Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4834

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
02-07-2018
Zaaknummer
200.185.586/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van ECLI:NL:RBNHO:2015:8093. Rook- en warmteafvoer van hotel die niet voldoet aan de bouwvergunning. Bestuursdwang van gemeente in de vorm van sluiting van het hotel. Zoals de eerste rechter oordeelde, was op 4 januari 2011 formeel niet voldaan aan het in de last onder bestuursdwang gestelde vereiste, zodat uitoefening van bestuursdwang niet onrechtmatig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.185.586/01

zaaknummer/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/14/157851 / HA ZA 14-348

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 november 2017

inzake

1 de vennootschap onder firma HOTEL DEN HELDER,

gevestigd te Den Helder,

2. [appellant 2],

wonend te [woonplaats],

3. [appellant 3],

wonend te [woonplaats],

4. [appellant 4],

wonend te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. R.G. Meester te Amsterdam,

tegen

GEMEENTE DEN HELDER,

gevestigd te Den Helder,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.R. Klijn te Amsterdam.

Partijen worden hierna het hotel (appellanten gezamenlijk in enkelvoud) en de gemeente genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Het hotel is bij dagvaarding van 18 december 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 23 september 2015, onder bovenvermeld zaak/-rolnummer gewezen tussen het hotel als eiser en de gemeente als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven met producties;

- memorie van antwoord met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 12 september 2017 doen bepleiten, het hotel door mr. Meester voornoemd en de gemeente door mr. Klijn voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Het hotel heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en
- uitvoerbaar bij voorraad -:

i. alsnog de vorderingen van het hotel zal toewijzen (waarbij de vordering tot schadevergoeding dient te worden gelezen als ziende op de door het hotel geleden schade);

ii. de gemeente zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen het hotel ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de gemeente heeft voldaan, vermeerderd met rente;

iii. de gemeente zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging met veroordeling van het hotel in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 De feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

Hotel Den Helder (appellante sub 1), dat wordt geëxploiteerd door appellanten sub 2 tot en met 4 als vennoten, is gelegen aan de Marsdiepstraat 2A te Den Helder. Het gebouw bestaat uit een hoogbouw met 76 kamers die zijn gegroepeerd rond een atrium en een laagbouw met een restaurant-bar en bowlingbaan.

2.2.

Op 19 maart 2008 heeft het hotel een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor het plaatsen van een overkapping over het atrium. Als gevolg daarvan zouden de loopafstanden vanuit de hotelkamers langer worden dan maximaal volgens de vluchtveiligheidsvoorschriften van artikel 2.146 van het Bouwbesluit 2003 was toegestaan. Op 8 augustus 2008 heeft het hotel daarom met een beroep op de gelijkwaardigheidsbepaling van artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 een gewijzigde aanvraag voor een bouwvergunning ingediend. Het hotel heeft daarbij als oplossing voor het niet voldoen aan artikel 2.146 van het Bouwbesluit 2003 voorgesteld een rook- en warmetafvoerinstallatie (hierna: RWA-installatie) te plaatsen. Ten behoeve van de RWA-installatie heeft het hotel een programma van eisen laten opstellen (hierna: PvE). Het PvE luidt, voor zover van belang:

“2a. Eisen Rook- en WarmteAfvoerinstallatie (…)
[…]
Ontwerp RWA: De RWA-installatie dimensioneren volgens:
NEN 6093
[…]
Uitvoering en installatie RWA: De RWA-installatie uitvoeren en aanleggen volgens:
NPR 6095
[…]
Aansturing RWA: De aansturing van de RWA-installatie dient te geschieden door
een gecertificeerde brand meldinstallatie conform de Regeling Brand meldinstallaties:
Ja (PVE nog toevoegen)
Projectering branddetectieinstallatie: De projectering van de branddetectie-installatie is volgens:
NEN 6093”
2.3. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college) heeft het hotel bij besluit van 24 september 2008 een bouwvergunning voor het plaatsen van de overkapping verstrekt. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Een van de voorwaarden waaronder de bouwvergunning is verleend luidt:
“5. de rook- en warmteafvoerinstallatie in het atrium dient conform het PvE […] te worden uitgevoerd. Het PvE is gebaseerd op het gebruik zoals dit is aangegeven in de aanvraag om bouwvergunning. Bij afwijkend gebruik dient een hernieuwd verzoek om gelijkwaardigheid danwel een nieuwe aanvraag om bouwvergunning te worden aangevraagd;”
2.4. Het hotel heeft in 2009 in eigen beheer een RWA-installatie geïnstalleerd met vanuit China geïmporteerde componenten.
2.5. Tijdens een controle op 7 oktober 2009 heeft de brandweer geconstateerd dat het hotel heeft gebouwd in afwijking van de bouwvergunning, omdat niet aangetoond kon worden dat de RWA-installatie voldeed aan de voorwaarden van de bouwvergunning. In verband hiermee heeft het college het hotel bij brief van 8 oktober 2009 bericht dat het akkoord is gegaan met een gelijkwaardigheidsvoorstel op grond waarvan het hotel overeenkomstig het PvE dient aan te tonen dat de RWA-installatie voldoet aan NEN 6093 en dat zij was aangelegd conform NEN 6095. In deze brief is voorts opgenomen dat er openingen in het dak van het atrium aangebracht dienden te worden zodat dit weer als buitenruimte aangemerkt kon worden, zolang de RWA-installatie niet aan het PvE voldeed.
2.6. Bij controles op respectievelijk 4 december 2009, 19 mei 2010 en 9 juni 2010 heeft de brandweer geconstateerd dat er sprake was van een met de bouwvergunning, de brandveiligheidsvoorschriften en het Bouwbesluit 2003 strijdige situatie, omdat de RWA-installatie niet werkte en de deuren en rookluiken niet openstonden.
2.7. Op verzoek van het hotel heeft Bovema glas B.V. (hierna: Bovema) aan de hand van onder andere de richtlijnen NEN 6093 en NPR 6095 op 26 mei 2010 een inspectie uitgevoerd aan de bedienbare ramen die dienst moesten gaan doen als rook- en warmteafvoereenheden. Bovema concludeert in haar rapport van 15 juli 2010 dat de RWA-installatie in haar huidige vorm niet kan worden gecertificeerd.
2.8. Bij besluit van 28 juli 2010 heeft het college het hotel een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom opgelegd. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
2.8.1. De last onder bestuursdwang is als volgt omschreven:
“1) Voor 1 september 2010 de strijdigheid met artikel 40, lid 1 van de Woningwet en artikel 1b, lid 1 van de Woningwet in samenhang met artikel 2.146 en 1.5 van het Bouwbesluit op het perceel Marsdiepstraat 2 te Den Helder op te heffen. Deze strijdigheid kan worden opgeheven door het overhandigen van een geldig certificaat van één van de erkende keuringsinstantie (NCP of KIWA) waaruit blijkt dat de brandveiligheidsinstallatie voldoet aan de voor Nederland geldende normen.
[…]
Indien wij op 1 september 2010 geen geldig certificaat […] hebben ontvangen […] zullen wij overgaan op oplegging van bestuursdwang. In het kader van deze bestuursdwang zullen wij overgaan tot sluiting van de hotelkamers en het atrium. De hotelkamers en het atrium zullen verzegeld worden en mogen niet in gebruik worden genomen totdat het gevraagde document is overlegd.”

2.8.2.

De last onder dwangsom is als volgt omschreven:

“2) In de periode tussen 1 dag na bekendmaking van dit besluit en 1 september 2010 danwel zoveel eerder als dat u het gevraagde certificaat heeft overhandigd als genoemd onder punt 1, dienen de rookluiken en luchttoevoerdeuren zich in geopende stand te bevinden. Het betreft hier een tijdelijke maatregel. Door het in geopende stand houden van de rookluiken en de luchttoevoerdeuren kan het atrium worden aangemerkt als buitenruimte.
[…]
Als bestuursrechtelijk handhavingsmiddel van deze lastgeving leggen wij u […] een last onder dwangsom op. De hoogte van deze dwangsom hebben wij vastgesteld op € 10.000,= per keer dat tot 1 september 2010 geconstateerd wordt dat de rookluiken en luchttoevoerdeuren zich niet in geopende stand bevinden. Wij hebben hierbij een maximum gesteld van € 100.000,=.”
2.9. Bij besluiten van respectievelijk 24 augustus 2010 en 8 oktober 2010 heeft het college de termijn waarbinnen aan de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom moest worden voldaan verlengd tot respectievelijk 1 oktober 2010 en 1 december 2010. Tegen deze besluiten zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
2.10. Voor de beoordeling van de RWA-installatie heeft het hotel Efectis Nederland B.V. (hierna: Efectis) en Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. (hierna: Cauberg-Huygen ) ingeschakeld.
2.10.1. Efectis concludeert in haar rapport ‘Beoordeling RWA-capaciteit Hotel Den Helder’ van november 2010 dat de RWA-installatie in de huidige situatie niet de benodigde condities realiseert en doet enkele aanbevelingen voor maatregelen voor de korte en langere termijn. Zij tekent daarbij aan dat niet is nagegaan in hoeverre de RWA-installatie is uitgevoerd conform NEN 6093 en NPR 6095. Meer specifiek wordt (bij de conclusies en aanbevelingen) opgemerkt:
“Resultaten berekeningen rook- en warmteverspreiding
Over het algemeen kunnen de volgende conclusie getrokken worden m.b.t. veilig vluchten:
• Zicht is maatgevend in de kritische scenario’s, vrijwel nooit is een te hoge rooklaagtemperatuur een issue;
• Problemen treden met name op:
- T.p.v. de 2e verdieping;
- Bij 0% ventilatie;
- Bij relatief zware brandscenario’s (atrium vloer en grote hotelkamer)”
2.10.2. Cauberg-Huygen heeft op basis van voormeld rapport van Efectis beoordeeld of de kwaliteit van de RWA-installatie gelijkwaardig is aan de kwaliteit van een gecertificeerde installatie, waarbij zij deze heeft getoetst aan de voorschriften uit NEN 6093 en NPR 6095. In haar rapport van 22 november 2010 concludeert zij onder meer:
“Het ontwerp van de RWA-installatie […] voldoet wat uitvoering betreft grotendeels aan de voorwaarden uit NEN 6093, maar niet rechtstreeks aan alle voorschriften uit NPR 6095-1. […] Door middel van een praktijkproef is (…) aangetoond, dat de huidige installatie ondanks de geconstateerde afwijkingen momenteel wel correct functioneert bij niet-brand omstandigheden onder de klimatologische omstandigheden zoals aanwezig tijdens de inspectie/praktijkproef.
Door een aantal afwijkingen kan echter niet worden geconcludeerd, dat de installatie zal functioneren onder alle overige omstandigheden, waarop een gecertificeerde installatie […] wel is getest. Daarnaast kan niet worden geconcludeerd dat de betrouwbaarheid in de toekomst is geborgd, bijvoorbeeld doordat een betrouwbaarheidstest waarbij het luik een groot aantal keren op en dicht is gedaan, niet is uitgevoerd. Daarnaast is de werking van de installatie minder betrouwbaar dan een gecertificeerde installatie door het ontbreken van functiebehoud. Het onderhoud en beheer wordt weliswaar uitgevoerd, maar dit wordt niet geregistreerd. Hierdoor is het niet aantoonbaar dat het beheer en onderhoud wordt uitgevoerd.”
2.10.3. Efectis heeft naar aanleiding van enkele door het hotel genomen maatregelen op 23 november 2010 aan de hand van verschillende scenario’s nieuwe berekeningen gemaakt en een rapport getiteld ‘Aanvulling beoordeling RWA-capaciteit atrium hotel Den Helder’ uitgebracht. Geconcludeerd wordt:
“Voor vrijwel alle scenario’s wordt voor 100% of 50% ventilatie voldaan aan de criteria m.b.t. veilig vluchten. Een uitzondering hierop vormen de scenario’s met brand in een kamer op de begane grond grenzend aan het atrium; […] In deze scenario’s neemt de rookvrije hoogte na enkele minuten dusdanig af dat de personen op de 2e verdieping met hun hoofd in de rook kunnen komen.
[…]
ondanks het overschrijden van de criteria voor enkele scenario’s, [geeft] de nieuwe situatie op redelijke wijze invulling […] aan een ‘gelijkwaardige’ veiligheid in het atrium. Om discussie te voorkomen en om met een grotere mate van zekerheid in een ‘gelijkwaardige’ veiligheid te voorzien adviseert Efectis toch een beperkt aantal additionele maatregelen […]”
2.11. Het hotel heeft Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw (hierna: ERB) ingeschakeld om voormelde rapporten te beoordelen. Op 30 november 2010 is overleg gevoerd tussen het hotel en ambtenaren van de gemeente, waarbij namens het hotel ERB aanwezig is geweest in de persoon van [persoon 1]. Tijdens dit overleg zijn de rapporten van Efectis en Cauberg-Huygen en te treffen maatregelen besproken.
2.12. ERB merkt in een memorandum van 30 november 2010, dat zij naar aanleiding van voormeld overleg heeft opgemaakt, op dat de rapporten van Efectis en Cauberg-Huygen leren dat aan de prestatie-eisen van het Bouwbesluit 2003 en de prestatie-eisen die in de bouwvergunning zijn opgenomen, niet in hun volle omvang is voldaan. Gerefereerd wordt aan verschillende voorzieningen die reeds zijn getroffen en aan gemaakte afspraken tot het treffen van aanvullende voorzieningen, waaronder het opstellen van een verklaring van gelijkwaardigheid. ERB concludeert:
“Gegeven de rapportages en de reeds aanvullend getroffen maatregelen komen wij tot de conclusie dat wat betreft de vluchtveiligheid en de mogelijkheden van repressief optreden van de brandweer er geen dwingende redenen zijn om het gebruik van het hotel met atrium te verbieden. Dit temeer daar de zwaarste scenario’s na 30 november niet meer kunnen voorkomen vanwege getroffen voorzieningen.
Voor de langere termijn zullen de hiervoor genoemde afspraken en de in de rapporten genoemde aanbevelingen moeten worden opgevolgd waarbij een korte, doch redelijke termijn in acht moet worden genomen.”
2.13. Op 30 november 2010 heeft het college een extra vergadering ingelast, waarbij voormeld memorandum van ERB is besproken. In het verslag daarvan is vermeld:
“Het college concludeert dat op hoofdlijnen voldaan is aan wat het college in het kader van de aanschrijvingsprocedure heeft opgelegd aan de ondernemer en dat er geen dwingende redenen zijn om het gebruik van het hotel met atrium te verbieden, nu de staat en de inrichting van het hotel leidt tot het voldoen aan de bedoeling van de bouwregelgeving wat betreft vluchtveiligheid en het voldoende repressief kunnen optreden.
Het college besluit dan ook dat op 1 december 2010 niet overgegaan zal worden tot sluiting van het betreffende gedeelte van het hotel.
Het college gaat er vanuit dat de nog resterende nog te treffen voorzieningen, op korte termijn uitgevoerd zullen worden door de ondernemer.
Het college besluit voorts een onafhankelijk bureau, gerechtigd tot het afgeven van de vereiste veiligheidscertificaten, opdracht te geven het certificeringsproces af te ronden.
Op 4 januari 2011, de eerste collegevergadering in 2011, zal het college een definitief besluit nemen met betrekking tot de aanschrijving.”
2.14. Bij besluit van 2 december 2010 heeft het college de termijn waarbinnen aan de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom moest worden voldaan onder verwijzing naar het memorandum van ERB van 30 november 2010 verlengd tot 4 januari 2011. In dit besluit wordt toegelicht dat op grond van de rapporten van Efectis en Cauberg-Huygen niet kan worden geconcludeerd dat de brandveiligheidsinstallatie voldoet aan de voor Nederland geldende normen en dat daarvoor een ISO17020 geaccrediteerde inspectie-instelling wordt ingeschakeld. Voorts wordt opgemerkt dat tot uitvoering van de last onder bestuursdwang zal worden overgegaan wanneer wordt geconstateerd dat de brandveiligheidsinstallatie op 4 januari 2011 niet voldoet. In geval van kleine onvolkomenheden die niet direct gevolgen hebben in het kader van de veiligheid, zal het college zich nog beraden over het eventueel voor de laatste keer verlengen van de begunstigingstermijn. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar van het hotel is bij beslissing op bezwaar van het college van 20 mei 2011 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft het hotel beroep ingesteld bij de rechtbank.
2.15. Op 6 december 2010 heeft Bureau Veritas in opdracht van de gemeente een inspectie van de RWA-installatie uitgevoerd. Bureau Veritas concludeert in zijn brief aan de gemeente van 10 december 2010 onder meer dat de RWA-installatie op verschillende punten niet aan het PvE voldoet en dat verschillende voorzieningen niet zijn getroffen.
2.16. Cauberg-Huygen heeft op 24 december 2010 opnieuw gerapporteerd. Zij concludeert dat de RWA-installatie grotendeels voldoet aan de voorwaarden uit NEN 6093, maar niet rechtsreeks aan alle voorschriften uit NPR 6095-1. Zij merkt in dit verband op:
“Voor een aantal van de geconstateerde afwijkingen zijn acties genoemd, waarmee na uitvoering ofwel rechtstreeks wordt voldaan aan de eisen, ofwel waarmee naar onze mening sprake is van een gelijkwaardig veiligheidsniveau. Daarnaast is op een aantal punten aangegeven, dat door ERB een nadere onderbouwing zal worden gegeven dat (onder bepaalde voorwaarden) sprake is van een gelijkwaardig veiligheidsniveau [...]”
2.17. Op 28 december 2010 heeft overleg plaatsgevonden over de stand van zaken tussen het hotel, ERB en ambtenaren van de gemeente. Tijdens dit overleg is een reactie van ERB op de bevindingen van Bureau Veritas, het rapport van Cauberg-Huygen van 24 december 2010 en een memorandum van ERB van 27 december 2010 besproken. Tijdens het overleg heeft Scholten te kennen gegeven dat alle voorzieningen die moeten worden getroffen binnen twee maanden na 14 december 2010 zijn uitgevoerd en dat uiterlijk 15 januari 2011 een conceptverklaring van gelijkwaardigheid zal worden verstrekt. Op 29 december 2010 heeft Scholten een e-mailbericht gestuurd aan een ambtenaar van de gemeente, met onder meer de volgende tekst:
”Op de vraag hoe […] het proces van besluitvorming verder zal verlopen […] werd geantwoord dat direct aansluitend nader ambtelijk beraad zou worden gevoerd. […] Daarna zou contact worden opgenomen met het gemeentebestuur want zij zullen tot een besluit moeten komen […] Telefonisch heb je me vandaag laten weten dat spijtig genoeg het college eerst bij haar eerste college-overleg op 3 januari 2011 zich een oordeel wil aanmatigen over de voorliggende vraag en dat hotel Den Helder daarom datgene moet doen wat haar belangen zeker stelt.”
2.18. Tijdens een controle op 31 december 2010 heeft de brandweer geconstateerd dat de luiken van de RWA-installatie en de toevoerdeuren gesloten waren. Het hotel heeft bij monde van [appellant 3] te kennen gegeven de luiken onder geen beding open te zetten. Tijdens controles op 1 en 3 januari 2011 heeft de brandweer opnieuw geconstateerd dat de luiken en toevoerdeuren gesloten waren. Bij besluit van 15 september 2011 heeft het college besloten tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan. Tegen dit besluit heeft het hotel rechtstreeks beroep bij de rechtbank ingesteld.
2.19. Bij brief van 4 januari 2011 heeft het college aan het hotel bericht dat op deze datum is geconstateerd dat niet is voldaan aan de last onder bestuursdwang. Op 5 januari 2011 heeft de gemeente deze last ten uitvoer gelegd door de hotelkamers en het atrium te sluiten en te verzegelen.
2.20. Op 14 januari 2011 heeft de gemeente van ERB een preconceptverklaring van gelijkwaardigheid ontvangen. Tussen partijen heeft vervolgens overleg plaatsgevonden. Bij brief van 20 januari 2011 heeft het college het hotel bericht dat het na aanlevering van stukken en de ontvangst van de aanvraag voor een omgevingsvergunning bereid is te gedogen dat de hotelkamers en het atrium in gebruik worden genomen.
2.21. Het hotel heeft vervolgens brandtechnische voorzieningen aangebracht ten aanzien van de ramen van de kamers 102, 103, 108, 118 en 119, de kabel van de RWA-installatie afkomstig uit de technische ruimte met functiebehoud uitgevoerd, een fysieke markering voor een vrije zone voor de hotelkamers en de opslagruimte aangebracht en de deuren zelfsluitend uitgevoerd. Nadat voorts goedkeuring van het PvE van de brandmeldinstallatie door de brandweer was verkregen en de gemeente een conceptverklaring van gelijkwaardigheid, de aanvullende documenten en de aanvraag omgevingsvergunning had ontvangen, heeft het college besloten dat de hotelkamers en het atrium onder voorwaarden weer in gebruik mochten worden genomen en daartoe op respectievelijk 28 januari 2011 en 8 februari 2011 gedoogbeschikkingen afgegeven. Het college heeft de tegen deze besluiten gerichte bezwaren van het hotel bij beslissing op bezwaar van 8 september 2011 ongegrond verklaard, waartegen het hotel beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. Bij besluit van 26 juli 2011 heeft het college een omgevingsvergunning verstrekt, waartegen het hotel rechtstreeks beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.
2.22. Naar aanleiding van het in r.o. 2.14 genoemde besluit van het college van
2 december 2010 heeft het hotel een bestuursrechtelijke voorlopige voorziening verzocht. Dit verzoek is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2011 afgewezen.
2.23. Na overleg over de conceptverklaring van gelijkwaardigheid heeft het hotel de laatste stukken benodigd voor de beoordeling eind juli 2011 overgelegd. Het college heeft bij besluit van 30 augustus 2011 op onderdelen ingestemd met de verklaring van gelijkwaardigheid en zowel de lasten onder dwangsom en bestuursdwang als de gedoogbeschikking ingetrokken, waartegen het hotel rechtstreeks beroep bij deze rechtbank heeft ingesteld.
2.24. De beroepen tegen de besluiten van 20 mei 2010 (r.o. 2.14), 26 juli 2011 (r.o. 2.21) 30 augustus 2011 (r.o. 2.23), 8 september 2011 (r.o. 2.21) en 15 september 2011 (r.o. 2.18) zijn door de rechtbank gezamenlijk behandeld. Bij uitspraak van 11 oktober 2011 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 20 mei 2010 en 2 en 15 september 2011 ongegrond verklaard en de beroepen tegen de besluiten van 30 augustus 2011 en 8 september 2011 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Het hotel heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling heeft het hoger beroep bij uitspraak van 20 november 2013 ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Afdeling overweegt, voor zover voor de onderhavige zaak van belang:
“3.1. Aan het besluit van 24 september 2008 is het voorschrift verbonden dat de RWA-installatie wordt uitgevoerd conform het PvE. Het betoog dat het PvE onjuist is, heeft betrekking op het besluit tot verlening van de bouwvergunning. Tegen dat besluit heeft Hotel Den Helder geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is en de rechtbank van de juistheid ervan diende uit te gaan. Hotel Den Helder heeft evenmin rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 28 juli 2010, waarbij het college hem voormelde lasten heeft opgelegd, zodat ook dit besluit in rechte onaantastbaar is. Het betoog van Hotel Den Helder, dat er toe strekt dat de rechtbank heeft miskend dat er geen overtreding was, kan daarom niet slagen.
[…]
4.1. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de aan de lasten verbonden begunstigingstermijn niet in redelijkheid slechts tot 4 januari 2011 heeft kunnen verlengen. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat het de aan de lasten verbonden begunstigingstermijn herhaaldelijk heeft verlengd, laatstelijk bij het besluit van 2 december 2010, teneinde Hotel Den Helder in de gelegenheid te stellen om aan te tonen dat de geplaatste RWA-installatie een gelijkwaardige voorziening is, als bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit, zoals dit luidde ten tijde van belang, en aan de voor Nederland geldende normen wordt voldaan. Voor het oordeel dat het college ten onrechte aan de eis van het overleggen van een certificaat heeft vastgehouden, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien.
Het college heeft aan de verlenging van de begunstigingstermijn tot 4 januari 2011 ten grondslag gelegd dat uit het briefrapport van het Expertisebureau Regelgeving Bouw van 30 november 2010 blijkt dat er vanwege de reeds getroffen maatregelen geen dwingende redenen zijn om het gebruik van de hotelkamers en de binnenplaats te verbieden. In dat rapport is vermeld dat nog enkele afspraken en aanbevelingen moeten worden opgevolgd, waarbij een korte, doch redelijke termijn in acht moet worden genomen. Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel, dat het college de begunstigingstermijn niet heeft kunnen verlengen, omdat ten tijde van het besluit van 2 december 2010 geheel was voldaan aan de last en de brandveiligheid in het hotel op dat moment in orde was. In de samenvatting van het briefrapport is vermeld dat nog een aanvullend rapport van Efectis nodig is, dat binnen 14 dagen wordt verwacht. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich ten tijde van het besluit van 2 december 2010 op het standpunt heeft mogen stellen dat de gelijkwaardigheid van de RWA-installatie voor het aflopen van de begunstigingstermijn op 4 januari 2011 kon worden vastgesteld.”
2.25. Op verzoek van het hotel heeft de rechtbank bij beschikking van 21 maart 2013 een voorlopig deskundigenbericht gelast waarbij ir. E.W. Janse (hierna: Janse) als gerechtelijk deskundige is benoemd. Janse concludeert in zijn deskundigenrapport van 16 oktober 2013:
“Naar mijn mening vormden de rapportages die het College op 4 januari 2011 ter beschikking stonden dus op hoofdlijnen voldoende basis, om te kunnen concluderen dat er sprake was van een gelijkwaardige oplossing zoals bedoeld in artikel 1.5 Bouwbesluit 2003 ten aanzien van de prestatie-eisen, neergelegd in het Bouwbesluit 2003, uitgaande van de aanwezige situatie in de nabije toekomst en de aangebrachte RWA-installatie.”
2.26. Nadat het bestreden vonnis was gewezen, heeft het hotel op 27 januari 2016 een verzoekschrift tot het stellen van aanvullende vragen aan een eerder benoemde deskundige (hof: Janse) ingediend bij dit hof. Bij beschikking van 26 juli 2016 is dit verzoek afgewezen.

3 De beoordeling

3.1

Het hotel heeft in eerste aanleg gevorderd - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad -:
i. een verklaring voor recht dat de gemeente met het sluiten van het hotel en het nadien onder voorwaarden gedogen van de openstelling jegens het hotel in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, heeft gehandeld, althans dat de gemeente jegens het hotel in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld, althans dat de gemeente jegens het hotel onrechtmatig heeft gehandeld;
ii. veroordeling van de gemeente tot vergoeding van de door het hotel geleden schade, op te maken bij staat;
iii. veroordeling van de gemeente in de proceskosten.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt het hotel met zijn grieven op.

3.2.

De grieven strekken ertoe dat het gevorderde alsnog zal worden toegewezen. Zij zien alle direct of indirect op de vraag of de gemeente met de sluiting van Hotel Den Helder op 5 januari 2011 onrechtmatig jegens het hotel heeft gehandeld. De grieven lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling. Het verweer van de gemeente zal, voor zover van belang, daarbij worden betrokken.

3.3.

Vooropgesteld wordt dat de hierboven onder 2.8 genoemde besluiten van de gemeente betreffende de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom formele rechtskracht hebben. De aan deze besluiten verbonden rechtsgevolgen dienen derhalve in onderhavige procedure als uitgangspunt.

3.4.

Verder staat vast dat op 4 januari 2011, ondanks meerdere verlengingen van de termijn daartoe, het hotel formeel gezien niet had voldaan aan het in voormelde last onder bestuursdwang gestelde vereiste, waardoor de gemeente in beginsel kon overgaan tot uitoefening van de bestuursdwang. Onder omstandigheden kan uitoefening daarvan evenwel onrechtmatig zijn. Naar de stellingen van het hotel was dit het geval, omdat het gebouw van Hotel Den Helder op 4 januari 2011 feitelijk voldeed aan genoemde last onder bestuursdwang en dit ook duidelijk was gemaakt aan de gemeente. De gemeente had Hotel Den Helder daarom volgens het hotel niet mogen sluiten.

3.5.

Het hof overweegt dat de gemeente vanuit haar publieke taak toezicht houdt op de naleving van de opgelegde veiligheidsnormen. Het publieke belang daarvan is evident. Naar het oordeel van het hof is de sluiting van Hotel Den Helder, vanuit de taak van de gemeente bezien en alle omstandigheden in aanmerking genomen, slechts onrechtmatig te noemen, indien het voor de gemeente op basis van de door of vanwege het hotel aangedragen informatie ondanks het ontbreken van certificering en een verklaring van gelijkwaardigheid manifest was of redelijkerwijs had moeten zijn dat de situatie wat brandveiligheid betreft voldeed aan de in Nederland geldende normen. In dit kader heeft het hotel, daartoe ook de stelplicht dragend, verwezen naar verschillende vóór 4 januari 2011 opgestelde rapporten. Volgens het hotel had de gemeente uit deze stukken de conclusie dienen te trekken dat de situatie voldeed aan de gestelde normen. Het hotel heeft ter onderbouwing van dit standpunt tevens verwezen naar na 4 januari 2011 uitgebrachte rapporten, waaronder het rapport van Janse. Het hof volgt het hotel hierin niet. Uit de hierboven onder 2.25 weergegeven conclusie uit het rapport van Janse, waarvan de inhoud niet ter discussie staat, blijkt naar het oordeel van het hof juist dat op basis van de ter beschikking staande rapportages op 4 januari 2011 nog niet kon worden vastgesteld dat op deze datum sprake was van een gelijkwaardig veiligheidsniveau. Nu de betreffende stellingen van het hotel niet eenduidig zijn onderbouwd, kan niet worden vastgesteld dat het voor de gemeente manifest was of redelijkerwijs had moeten zijn dat de situatie wat betreft brandveiligheid voldeed aan de in Nederland geldende normen. Dit is ook anderszins niet gebleken. De grieven falen derhalve in zoverre. Aangezien de onder 2.25 geciteerde bewoordingen van Janse voldoende duidelijk zijn, heeft het hof geen behoefte aan nadere toelichting van Janse op zijn rapport. Het verzoek van het hotel daartoe zal daarom niet worden gehonoreerd.

3.6.

De vraag òf op 4 januari 2011 was voldaan aan de gestelde normen, kan bij gebrek aan belang in het midden blijven en de daarop betrekking hebbende grieven behoeven dan ook niet te worden behandeld. Dat de gemeente op 30 november 2010 zou hebben geconstateerd dat in hoofdlijnen was voldaan aan hetgeen was opgelegd en er geen dwingende redenen waren om het gebruik van het hotel te verbieden, doet aan het voorgaande niet af. De gemeente heeft kennelijk met deze uitlating slechts verantwoord dat de termijn nog tot 4 januari 2011 werd verlengd. De gemeente heeft in elk geval bij voormelde constatering aangetekend ervan uit te gaan dat de nog te treffen voorzieningen door het hotel op korte termijn zouden worden uitgevoerd en dat op 4 januari 2011 een definitief besluit zou volgen over de uitvoering van de bestuursdwang. De gemeente heeft met haar uitlatingen op 30 november derhalve niet kenbaar gemaakt dat de situatie reeds volledig voldeed aan de gestelde normen.

3.7.

De in het kader van de vijfde grief aangevoerde stelling dat de gemeente ermee akkoord was gegaan dat de verklaring van gelijkwaardigheid uiterlijk op 15 januari 2011 zou worden aangeleverd is door de gemeente gemotiveerd weersproken. Nu het hotel op dit punt geen specifiek bewijsaanbod heeft gedaan, zal het hof deze stelling passeren. Het in algemene bewoordingen vervatte bewijsaanbod van het hotel zal als niet ter zake dienend eveneens worden gepasseerd.

3.8.

Uit het bovenstaande volgt dat het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Het hotel zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep .

4
4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt het hotel in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op € 711,- aan verschotten en € 1.788,- voor salaris;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, R.J.M. Smit en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.