Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4817

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
23-004201-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod - verkoop drugs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004201-16

datum uitspraak: 7 november 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 november 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-702985-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of verstrekt (aan [naam]) of vervoerd (ongeveer) 13 bolletjes cocaïne en/of 2 bolletjes heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – de juistheid van de waarnemingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], zoals neergelegd in de (mede) door hun opgestelde processen-verbaal [nummer 1] en [nummer 2], betwist. Deze waarnemingen betreffen de veronderstelde drugsdeal en de wijze waarop die zou hebben plaatsvonden. Daarbij wijst de raadsman erop dat de verbalisanten niet relateren over het uitwisselen van geld tijdens de deal terwijl zij wel konden zien dat [naam] bolletjes van slechts een halve centimeter door zijn handen liet gaan, dat het niet waarschijnlijk is dat een dergelijke deal plaatsvindt in een drukke straat in een auto waarin de binnenverlichting is ontstoken in de nabijheid van “twee aandachtig waarnemende toeschouwers” (de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]), dat niet valt in te zien hoe de verbalisanten hun waarnemingen hebben kunnen doen gelet op de verkeersituatie ter plekke en dat in de auto van de verdachte geen drugs zijn aangetroffen.

Het hof stelt voorop dat in beginsel van de juistheid van een door verbalisanten op ambtseed opgemaakt processen-verbaal dient te worden uitgegaan, tenzij evidente redenen bestaan te twijfelen aan de juistheid hiervan. Het hof is van oordeel dat in onderhavig geval geen redenen bestaan te twijfelen aan de juistheid van de door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gerelateerde waarnemingen omtrent – kort gezegd – de drugsdeal tussen de verdachte en [naam] in de auto. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat:

- [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hebben geverbaliseerd dat de verdachte en [naam] in de auto iets aan elkaar gaven (proces-verbaal van bevindingen [nummer 1]) en dat verbalisant [verbalisant 1] aanvullend heeft geverbaliseerd (proces-verbaal van bevindingen [nummer 2]) te hebben gezien dat hetgeen de verdachte aan [naam] gaf kleine, ronde, lichtkleurige voorwerpen van circa 0,5 cm betrof;

- dat [naam] is aangehouden nadat hij was uitgestapt en bij hem zijn tijdens de insluitingsfouillering op het politiebureau 13 witkleurige bolletjes cocaïne en 2 bruinkleurige bolletjes heroïne zijn aangetroffen;

- dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2], die ten tijde van hun waarnemingen in burger waren gekleed en op onopvallende fietsen reden, op het moment dat zij zagen dat de verdachte iets / bolletjes aan [naam] gaf op circa 1 meter afstand stonden van de auto die op dat moment stilstond.

Aan het bovenstaande doet niet af dat de verbalisanten niet hebben gerelateerd dat [naam] geld aan de verdachte heeft overhandigd nu geenszins is uitgesloten dat [naam] buiten waarneming van de verbalisanten in de auto geld aan de verdachte heeft overhandigd. Ook het feit dat in de auto van de verdachte geen drugs zijn aangetroffen, doet aan het oordeel van het hof dat de verdachte aan [naam] drugs heeft verkocht niet af, reeds omdat niet is uitgesloten dat de verdachte na de verkoop van drugs aan [naam] geen drugs meer bij zich had.

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 oktober 2016 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht aan [naam] 13 bolletjes cocaïne en 2 bolletjes heroïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde gevangenisstraf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, alsook dat 140 euro van het onder de verdachte inbeslaggenomen geld wordt verbeurdverklaard.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke verkoop van een hoeveelheid van 13 bolletjes cocaïne en 2 bolletjes heroïne. Zoals bekend vormen drugs een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid, en zorgen dealers en gebruikers voor veel overlast in de samenleving. De handel in verdovende middelen brengt bovendien diverse andere vormen van criminaliteit met zich.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 oktober 2017 is hij eerder soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij het bepalen van de strafmaat.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Van het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag zal een bedrag van

€ 150 worden verbeurdverklaard aangezien dit gedeelte door middel van het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is verkregen. Het hof gaat hierbij uit van de verklaring van [naam], voor zover inhoudende dat hij voor een bolletje cocaïne zoals dat bij hem is aangetroffen € 10 heeft betaald en dat heroïne ook € 10 kost. Voor het overige zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag van € 150.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag van € 460.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. E. Mijnsberge en mr. T. de Bont, in tegenwoordigheid van S.D. van der Heiden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 november 2017.

Mrs. Mijnsberge en De Bont zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.