Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4806

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
23-002270-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen opzetheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002270-16

datum uitspraak: 6 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-069186-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 16 maart 2016 tot en met 19 maart 2016 te Purmerend en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een Canta (met VIN-nummer [nummer]) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl zij en haar mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wisten, althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere kwalificatie komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

Door de verdachte is aangevoerd dat zij vrijgesproken moet worden, aangezien zij niet wist of kon weten dat de Canta afkomstig was uit een misdrijf.

Het hof acht verdachtes ontkenning niet geloofwaardig en overweegt mede in het kader van de beoordeling van de tenlastelegging het volgende.

De verdachte heeft met haar vriend op 16 maart 2016 van ene [slachtoffer] een op diezelfde dag gestolen Canta gekocht voor een bedrag van 800 euro. Vervolgens is de Canta op 17 maart 2016, dus binnen een dag na de diefstal, vanaf een marktplaatsaccount onder de naam ‘[naam]’, de tweede voornaam van de medeverdachte, met daarbij een 06-nummer dat de verdachte als het hare heeft benoemd, te koop gezet voor een bedrag van 1.800 euro, onder de toelichting dat het een ‘oudtje’ is met net nieuwe banden.

Uit het dossier blijkt dat een getuige die sinds 1978 brommobielen en Canta’s koopt en verkoopt de Canta heeft getaxeerd en heeft gesteld dat het aankoopbedrag aanzienlijk hoger had moeten liggen dan de 800 euro die bij de aankoop was bedongen; de prijs waarvoor de Canta op marktplaats was gezet was reëler. Redenen om te twijfelen aan de bewijswaarde of betrouwbaarheid van de inhoud van deze getuigenverklaring heeft het hof niet; de verklaring is voldoende toegelicht en de verdediging heeft daar onvoldoende tegenover gesteld.

Uit de korte tijd tussen de diefstal, het kopen en het te koop aanbieden van de Canta en het grote verschil tussen de aanschafprijs en de prijs waarvoor de Canta vervolgens te koop is aangeboden, leidt het hof af dat de verdachte, ten tijde van samen het met haar mededader verwerven ervan, wist dat de Canta van misdrijf afkomstig was. Verdachtes ontkenning van die wetenschap acht het hof, in het licht van het voorgaande en van de wisselende verklaringen van de verdachte, ongeloofwaardig. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 16 maart 2016 tot en met 19 maart 2016 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander een Canta met VIN-nummer [nummer] heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl zij en haar mededader ten tijde van het verwerven van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan opzetheling van een Canta. Hiermee heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor door misdrijf verkregen goederen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. R.D. van Heffen en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van

S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

6 oktober 2017.

Mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.