding daarvoor. Welk bedrag redelijk is, zal te zijner tijd worden beoordeeld als de toewijsbare hoofdsom bekend is.

4 Beslissing

Het hof:

laat [geïntimeerde] toe tot het bewijs van zijn stelling dat [appellante] de woning op 1 juli 2015 in beschadigde staat en zonder vervanging van de sloten aan [geïntimeerde] heeft opgeleverd;

beveelt dat, indien [geïntimeerde] getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. J.C.W. Rang, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op donderdag 18 januari 2018 om 13.30 uur;

bepaalt dat [geïntimeerde] en [appellante] uiterlijk twee weken voor de getuigenverhoren aan de raadsheer-commissaris kleurenafdrukken zullen doen toekomen van de door hen in het geding gebrachte foto’s van de binnenzijde van de woning, of, als die niet beschikbaar zijn, in ieder geval goede en duidelijke afdrukken van die foto’s;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] dient na te (laten) gaan of partijen, hun advocaten en de door [geïntimeerde] voor te brengen getuigen op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze - zo dat niet het geval mocht zijn - uiterlijk op 5 december 2017 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van 15 januari 2018 tot en met 15 april 2018 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, L.A.J. Dun en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.