Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:480

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
23-002657-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorbereidingshandelingen m.b.t. invoer cocaïne. Gevangenisstraf 9 maanden, m.a.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002657-15

datum uitspraak: 14 februari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-840018-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

[adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 april 2016, 23, 24, 26, 30 en 31 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

(zaakdossier B02)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 25 maart 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Hoofddorp en/of Haarlem en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

  • -

    een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en),

immers heeft/hebben en/of is/zijn hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

  • -

    (meermalen) gebruik gemaakt van een bedrijf, belast met het schoonmaken van vliegtuigen op Schiphol en/of

  • -

    (meermalen) met elkaar en/of met (een of meer) anderen (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

  • -

    (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd en/of

  • -

    (meermalen) bij die ontmoeting(en) papieren en/of documenten en/of foto's en/of filmbestanden en/of usb-sticks verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken en/of

  • -

    (meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de vertrek- en/of aankomstdata en/of -tijden van vliegtuigen en/of de locatie van vliegtuigen op Schiphol en/of

  • -

    (meermalen) (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden (van luchthavenmedewerkers) gevraagd en/of ontvangen en/of doorgegeven en/of

  • -

    (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer en/of de bergplaats van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of

  • -

    (meermalen) afspraken gemaakt omtrent het vervoer van en naar (een) vliegtuig(en) en/of

  • -

    (meermalen) (buiten de reguliere werktijden) het beveiligde gebied van Airside op Schiphol betreden en/of

  • -

    (meermalen) gebruik gemaakt van (een) vervoermiddel(en) van een (of meerdere) ander(e) bedrij(f)(ven) en/of

  • -

    (meermalen) aan boord van een vliegtuig gegaan om verdovende middelen te traceren en/of

  • -

    meermalen aan boord van een vliegtuig foto's en/of (een) filmbestand(en) gemaakt van verstop/bergplaatsen van verdovende middelen en/of

  • -

    (meermalen) afspraken gemaakt omtrent het ontvangen en/of geven van een of meer geldbedragen en/of beloningen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om redenen van efficiency en omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Overwegingen omtrent het bewijs

- Inleiding

In december 2012 is tegen de verdachte [medeverdachte 1] een opsporingsonderzoek gestart onder de onderzoeksnaam ‘ [onderzoek] ’. Dit opsporingsonderzoek heeft geleid tot een proces-verbaal dat bestaat uit verschillende zaakdossiers. Deze zaakdossiers behelzen telkens feiten en omstandigheden waaruit het openbaar ministerie afleidt dat [medeverdachte 1] en anderen in 2013 cocaïne binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht en/of voorbereidingshandelingen met betrekking tot verboden handelingen met cocaïne hebben verricht. Daarbij zou het [bedrijf] , dat op Schiphol onder meer schoonmaakwerkzaamheden in vliegtuigen uitvoerde, als dekmantel hebben gefungeerd.

Uit een van de voornoemde zaakdossiers komt naar voren dat door de Koninklijke Marechaussee (Kmar) op 10 juni 2013 daadwerkelijk cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen. In de zaken die worden beschreven in de overige zaakdossiers is geen cocaïne aangetroffen.

Het door het openbaar ministerie als bewijs gepresenteerde materiaal ten aanzien van laatstgenoemde zaakdossiers bestaat – kort samengevat en onder meer – uit de inhoud van tussen de verdachte en andere verdachten gevoerde afgeluisterde en opgenomen gesprekken, verslagen van observaties, gegevens van in- en uitgangen voor personeel op Schiphol en foto’s die werden aangetroffen in onder de verdachten inbeslaggenomen telefoons en gegevensdragers. Die foto’s tonen onder meer mogelijke verbergplaatsen in vliegtuigen en ‘screenshots’ van het CISS-systeem met aankomst- en vertrektijden van vliegtuigen. Daarnaast bevat het dossier een verklaring van de verdachte [medeverdachte 2] , een oud werknemer van het [bedrijf] . Die verklaring houdt in dat [medeverdachte 2] in februari 2013 in opdracht van de verdachte [medeverdachte 1] in een vliegtuig heeft gezocht naar drugs.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij medepleger is van voorbereidingshandelingen zoals omschreven in zaakdossier B02. De overige zaakdossiers in de megazaak ‘ [onderzoek] ’ zijn niet aan hem ten laste gelegd, maar maken mede deel uit van zijn dossier. De verdachte heeft ontkend zich aan het hem ten laste gelegde feit te hebben schuldig gemaakt.

- De interpretatie van de tap- en OVC-gesprekken

- algemene overwegingen met betrekking tot tap- en OVC-gesprekken

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit met name de zich in het dossier bevindende tap- en OVC-gesprekken kan worden afgeleid dat de verdachte de hem ten laste gelegde voorbereidingshandelingen heeft gepleegd. De verdediging heeft het tegendeel bepleit.

Voor de beoordeling van de bewijsbaarheid van het ten laste gelegde feit is (onder andere) van belang welke bewijswaarde moet worden toegekend aan de inhoud van die afgeluisterde en opgenomen telefoon- en OVC-gesprekken.

Over de uitleg van de OVC- en tapgesprekken merkt het hof in algemene zin het volgende op.

Het hof kan (meestal) niet zonder meer aannemen dat afgeluisterde gesprekken over bepaalde strafbare gedragingen gaan, als de verdachte dat ontkent en anderen daarover niet rechtstreeks belastend verklaren. Als gelet op daarin gebruikte woorden de betekenis van die gesprekken niet zonder meer duidelijk is, moet de rechter voorzichtig zijn bij het interpreteren daarvan. Die voorzichtigheid brengt mee dat moet worden onderzocht of die gesprekken in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Dat houdt in dat wordt gekeken naar de inhoud en chronologie van die gesprekken en naar de kring van deelnemers daaraan. Ook wordt bezien hoe het overige bewijsmateriaal in het dossier zich tot die gesprekken verhoudt. Beoordeeld moet worden of de conclusie kan worden getrokken dat schijnbaar onschuldige gesprekken in werkelijkheid gaan over strafbare feiten. Bij die beoordeling kan ook van belang zijn wat er over de deelnemers aan de gesprekken, of over anderen die in die gesprekken worden genoemd, bekend is. Als bijvoorbeeld is gebleken dat zij op de één of andere manier bij het strafbare feit of soortgelijke strafbare feiten betrokken zijn, kan dat meewegen bij de interpretatie. Ten slotte kan het hof onder omstandigheden ten nadele van de verdachte conclusies trekken uit zijn zwijgen of niet-verifieerbaar dan wel ongeloofwaardig verklaren naar aanleiding van aan hem gestelde vragen over de inhoud van door hem gevoerde telefoongesprekken.

Tot de conclusie dat de gesprekken gaan over strafbare gedragingen en dat de verdachte daaraan een betekenisvolle bijdrage heeft geleverd, kan pas worden gekomen als op grond van het samenstel van alle relevante feiten en omstandigheden redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk is.

- de interpretatie van de tap- en OVC-gesprekken

Met betrekking tot de interpretatie van de afgeluisterde telefoongesprekken overweegt het hof als volgt.

Het hof is van oordeel dat tot geen andere conclusie kan worden gekomen dan dat in de gesprekken versluierde taal werd gebruikt. Ten eerste is regelmatig het woord ‘auto’ gebruikt waar ‘vliegtuig’ werd bedoeld. Dat blijkt onder meer uit het als bewijsmiddel 55 gehanteerde gesprek, waarin de medeverdachte [medeverdachte 3] zich verspreekt (“vliegtuig .. uhh.. auto”). Een ander voorbeeld is het als bewijsmiddel 58 gehanteerde gesprek waarin in relatie tot het (door een derde) vergeefs zoeken van ‘de plek van de storing van de auto’ wordt gesproken over vier a vijf watertanks en over luchttanks. In dat gesprek zegt [medeverdachte 1] ter instructie aan voornoemde derde het volgende: “als hij vanuit de voorkant naar beneden komt …hij moet tot het einde lopen …. er is toch een muur” en “als je de gordijn weghaalt daar achter staat ie dan”. Het is evident dat dit gesprek niet over de plaats van een storing in een auto (of busje) kan gaan. Daarentegen past deze instructie goed bij de situatie in een vrachtruim van een vliegtuig.

Ook heeft het hof geconstateerd dat met het woord ‘garage’ werd geduid op vliegtuighangar 11. Weer bij wijze van voorbeeld wijst het hof op het als bewijsmiddel 134 gehanteerde gesprek waarin de medeverdachte [medeverdachte 3] gebruikmaakte van het telefoontoestel van [medeverdachte 2] . Dit gesprek vond plaats kort nadat [medeverdachte 2] in het vliegtuig [registratienummer] was geweest. [medeverdachte 1] zegt in dit gesprek dat ‘het’ naar ‘de garage’ gaat. Enkele minuten later werd voornoemd toestel naar hangar 11 gesleept (bewijsmiddel 132).

Wanneer de gesprekken aldus ‘vertaald’ worden gelezen en daarbij wordt gelet op hun chronologie, onderlinge samenhang en de gegevens met betrekking tot de bewegingen van het toestel [registratienummer] , kan daaruit niet anders worden geconcludeerd dan dat in opdracht van [medeverdachte 1] een zoektocht werd ingesteld naar iets wat in voornoemd vliegtuig was verborgen en daar heimelijk uit moest worden verwijderd. Uit de gesprekken komt niet naar voren wat dat ‘iets’ was. Ook hierover werd in versluierde termen gesproken met woorden als ‘het’ en ‘dinges’. Wel wordt in een van de gesprekken gezegd dat bij het zoeken rustig aan gedaan wordt ‘om geen wantrouwen te wekken’ (bewijsmiddel 59).

Ook over personen werd in de gesprekken versluierd gesproken. [medeverdachte 2] werd aangeduid als ‘ [bijnaam] ’ en [persoon 1] als ‘ [bijnaam] ’. Ook [medeverdachte 4] werd versluierd aangeduid als ‘de vriend in de garage’ en ‘de monteur’. Dat leidt het hof onder meer af uit het feit dat [medeverdachte 4] als monteur in hangar 11 (‘de garage’) werkzaam was en dat in meerdere tapgesprekken, kort nadat met het nummer van [medeverdachte 4] was gebeld, verslag werd gedaan van zoekacties in het vliegtuig. In een aantal gesprekken werd voorts zijn voornaam ‘ [medeverdachte 4] ’ genoemd en hij werd gezien bij een bespreking die eveneens over het zoeken ging, zoals uit de direct daaraan voorafgaande gesprekken kan worden afgeleid.

- het bewijs dat gezocht werd naar cocaïne

Hetgeen hiervoor over de afgeluisterde gesprekken is overwogen brengt met zich mee dat, ook wanneer deze gesprekken met de nodige behoedzaamheid worden beoordeeld, deze reeds op zichzelf beschouwd een belangrijke aanwijzing opleveren dat zij gaan over het zoeken naar in een vliegtuig in Nederland binnengesmokkelde cocaïne. Dat het ‘iets’ waarnaar werd gezocht heel wel cocaïne zou kunnen zijn ligt voor de hand: de ervaring leert dat het veelvuldig voorkomt dat in vliegtuigen cocaïne wordt verborgen, zeker wanneer sprake is van vluchten vanuit Zuid-Amerikaanse landen, zoals in de onderhavige zaak. Een bevestiging daarvan vindt het hof ten eerste in de verklaring van [medeverdachte 2] , dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] moest zoeken naar drugs. Een verdere bevestiging vindt het hof in de vondst van cocaïne op 10 juni 2013, nadat het opsporingsteam naar aanleiding van gesprekken tussen onder meer [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] het ernstig vermoeden had gekregen dat (opnieuw) een zending cocaïne zou arriveren (zaakdossier B07). Deze vondst bevestigde definitief de verdenking op grond waarvan het onderzoek ‘ [onderzoek] ’ was begonnen en de vermoedens dat de in het kader van dat onderzoek afgeluisterde gesprekken, waaronder de hiervoor besproken gesprekken over zoekacties in het vliegtuig [registratienummer] , betrekking hadden op een partij cocaïne.

Het hof overweegt hieromtrent nader dat de gesprekken die leidden tot deze vondst hetzelfde karakter hadden als de gesprekken in het onderhavige zaakdossier B02. In beide zaakdossiers werd versluierd gesproken over iets wat was verborgen in een vliegtuig, trad [medeverdachte 1] op als opdrachtgever en [medeverdachte 5] als degene die de feitelijke uitvoering van het zoeken naar dat iets moest organiseren, was sprake van hetzelfde versluierde taalgebruik en werden (onder meer) werknemers van [bedrijf] benaderd om in vliegtuigen naar dat iets te zoeken. Dat de verdachte in het geval van zaakdossier B07 niet een van die werknemers was, doet daar niet aan af. Het hof is dan ook van oordeel dat de vondst van cocaïne in zaakdossier B07 mede redengevend is voor het oordeel dat de gesprekken die zijn opgenomen in zaakdossier B02 betrekking hadden op het zoeken naar cocaïne.

- conclusie

Het hof acht gelet op het voorgaande bewezen dat de afgeluisterde gesprekken betrekking hadden op het binnen Nederland brengen van cocaïne.

- De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [medeverdachte 2]

- het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verklaring zoals die is afgelegd door de getuige [medeverdachte 2] bij de Koninklijke Marechaussee (Kmar) op 17 september 2013 niet bruikbaar is voor het bewijs, omdat deze verklaring onbetrouwbaar is, in ieder geval waar het de betrokkenheid van de verdachte betreft. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij samen met de verdachte in het vliegtuig naar drugs heeft gezocht, maar dit is strijdig met hetgeen bij observaties door zowel het onderzoeksteam als het observatieteam is waargenomen. In die observaties was de verdachte de grote afwezige. Er zijn ook geen tapgesprekken van de verdachte van 12 februari 2013. Ook uit de registraties van de Schipholpas van de verdachte blijkt dat hij op het moment van zoeken in het vliegtuig niet op Schiphol was.

- het oordeel van het hof

Nu het hof de verklaring van [medeverdachte 2] , voor zover deze inhoudt dat de verdachte op 12 februari 2013 met hem in het vliegtuig heeft gezocht naar drugs, niet zal gebruiken voor het bewijs, behoeft dit verweer geen bespreking.

- Het opzet van de verdachte

De verdediging heeft naar voren gebracht dat uit de bewijsmiddelen het opzet van de verdachte niet kan worden afgeleid, nu op zijn telefoon dan wel sd-kaarten geen foto’s van vliegtuigen of verstopplekken zijn aangetroffen, uit niets blijkt dat hij daadwerkelijk heeft gezocht naar drugs in een vliegtuig en uit niets blijkt dat hij wetenschap had van mogelijke invoer van cocaïne.

Het hof is van oordeel dat het opzet van de verdachte wel uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en overweegt daaromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode vaak met [medeverdachte 1] sprak in de hiervoor al genoemde versluierde termen. Het ging in enkele gesprekken over KLM-toestel [registratienummer] en het zoeken naar wat in dat toestel was verborgen. [medeverdachte 1] gaf hem daarbij opdrachten, onder meer om in het toestel ‘die belly’ te openen en daarvan foto’s te maken. In enkele andere gesprekken deed [medeverdachte 3] aan de verdachte verslag van de vergeefse zoektocht van [medeverdachte 4] , waarbij onder meer ter sprake kwam dat [medeverdachte 4] voorzichtig moest zijn om geen argwaan te wekken. Na deze gesprekken ging de verdachte met [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] om een en ander nader te bespreken. Na dit gesprek had [medeverdachte 1] contact met derden, waarna hij de verdachte belde met de mededeling dat ‘het’ er zeker is en dat hij weet waar, maar dat hij dat vertelt als de verdachte langskomt. Ook later blijkt dat de verdachte boodschappen van [medeverdachte 1] moest overbrengen aan [medeverdachte 4] en verslag uitbracht van wat [medeverdachte 4] had gedaan. Aan de bewijskracht van voornoemde gesprekken doet niet af dat niet kan worden bewezen dat de verdachte in voornoemd vliegtuig heeft gezocht en in zijn telefoon geen belastend materiaal is aangetroffen.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat ervan uit kan worden gegaan dat de verdachte wist waarover hij sprak en dat dit tot een bewezenverklaring van zijn opzet kan leiden. Dit zou alleen anders zijn als de verdachte een aannemelijke verklaring had afgelegd op grond waarvan een andere conclusie zou moeten worden getrokken.

In zijn verklaringen aan de politie heeft de verdachte in reactie op hem voorgehouden telefoongesprekken aanvankelijk verklaard dat hij zich die gesprekken niet kon herinneren en dat alle gesprekken over werk gingen. In overleg met zijn raadsman heeft hij zich nadien beroepen op zijn zwijgrecht. Die procespositie heeft hij ook ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep ingenomen. Weliswaar heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep ontkend zich aan het hem ten laste gelegde te hebben schuldig gemaakt, maar een aannemelijke verklaring als hiervoor bedoeld heeft de verdachte niet afgelegd.

Het hof acht bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit opzettelijk heeft gepleegd.

- Medeplegen

- het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de rol van de verdachte bij de bewezen geachte feiten van onvoldoende gewicht was om te kunnen spreken van medeplegen. De bijdrage van de verdachte kan ten hoogste als medeplichtigheid aangemerkt worden. Medeplichtigheid is niet ten laste gelegd zodat vrijspraak zou moeten volgen.

- het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal is van oordeel dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt.

- het oordeel van het hof

De betrokkenheid van de verdachte bij het bewezen geachte feit kan worden afgeleid uit de vele hiervoor genoemde en in de bewijsmiddelen opgenomen telefoongesprekken die de verdachte voerde met zijn medeverdachten.

Gelet op voornoemde vaststellingen is het hof van oordeel dat de verdachte een van de uitvoerders van het bewezen geachte feit is geweest en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht was om de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders bewezen te kunnen achten. Het verweer van de raadsman wordt dus verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 25 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    zich en anderen gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en

  • -

    vervoermiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers hebben en/of zijn hij, verdachte, en/of zijn mededaders, telkens

  • -

    gebruik gemaakt van een bedrijf, belast met het schoonmaken van vliegtuigen op Schiphol en

  • -

    met elkaar en met anderen (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en

  • -

    afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en ontmoetingen gehad en gearrangeerd en

  • -

    papieren of documenten en foto's en filmbestanden en usb-sticks verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken en

  • -

    (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de vertrek- en/of aankomstdata en/of -tijden van vliegtuigen en/of de locatie van vliegtuigen op Schiphol en

  • -

    (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden van luchthavenmedewerkers gevraagd en/of ontvangen en/of doorgegeven en

  • -

    (telefonisch) informatie verstrekt en instructie(s) gegeven en/of informatie en instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer en de bergplaats van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en

  • -

    (buiten de reguliere werktijden) het beveiligde gebied van Airside op Schiphol betreden en

  • -

    gebruik gemaakt van (een) vervoermiddel(en) van een (of meerdere) ander(e) bedrij(f)(ven) en

  • -

    aan boord van een vliegtuig gegaan om verdovende middelen te traceren en

  • -

    aan boord van een vliegtuig foto's gemaakt van verstop/bergplaatsen van verdovende middelen en

  • -

    afspraken gemaakt omtrent beloningen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen,

- zich en een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en

- vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft met anderen de invoer van cocaïne voorbereid. Hij was werkzaam voor een op Schiphol gevestigd schoonmaakbedrijf, maar hield zich daarnaast bezig met voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne. De verdachte onderhield contact met medeverdachten over de zoektocht naar in een vliegtuig verstopte cocaïne. Zij spraken hierover in versluierd taalgebruik. De verdachte was aanwezig bij een ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , een monteur van KLM die ook naar de cocaïne moest zoeken. Evenals de medeverdachte [medeverdachte 3] , fungeerde de verdachte als tussenpersoon tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . Hij bracht verslag uit aan Kaya over wat [medeverdachte 4] had gedaan. De verdachte heeft misbruik gemaakt van privileges die hij als medewerker van een op Schiphol gevestigd bedrijf had. Zo kon hij met zijn Schipholpas relatief ongestoord het terrein van de luchthaven betreden en verlaten.

Gelet op de aard en ernst van het strafbare feit past naar het oordeel van het hof als sanctie slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De verdediging heeft verwezen naar de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 2] , waarin de rechtbank heeft beslist om onder meer een taakstraf op te leggen. Het hof roept in herinnering dat de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] niet gelijk is aan de onderhavige zaak. [medeverdachte 2] heeft ervoor gekozen in een vroeg stadium openheid van zaken te geven, terwijl de verdachte een andere procespositie heeft gekozen. Dat staat hem vanzelfsprekend vrij, maar het leidt er wel toe dat hij het gerechtshof niet heeft verteld wat hem ertoe heeft gebracht zich aan de bewezen verklaarde feiten schuldig te maken. Had hij dat wel gedaan, dan bestond de mogelijkheid dat het hof in die toelichting reden had gezien de straf in duur of modaliteit te matigen, dan wel de straf deels voorwaardelijk op te leggen. Bij gebreke van een dergelijke verklaring en ook overigens ziet het hof daartoe echter geen aanleiding.

Het hof ziet evenmin aanleiding in strafmatigende zin rekening te houden met financiële en sociale gevolgen die het feit voor de verdachte heeft gehad, nu dergelijke gevolgen in soortgelijke zaken eerder regel dan uitzondering zijn en de verdachte daardoor dus niet harder is getroffen dan andere verdachten in vergelijkbare zaken.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M.M. van der Nat, in tegenwoordigheid van mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 februari 2017.