Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:478

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
23-002679-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

GVS 5 jaren en 6 maanden, m.a.

2x voltooide invoer cocaïne, voorbereidingshandelingen m.b.t. invoer cocaïne, als leider deelnemen aan een criminele organisatie.

verweren: rechtsmatigheid onderzoek/bewijsuitsluiting, betrouwbaarheidsverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002679-15

datum uitspraak: 14 februari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-840163-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

[adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 april 2016, 23, 24, 26, 30 en 31 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1. primair:
(zaakdossier B06)

hij op of omstreeks 2 juni 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

(zaakdossier B07)

hij op of omstreeks 10 juni 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 6006,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

1. subsidiair:


hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 mei 2013 tot en met 20 juni 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Hoofddorp en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland en/of in Suriname, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

  • -

    een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en),

immers heeft/hebben en/of is/zijn hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

  • -

    (meermalen) gebruik gemaakt van een bedrijf, belast met het schoonmaken van vliegtuigen op Schiphol en/of

  • -

    (meermalen) met elkaar en/of met (een of meer) anderen (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

  • -

    (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd en/of

  • -

    (meermalen) bij die ontmoeting(en) papieren en/of documenten en/of foto's en/of filmbestanden en/of usb-sticks verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken en/of

  • -

    (meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de vertrek- en/of aankomstdata en/of -tijden van vliegtuigen en/of de locatie van vliegtuigen op Schiphol en/of

  • -

    (meermalen) (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden (van luchthavenmedewerkers) gevraagd en/of ontvangen en/of doorgegeven en/of

  • -

    (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer en/of de bergplaats van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of

  • -

    (meermalen) afspraken gemaakt omtrent het vervoer van en naar (een) vliegtuig(en) en/of - (meermalen) (buiten de reguliere werktijden) het beveiligde gebied van Airside op Schiphol betreden en/of

  • -

    (meermalen) gebruik gemaakt van (een) vervoermiddel(en) van een (of meerdere) ander(e) bedrij(f)(ven) en/of

  • -

    (meermalen) aan boord van een vliegtuig gegaan om verdovende middelen te traceren en/of

  • -

    meermalen aan boord van een vliegtuig foto's en/of (een) filmbestand(en) gemaakt van verstop/bergplaatsen van verdovende middelen

  • -

    (meermalen) afspraken gemaakt omtrent het ontvangen en/of geven van een of meer geldbedragen en/of beloningen;

2:
(zaakdossier B02)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 25 maart 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Hoofddorp en/of Haarlem en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

  • -

    een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en),

immers heeft/hebben en/of is/zijn hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

  • -

    (meermalen) gebruik gemaakt van een bedrijf, belast met het schoonmaken van vliegtuigen op Schiphol en/of

  • -

    (meermalen) met elkaar en/of met (een of meer) anderen (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

  • -

    (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd en/of

  • -

    (meermalen) bij die ontmoeting(en) papieren en/of documenten en/of foto's en/of filmbestanden en/of usb-sticks verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken en/of

  • -

    (meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de vertrek- en/of aankomstdata en/of -tijden van vliegtuigen en/of de locatie van vliegtuigen op Schiphol en/of

  • -

    (meermalen) (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden (van luchthavenmedewerkers) gevraagd en/of ontvangen en/of doorgegeven en/of

  • -

    (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer en/of de bergplaats van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of

  • -

    (meermalen) afspraken gemaakt omtrent het vervoer van en naar (een) vliegtuig(en) en/of

  • -

    (meermalen) (buiten de reguliere werktijden) het beveiligde gebied van Airside op Schiphol betreden en/of

  • -

    (meermalen) gebruik gemaakt van (een) vervoermiddel(en) van een (of meerdere) ander(e) bedrij(f)(ven) en/of

  • -

    (meermalen) aan boord van een vliegtuig gegaan om verdovende middelen te traceren en/of

  • -

    meermalen aan boord van een vliegtuig foto's en/of (een) filmbestand(en) gemaakt van verstop/bergplaatsen van verdovende middelen en/of

  • -

    (meermalen) afspraken gemaakt omtrent het ontvangen en/of geven van een of meer geldbedragen en/of beloningen.


3:
(zaakdossier B08)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 juni 2013 tot en met 8 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Hoofddorp en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland en/of in Suriname, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

  • -

    een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en),

immers heeft/hebben en/of is/zijn hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

  • -

    (meermalen) gebruik gemaakt van een bedrijf, belast met het schoonmaken van vliegtuigen op Schiphol en/of

  • -

    (meermalen) met elkaar en/of met (een of meer) anderen (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

  • -

    (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd en/of

  • -

    (meermalen) bij die ontmoeting(en) papieren en/of documenten en/of foto's en/of filmbestanden en/of usb-sticks verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken en/of

  • -

    (meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de vertrek- en/of aankomstdata en/of -tijden van vliegtuigen en/of de locatie van vliegtuigen op Schiphol en/of

  • -

    (meermalen) (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden (van luchthavenmedewerkers) gevraagd en/of ontvangen en/of doorgegeven en/of

  • -

    (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer en/of de bergplaats van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of

  • -

    (meermalen) afspraken gemaakt omtrent het vervoer van en naar (een) vliegtuig(en) en/of

  • -

    (meermalen) (buiten de reguliere werktijden) het beveiligde gebied van Airside op Schiphol betreden en/of

  • -

    (meermalen) gebruik gemaakt van (een) vervoermiddel(en) van een (of meerdere) ander(e) bedrij(f)(ven) en/of

  • -

    (meermalen) aan boord van een vliegtuig gegaan om verdovende middelen te traceren en/of

  • -

    meermalen aan boord van een vliegtuig foto's en/of (een) filmbestand(en) gemaakt van verstop/bergplaatsen van verdovende middelen

  • -

    (meermalen) afspraken gemaakt omtrent het ontvangen en/of geven van een of meer geldbedragen en/of beloningen

4:
(zaakdossier B11)

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 januari 2013 tot en met 8 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Hoofddorp en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), waartoe hij, verdachte en/of zijn mededader(s) en/of andere personen behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, te weten

  • -

    het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, althans een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, (artikel 2A OW jo 10 lid 5 OW) en/of

  • -

    het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, althans een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,

* zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

* een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

* voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, uit efficiencyoverwegingen en omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Rechtmatigheid onderzoek /bewijsuitsluiting

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat bij de start van het onderzoek [naam onderzoek] op 3 december 2012 ten aanzien van de verdachte onvoldoende verdenking bestond dat hij betrokken was bij overtreding van de Opiumwet. Uit de aan de verdenking ten grondslag gelegde argumenten – CIE-informatie uit april 2012, een telefooncontact met Peru in mei 2012, het overhandigen van geld op 23 juni 2012 en de observaties in het onderzoek [naam onderzoek] in februari en april 2011 – kon niet een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit worden afgeleid. De rechter-commissaris heeft daarom ten onrechte machtigingen afgegeven tot het opnemen van telecommunicatie en het opnemen van vertrouwelijke communicatie. Een en ander zou dienen te leiden tot bewijsuitsluiting van het door middel van het opnemen van telecommunicatie en vertrouwelijke communicatie verkregen bewijsmateriaal.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal is van oordeel dat er wel voldoende verdenking was tegen de verdachte bij de start van het onderzoek [naam onderzoek] .

Overwegingen hof

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat bij de start van het onderzoek [naam onderzoek] tegen de verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet bestond.

Het hof wijst erop dat aan de verdenking zoals verwoord in het ‘start’ proces-verbaal [naam onderzoek] van 11 december 2012 (map 01, dossier A, algemeen dossier, p. 001), ten grondslag zijn gelegd:

* Twee CIE-processen verbaal onder meer inhoudende:

CIE proces-verbaal [nr.]

“ [verdachte] , de eigenaar van [bedrijf] houdt zich bezig met de invoer van drugs in Nederland, onder meer via de luchthaven Schiphol. Hij beschikt over meerdere methodes. [verdachte] rijdt in een Audi waarop de naam van zijn [bedrijf] schoonmaak staat weergegeven. [verdachte] maakt gebruik van de volgende telefoonnummers; [telefoonnummers] ”

en

CIE proces-verbaal [nr.]

“ [verdachte] , de eigenaar van [bedrijf] houdt zich bezig met de invoer van drugs in Nederland. Het bedrijf van [verdachte] maakt vliegtuigen schoon op de luchthaven Schiphol. Door schoonmakers van dit bedrijf worden partijen cocaïne buiten het luchthaven terrein gebracht.

De cocaïne moet in deze gevallen geplaatst worden in KLM toestellen van het model 777 type 300 of 200. Er mag geplaatst worden op vluchten vanuit de landen Ecuador, Panama en Mexico. [verdachte] geeft aan dat deze lijn 100% zeker is. [verdachte] belooft dat als zijn personeel aan boord van het toestel gaat om drugs weg te halen, dit onder toeziend oog van een corrupte opsporingsambtenaar gebeurt. Deze opsporingsambtenaar wordt per doorlating betaald.

[verdachte] wil voor zijn diensten 30% van de gesmokkelde hoeveelheid drugs ontvangen of men kan cash bij hem betalen.”

In de beide CIE processen-verbaal is opgenomen dat de informatie in de maand april 2012 is ontvangen.

* Een onderzoek bij de Kamer van Koophandel waaruit volgt dat [verdachte] gevolmachtigde is van [bedrijf]

* Een onderzoek telecommunicatie waaruit volgt dat het in het CIE- proces-verbaal genoemde [telefoonnummer] diverse keren gebeld heeft naar een Peruaans telefoonnummer op 9 mei 2012. Op 17 mei 2012 werd er door een Peruaans telefoonnummer gebeld naar het genoemde telefoonnummer.

* Een mutatie in de bedrijfsprocessensystemen van de politie betreffende een verdachte situatie op 24 juni 2012. Door een verbalisant is toen gezien dat [verdachte] een groot geldbedrag overhandigde aan [medeverdachte 1] .

* Bevindingen uit het onderzoek [naam onderzoek] inhoudende observaties van ontmoetingen tussen [verdachte] en [persoon 1] op 9 februari 2011 en 13 april 2011. [persoon 1] is op 14 november 2012 veroordeeld voor invoer van verdovende middelen.

Het hof is van oordeel dat de in het startproces-verbaal opgenomen informatie – in onderlinge samenhang bezien – ten aanzien van [verdachte] voldoende concreet en specifiek was om hier een verdenking op te baseren ten aanzien van overtreding van de Opiumwet. Het enkele feit dat de CIE-informatie enkele maanden oud was, maakt dit niet anders. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de CIE-informatie geen betrekking had op een eenmalig incident, maar op een voortdurend handelen van [verdachte] en het schoonmaakbedrijf waarbij hij betrokken was.

Het bedoelde startproces-verbaal is vanaf januari 2013 ten grondslag gelegd aan meerdere vorderingen waarin [verdachte] als verdachte wordt genoemd. Deze vorderingen zijn gericht tot de rechter-commissaris en beogen machtiging van de officier van justitie tot het geven van een bevel opnemen telecommunicatie. Een vordering tot machtiging van de officier van justitie tot het geven van een bevel opnemen vertrouwelijke communicatie noemt, anders dan de raadsman kennelijk veronderstelt, de medeverdachte [medeverdachte 2] als verdachte. Deze vordering is pas gedaan op 29 maart 2013. Zij is daarbij onderbouwd met niet alleen het eerder genoemde startproces-verbaal, maar ook met na de start gebleken onderzoeksresultaten. Deze houden in dat [medeverdachte 2] samen met de verdachte gebruikmaakte van een Audi A3 en dat zij gezamenlijke ontmoetingen hadden met anderen (map 39, dossier D1.3, [medeverdachte 2] , p. 536-551). Het algemeen proces-verbaal houdt in dat het opnemen van vertrouwelijke communicatie plaatsvond nadat inzet van andere opsporingsmiddelen onvoldoende resultaat had gehad (map 01, dossier A, algemeen dossier, p. 055).

Gezien de uit het startproces-verbaal naar voren komende verdenking tegen [verdachte] , heeft de rechter-commissaris in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen tot het afgeven van de gevorderde machtigingen ten aanzien van het opnemen van telecommunicatie. Hetzelfde geldt voor de machtigingen tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie.

Nu geen sprake is van enig vormverzuim ten aanzien van het opnemen van telecommunicatie en het opnemen van vertrouwelijke communicatie, kunnen de resultaten van deze opsporingsmiddelen voor het bewijs worden gebruikt. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bespreking van een verweer strekkend tot bewijsuitsluiting

- het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de bij de Koninklijke Marechaussee op 17 september 2013 door [medeverdachte 3] afgelegde verklaring onbruikbaar is voor het bewijs en niet mag worden meegenomen in de bewijsoverwegingen van het hof. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat het verhoor van [medeverdachte 3] niet is onderbroken toen hij om een advocaat vroeg, terwijl hij daarna belastend voor de verdachte heeft verklaard. Daardoor is sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De Schutznorm moet in dit geval niet worden toegepast omdat – althans zo begrijpt het hof de verdediging – de verbalisanten hebben gezocht naar een zwakke plek in de verdedigingslinie en die hebben gevonden in [medeverdachte 3] . Hij is niet aangehouden, consulteerde geen advocaat en beriep zich niet op zijn zwijgrecht.

- het oordeel van het hof

Bij de beoordeling van het verweer stelt het hof voorop dat schending van het recht op rechtsbijstand van een verdachte ten aanzien van een medeverdachte in de regel geen gevolg heeft, tenzij door dat vormverzuim bij de totstandkoming van de verklaring van een medeverdachte de betrouwbaarheid van die verklaring wezenlijk is beïnvloed.

Zoals hieronder nader zal worden besproken is het hof van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 3] betrouwbaar is. Derhalve ziet het hof geen reden af te wijken van voornoemde hoofdregel.

De suggestie dat de verbalisanten of het openbaar ministerie juist [medeverdachte 3] doelbewust hebben uitgekozen om hem als niet-aangehouden en minder weerbare verdachte buiten het bereik van een advocaat belastende verklaringen te laten afleggen over diens medeverdachten, is door de verdediging niet nader onderzocht of onderbouwd. Ook overigens is voornoemde suggestie niet aannemelijk geworden. Het voorgaande brengt met zich mee dat, zo al sprake is geweest van een schending van [medeverdachte 3] recht op rechtsbijstand, daardoor niet mede sprake is van schending van enig rechtens te beschermen belang van de verdachte. Het verweer wordt verworpen.

Overwegingen omtrent het bewijs in zaakdossiers B02, B06, B07 en B08

- inleiding

In december 2012 is tegen de verdachte een opsporingsonderzoek gestart onder de naam ‘ [naam onderzoek] ’. Dit opsporingsonderzoek heeft geleid tot een proces-verbaal dat bestaat uit verschillende zaakdossiers. Deze zaakdossiers behelzen telkens feiten en omstandigheden waaruit het openbaar ministerie afleidt dat de verdachte en anderen in 2013 cocaïne binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht en/of voorbereidingshandelingen met betrekking tot verboden handelingen met cocaïne hebben verricht. Daarbij zou het [bedrijf] , dat op Schiphol onder meer schoonmaakwerkzaamheden in vliegtuigen uitvoerde, als dekmantel hebben gefungeerd.

Uit een van de voornoemde zaakdossiers komt naar voren dat door de Koninklijke Marechaussee (KMar) op 10 juni 2013 daadwerkelijk cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen. In de zaken die worden beschreven in de overige zaakdossiers is geen cocaïne aangetroffen.

Het door het openbaar ministerie als bewijs gepresenteerde materiaal ten aanzien van laatstgenoemde zaakdossiers bestaat – kort samengevat en onder meer – uit de inhoud van tussen de verdachte en andere verdachten gevoerde afgeluisterde en opgenomen gesprekken, verslagen van observaties, gegevens van in- en uitgangen voor personeel op Schiphol en foto’s die werden aangetroffen in onder de verdachten inbeslaggenomen telefoons en gegevensdragers. Die foto’s tonen onder meer mogelijke verbergplaatsen in vliegtuigen en ‘screenshots’ van het CISS-systeem met aankomst- en vertrektijden van vliegtuigen. Daarnaast bevat het dossier een verklaring van de verdachte [medeverdachte 3] , een oud werknemer van het [bedrijf] . Die verklaring houdt in dat [medeverdachte 3] in februari 2013 in opdracht van de verdachte in een vliegtuig heeft gezocht naar drugs.

Aan de verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij medepleger is van voorbereidingshandelingen zoals omschreven in zaakdossiers B02 en B08. Daarnaast is de verdachte ten laste gelegd de invoer van cocaïne zoals omschreven in zaakdossier B06. Wat deze zaakdossiers gemeen hebben, is dat in geen van alle daadwerkelijk cocaïne is aangetroffen. Dat is anders in zaakdossier B07. Daar is wel een hoeveelheid van ongeveer zes kilo cocaïne in beslag genomen. De verdachte heeft ontkend zich aan de hem ten laste gelegde feiten te hebben schuldig gemaakt.

- algemene overwegingen met betrekking tot tap- en OVC-gesprekken

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit met name de zich in het dossier bevindende tap- en OVC-gesprekken kan worden afgeleid dat de verdachte de hem ten laste gelegde voorbereidingshandelingen en de herhaalde invoer van cocaïne in Nederland heeft gepleegd. De verdediging heeft het tegendeel bepleit.

Voor de beoordeling van de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde feiten is (onder andere) van belang welke bewijswaarde moet worden toegekend aan de inhoud van die afgeluisterde en opgenomen telefoon- en OVC-gesprekken.

Over de uitleg van de OVC- en tapgesprekken merkt het hof in algemene zin het volgende op.

Het hof kan (meestal) niet zonder meer aannemen dat afgeluisterde gesprekken over bepaalde strafbare gedragingen gaan, als de verdachte dat ontkent en anderen daarover niet rechtstreeks belastend verklaren. Als gelet op daarin gebruikte woorden de betekenis van die gesprekken niet zonder meer duidelijk is, moet de rechter voorzichtig zijn bij het interpreteren daarvan. Die voorzichtigheid brengt mee dat moet worden onderzocht of die gesprekken in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Dat houdt in dat wordt gekeken naar de inhoud en chronologie van die gesprekken en naar de kring van deelnemers daaraan. Ook wordt bezien hoe het overige bewijsmateriaal in het dossier zich tot die gesprekken verhoudt. Beoordeeld moet worden of de conclusie kan worden getrokken dat schijnbaar onschuldige gesprekken in werkelijkheid gaan over strafbare feiten. Bij die beoordeling kan ook van belang zijn wat er over de deelnemers aan de gesprekken, of over anderen die in die gesprekken worden genoemd, bekend is. Als bijvoorbeeld is gebleken dat zij op de één of andere manier bij het strafbare feit of soortgelijke strafbare feiten betrokken zijn, kan dat meewegen bij de interpretatie. Ten slotte kan het hof onder omstandigheden ten nadele van de verdachte conclusies trekken uit zijn zwijgen of niet-verifieerbaar dan wel ongeloofwaardig verklaren naar aanleiding van aan hem gestelde vragen over de inhoud van door hem gevoerde telefoongesprekken.

Tot de conclusie dat de gesprekken gaan over strafbare gedragingen en dat de verdachte daaraan een betekenisvolle bijdrage heeft geleverd, kan pas worden gekomen als op grond van het samenstel van alle relevante feiten en omstandigheden redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk is.

- de interpretatie van de tap- en OVC-gesprekken

Met betrekking tot de interpretatie van de afgeluisterde telefoongesprekken overweegt het hof als volgt.

Het hof is van oordeel dat tot geen andere conclusie kan worden gekomen dan dat in de gesprekken versluierde taal werd gebruikt. Ten eerste is regelmatig het woord ‘auto’ gebruikt waar ‘vliegtuig’ werd bedoeld. Dat blijkt onder meer uit het als bewijsmiddel 316 gehanteerde gesprek, waarin de [medeverdachte 1] zich verspreekt (‘vliegtuig .. uhh.. auto’). Een ander voorbeeld is het als bewijsmiddel 319 gehanteerde gesprek waarin in relatie tot het (door een derde) vergeefs zoeken van ‘de plek van de storing van de auto’ wordt gesproken over vier a vijf watertanks en over luchttanks. In dat gesprek zegt de verdachte ter instructie aan voornoemde derde het volgende: ‘als hij vanuit de voorkant naar beneden komt …hij moet tot het einde lopen …. er is toch een muur’ en ‘als je de gordijn weghaalt daar achter staat ie dan’. Het is evident dat dit gesprek niet over de plaats van een storing in een auto (of busje) kan gaan. Daarentegen past deze instructie goed bij de situatie in een vrachtruim van een vliegtuig.

Ook heeft het hof geconstateerd dat met het woord ‘garage’ werd geduid op vliegtuighangar 11. Weer bij wijze van voorbeeld wijst het hof op het als bewijsmiddel 395 gehanteerde gesprek waarin de [medeverdachte 1] gebruikmaakte van het telefoontoestel van [medeverdachte 3] . Dit gesprek vond plaats kort nadat [medeverdachte 3] in het vliegtuig [registratienummer] was geweest. De verdachte zegt in dit gesprek dat ‘het’ naar ‘de garage’ gaat. Enkele minuten later werd voornoemd toestel naar hangar 11 gesleept (bewijsmiddel 393).

Wanneer de gesprekken aldus ‘vertaald’ worden gelezen en daarbij wordt gelet op hun chronologie, onderlinge samenhang en de gegevens met betrekking tot de bewegingen van het toestel [registratienummer] , kan daaruit niet anders worden geconcludeerd dan dat in opdracht van de verdachte een zoektocht werd ingesteld naar iets wat in voornoemd vliegtuig was verborgen en daar heimelijk uit moest worden verwijderd. Uit de gesprekken komt niet naar voren wat dat ‘iets’ was. Ook hierover werd in versluierde termen gesproken met woorden als ‘het’ en ‘dinges’. Wel wordt in een van de gesprekken gezegd dat bij het zoeken rustig aan gedaan wordt ‘om geen wantrouwen te wekken’ (bewijsmiddel 320).

Ook zaakdossier B08 bevat voorbeelden van dergelijk versluierd taalgebruik. Zo vraagt [medeverdachte 4] op 14 juni 2013 in een afgeluisterde auto aan de verdachte: “heeft hij het boek gevonden?” De verdachte antwoordt hierop: “Nee nee, ik [heb] naar het nummer ervan gevraagd. Drieëndertig, waar dat zich ergens bij de vleugel bevindt. Hij zegt precies 4 rijen achter de vleugel. Dus de scan haalt dat niet. En hij zegt dat deze auto niet gescand wordt.” (zaakdossier B08 pagina 160) En in een telefoongesprek op 4 juli 2013 tussen de verdachte en [medeverdachte 4] zegt de verdachte: “de auto van [persoon 2] is gisteren niet vertrokken/gegaan.” [medeverdachte 4] antwoordt: “ha hier staat geschreven dat de auto van [persoon 2] twaalf uur twintig er is.” Enkele minuten later, in een volgend telefoongesprek zegt de verdachte tegen [medeverdachte 4] : “eigen auto van [persoon 2] , die is er al hier.” Waarop [medeverdachte 4] antwoordt: “ja, oké papa, ook al zou hij vandaag vliegen (…)”. Het moge duidelijk zijn dat ook deze gesprekken niet over auto’s, maar over een vliegtuig gaan; een vliegtuig waarin zich een ‘boek’ bevindt.

Zaakdossier B06 bevat vergelijkbare voorbeelden van versluierd taalgebruik. Op 1 juni 2013 bijvoorbeeld stuurt [persoon 3] een sms-bericht naar [verdachte] met onder andere de tekst: “ze zitten erop” (bewijsmiddel 34). Op 2 juni 2013 vraagt de verdachte aan [persoon 3] : “Weten zij zeker dat de gasten is hier al? [persoon 3] antwoordt: “ja”, waarop de verdachte zegt: “Ja? Nee ok want ik ga zo direct de catering bestellen dus daarom?” (bewijsmiddel 54). Even later geeft [persoon 3] aan de verdachte het volgende door: “hij woont op nummer 38” (bewijsmiddel 65). Ruim een uur later belt de verdachte met [medeverdachte 4] en vraagt hem of er nieuws is. [medeverdachte 4] antwoordt: “er is niks. Er is geen mogelijkheid dat je daar met je hand naar binnen kan. De verdachte vraagt: “waar kun je daar, bij de wand, met je hand naar binnen?... Helemaal onderaan, bovenaan.., in dezelfde rij?” [medeverdachte 4] zegt dan dat ze zelfs een filmpje hebben gemaakt. (bewijsmiddel 76). Op dit filmpje, dat op [medeverdachte 4] ’s telefoon is aangetroffen, is te zien dat aan boord van een KLM-toestel aan een wandpaneel wordt getrokken, waarna zichtbaar is dat er onderaan de wand niets achter dit paneel ligt. (bewijsmiddel 77). Weer wat later vertelt [persoon 3] aan de verdachte dat ze hoger moeten zoeken, meer bij de hoofdruimte (bewijsmiddel 86). En nog weer wat later belt [medeverdachte 4] de verdachte met de mededeling dat er maar één vriend gekomen is (bewijsmiddel 89), waarna de verdachte weer contact opneemt met [persoon 3] en hem zegt dat ‘ze’ alleen maar één kopje koffie hebben. Gelet op voornoemd filmpje, de samenhang met de overige gesprekken en de Schipholpasgegevens kan het niet anders dan dat in versluierde termen werd gesproken over iets dat achter een wandpaneel in de cabine van een vliegtuig was verborgen.

Het taalgebruik in zaakdossier B07 ten slotte is volstrekt vergelijkbaar. Ook in die gesprekken wordt versluierd gesproken over de aankomst van een vliegtuig, de plaats waar in dat vliegtuig iets was verborgen en het aantal verborgen kilo’s. Deze versluierde aanduidingen kwamen overeen met de verbergplaats in het vliegtuig en het aantal kilo’s cocaïne dat daarin werd gevonden.

Over personen werd in de gesprekken ook versluierd gesproken. Voor meerdere verdachten werden bijnamen gebruikt. [medeverdachte 3] werd bijvoorbeeld aangeduid als ‘ [bijnaam] ’ en [persoon 4] als ‘ [bijnaam] ’. Ook [medeverdachte 5] werd versluierd aangeduid als ‘de vriend in de garage’ en ‘de monteur’. Dat leidt het hof onder meer af uit het feit dat [medeverdachte 5] als monteur in hangar 11 (‘de garage’) werkzaam was en dat in meerdere tapgesprekken, kort nadat met het nummer van [medeverdachte 5] was gebeld, verslag werd gedaan van zoekacties in het vliegtuig. In een aantal gesprekken werd voorts zijn voornaam ‘ [medeverdachte 5] ’ genoemd en hij werd gezien bij een bespreking die eveneens over het zoeken ging, zoals uit de direct daaraan voorafgaande gesprekken kan worden afgeleid.

- het bewijs dat gezocht werd naar cocaïne

Hetgeen hiervoor over de afgeluisterde gesprekken is overwogen brengt met zich mee dat, ook wanneer deze gesprekken met de nodige behoedzaamheid worden beoordeeld, deze reeds op zichzelf beschouwd een belangrijke aanwijzing opleveren dat zij gaan over het zoeken naar in een vliegtuig in Nederland binnengesmokkelde cocaïne. Dat ‘het’, ‘dinges’, ‘iets’ en ‘boek’ waarnaar werd gezocht heel wel cocaïne zou kunnen zijn ligt voor de hand: de ervaring leert dat het veelvuldig voorkomt dat in vliegtuigen cocaïne wordt verborgen, zeker wanneer sprake is van vluchten vanuit Zuid-Amerikaanse landen, zoals in de onderhavige zaak. Een bevestiging daarvan vindt het hof ten eerste in de verklaring van [medeverdachte 3] , dat hij in opdracht van de verdachte moest zoeken naar drugs. Een verdere bevestiging vindt het hof in de vondst van cocaïne op 10 juni 2013, nadat het opsporingsteam naar aanleiding van gesprekken tussen onder meer de verdachte en [medeverdachte 4] het ernstig vermoeden had gekregen dat (opnieuw) een zending cocaïne zou arriveren (zaakdossier B07). Deze vondst bevestigde definitief de verdenking op grond waarvan het onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’ was begonnen en de vermoedens dat de in het kader van dat onderzoek afgeluisterde gesprekken, waaronder de hiervoor besproken gesprekken over zoekacties in het vliegtuig [registratienummer] , betrekking hadden op een partij cocaïne.

Het hof overweegt hieromtrent nader dat de gesprekken die leidden tot deze vondst hetzelfde karakter hadden als de gesprekken in de onderhavige zaakdossiers B02, B06 en B08. In al deze zaakdossiers werd versluierd gesproken over iets wat was verborgen in een vliegtuig, trad de verdachte op als opdrachtgever en [medeverdachte 4] als degene die de feitelijke uitvoering van het zoeken naar dat iets moest organiseren, was sprake van hetzelfde versluierde taalgebruik en werden (onder meer) werknemers van [bedrijf] benaderd om in vliegtuigen naar dat iets te zoeken. Het hof is dan ook van oordeel dat de vondst van cocaïne in zaakdossier B07 mede redengevend is voor het oordeel dat de gesprekken die zijn opgenomen in de zaakdossiers B02, B06 en B08 betrekking hadden op het zoeken naar cocaïne.

Het hof acht gelet op het voorgaande bewezen dat de afgeluisterde telefoongesprekken betrekking hadden op het binnen Nederland brengen van cocaïne. Het hof is, gelet op de gesprekken en de overige bewijsmiddelen in zaakdossier B06, voorts van oordeel dat daaruit kan worden afgeleid dat één kilo cocaïne in Nederland werd ingevoerd. Deze kilo werd aangeduid als ‘een vriend’ (bewijsmiddel 89) en ‘een kopje koffie’ (bewijsmiddel 93).

- De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [medeverdachte 3]

- het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verklaring zoals die is afgelegd door de getuige [medeverdachte 3] bij de Koninklijke Marechaussee (KMar) op 17 september 2013 niet bruikbaar is voor het bewijs, omdat deze verklaring onbetrouwbaar is. Die onbetrouwbaarheid zou gelegen zijn in het feit dat [medeverdachte 3] later bij andere verhoren heeft verklaard dat hij niet wist waarnaar hij zocht, terwijl hij bij de KMar heeft verklaard dat hij zocht naar drugs. Verder is betoogd dat [medeverdachte 3] in zijn verklaring bij de KMar slechts geconcludeerd heeft dat hij zocht naar drugs en dat [medeverdachte 3] daarbij gevoed is door informatie van de KMar. De verbalisanten hebben [medeverdachte 3] immers bij het begin van zijn verhoor medegedeeld dat hij verdacht werd van het plegen van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet.

- het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [medeverdachte 3] zoals afgelegd op 17 september 2013 betrouwbaar is, omdat [medeverdachte 3] bij latere verhoren niet is teruggekomen op zijn verklaring dat hij naar drugs heeft gezocht.

- het oordeel van het hof

[medeverdachte 3] is door de KMar op 17 september 2013 als verdachte gehoord. Op 15 mei 2014 is hij als getuige gehoord door de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Holland. Bij die gelegenheid heeft hij zich op zijn verschoningsrecht beroepen. Bij de behandeling van de zaak [naam onderzoek] door de rechtbank is hij ter terechtzitting gehoord als getuige in de zaken van de medeverdachten. In hoger beroep is [medeverdachte 3] – zijn zaak was toen onherroepelijk – opnieuw gehoord als getuige ter terechtzitting.

[medeverdachte 3] heeft in zijn verklaring van 17 september 2013 verklaard dat hij op 12 februari 2013 in een KLM-vliegtuig in opdracht van de verdachte in de cabine is gaan kijken of daar drugs waren. Meer specifiek heeft hij verklaard dat hij moest kijken in de cabine bij een stoelrooster, beneden in het rooster bij de voeten tegen de zijkant. [medeverdachte 3] zou hiervoor € 500 krijgen. Het enige dat hij daarvoor moest doen was het doorgeven als hij drugs zou zien zitten. [medeverdachte 3] heeft geen drugs aangetroffen en geen geld gekregen.1

In zijn als getuige afgelegde verklaringen ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is [medeverdachte 3] niet expliciet teruggekomen op zijn bij de KMar afgelegde verklaring als verdachte. In beide instanties heeft hij opnieuw verklaard dat hij in opdracht van Kaya op 12 februari 2013 in een vliegtuig heeft gezocht. In eerste aanleg heeft hij weliswaar verklaard dat hij niet wist waarnaar hij moest zoeken, maar ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij de vraag of hij op 17 september 2013 naar waarheid had verklaard dat hij naar drugs had gezocht als volgt beantwoord: “Als er in het verhoor staat ‘drugs’, dan zal ik dat waarschijnlijk gezegd hebben”. Op de vraag van de voorzitter of dat dan waar was antwoordde hij vervolgens: “Bij mijn denken wel”. Het hof begrijpt dit als een bevestiging van zijn politieverklaring. Voorts heeft [medeverdachte 3] toen verklaard dat het verzoek van de verdachte geen verband hield met zijn werk als schoonmaker. Hoewel [medeverdachte 3] , zoals de verdediging terecht heeft gesteld, tijdens diezelfde zitting ook heeft verklaard dat zijn verklaring gebaseerd zou kunnen zijn op een conclusie, hecht het hof daaraan geen geloof.

Het hof vindt daarbij in hetgeen de verdediging daaromtrent heeft aangevoerd aanleiding nog het volgende te overwegen.

Het enkele feit dat [medeverdachte 3] bij de KMar eerst heeft ontkend en later heeft bekend te hebben gezocht naar drugs, maakt niet dat getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Van enige sturing door de verbalisanten is het hof niet gebleken. In de enkele mededeling aan het begin van het verhoor van 17 september 2013 dat hij verdacht werd van het plegen van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet kan zo’n sturing niet worden gevonden. Het hof wijst er overigens op dat in de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor is voorgeschreven dat aan de niet-aangehouden verdachte voor het verhoor wordt meegedeeld waarvan hij wordt verdacht.

Ook het verhoor zelf geeft geen aanwijzing voor sturing door de verbalisanten. Direct voordat het woord ‘drugs’ voor het eerst viel, werd aan [medeverdachte 3] de open vraag gesteld: “Wat moest jij op een KLM kist?” [medeverdachte 3] antwoordde daarop: ‘Ik ben bang om het te vertellen. Ik moest iets zoeken in die kist”, waarop gevraagd werd: “Wat moest je zoeken?", waarna [medeverdachte 3] zei: “Voor hetgeen ik hier nu zit’.2 Dat antwoord kan niet anders worden begrepen dan dat [medeverdachte 3] doelde op verdovende middelen. Pas daarna werd de gesloten vraag “Moest u kijken naar verdovende middelen?” gesteld, hetgeen [medeverdachte 3] bevestigde.

Dat [medeverdachte 3] in zijn twee verklaringen als getuige op de terechtzitting wisselend over zijn wetenschap met betrekking tot het doel van zijn zoektocht heeft verklaard doet niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Het hof wijt de inconsistenties op dit punt aan het feit dat [medeverdachte 3] hetzij zichzelf niet opnieuw wilde belasten, hetzij het moeilijk vond zijn beschuldigende verklaring in aanwezigheid van de verdachten te herhalen. Ook is natuurlijk mogelijk dat zijn geheugen hem parten heeft gespeeld.

De verklaring van [medeverdachte 3] zoals afgelegd bij zijn verhoor door de KMar op 17 september 2013 acht het hof gezien het al het hiervoor overwogene betrouwbaar en bruikbaar als bewijsmiddel. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

Het hof overweegt ten overvloede dat het enkele feit dat [medeverdachte 3] in opdracht van de verdachte buiten zijn werk om naar ‘iets’ moest zoeken in een KLM-toestel al mede redengevend is voor de conclusie dat dit ‘iets’ drugs betrof. De verdachte, noch een van de andere verdachten, heeft immers een aannemelijke verklaring afgelegd die inhoudt dat en waarom aan [medeverdachte 3] een zoekopdracht werd gegeven en dat [medeverdachte 3] naar iets anders dan drugs zou hebben gezocht.

- Het opzet van de verdachte

De verdediging heeft naar voren gebracht dat uit de bewijsmiddelen het opzet van de verdachte op de invoer van cocaïne dan wel de voorbereiding daarvan niet kan worden afgeleid. Daartoe is betoogd dat in zaakdossier B06 geen cocaïne in beslag is genomen, in B07 er geen bewijs is dat de opgenomen gesprekken van de verdachte gaan over cocaïne, in B02 onvoldoende bewijs is voor de voorbereidingshandelingen en in B08 evenmin voldoende bewijs is voor de voorbereidingshandelingen.

Het hof is van oordeel dat het opzet van de verdachte wel uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het overweegt daaromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende. Ten eerste heeft de getuige [medeverdachte 3] verklaard dat de verdachte hem heeft opgedragen in een vliegtuig naar verdovende middelen te zoeken. Deze verklaring is, bezien in samenhang met wat hiervoor werd overwogen op zichzelf reeds voldoende voor een bewezenverklaring van wat is ten laste gelegd onder feit 3. Het hof is echter van oordeel dat zelfs zonder die verklaring het opzet van de verdachte met betrekking tot dat feit in voldoende mate uit de overige bewijsmiddelen blijkt.

De verdachte sprak in de ten laste gelegde periode veelvuldig met medeverdachten, zoals zijn zoon, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] . Zoals hiervoor overwogen, werd in de bedoelde gesprekken in versluierde termen gesproken over vliegtuigen (auto’s), de hangar (garage) en hadden alle in de bewijsmiddelen opgenomen gesprekken betrekking op cocaïne. De verdachte gaf daarbij opdrachten aan zijn medeverdachten om in een vliegtuig op door hem aangegeven plaatsen te zoeken naar cocaïne. De verdachte vroeg ook om foto’s te maken van de plaatsen waar was gezocht.

De afgeluisterde gesprekken in zaakdossier B06 hebben hetzelfde karakter. Uit die gesprekken kan, wanneer zij worden ‘vertaald’, worden afgeleid dat op 2 juni 2013 een kilo cocaïne is gevonden.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich de gesprekken inhoudelijk niet meer kan herinneren, maar dat ze altijd gingen over de werkzaamheden van het schoonmaakbedrijf. Het hof kan deze uitleg van de gesprekken door de verdachte niet volgen. In geen van de opgenomen gesprekken is namelijk sprake van een aan schoonmaakwerk te relateren inhoud. Het hof laat dan nog daar dat uit het dossier naar voren komt dat de verdachte niet meer als leidinggevende/werknemer bij het schoonmaakbedrijf was betrokken ten tijde van de ten laste gelegde feiten en er geen reden kan zijn om versluierd over reguliere schoonmaakwerkzaamheden te spreken.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat ervan uit kan worden gegaan dat de verdachte wist waar hij over sprak en dat dit tot een bewezenverklaring van zijn opzet kan leiden. Dit zou alleen anders zijn als de verdachte een aannemelijke verklaring had afgelegd op grond waarvan een andere conclusie zou moeten worden getrokken. Een dergelijke aannemelijke verklaring ontbreekt.

Het hof acht bewezen dat de verdachte de hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten opzettelijk heeft gepleegd.

Overwegingen omtrent het bewijs in zaakdossier B11

De verdachte is ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van strafbare feiten zoals opgenomen in de artikel(en) 10 en/of 10a van de Opiumwet.

Voor de bewezenverklaring van ‘een organisatie’ als voornoemd is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Van deelname is sprake als de verdachte hoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Voor strafbare deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat er een organisatie bestaat en dat die organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Wetenschap van een of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd is niet vereist, als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Evenmin is vereist dat de betrokkene daadwerkelijk heeft deelgenomen aan (alle) gepleegde misdrijven, noch dat hij heeft samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uit maken van de organisatie.

Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat bewezen zal worden verklaard dat de verdachte zich met anderen heeft schuldig gemaakt aan de invoer van een hoeveelheid cocaïne Nederland en aan het plegen van voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne in Nederland. Ook acht het hof bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de invoer van zes kilo cocaïne zoals ten laste gelegd onder feit 1. Reeds uit deze bewezen geachte feiten volgt dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen de verdachte en anderen gericht op het (voorbereiden van) invoeren in Nederland van verdovende middelen.

- duurzaam samenwerkingsverband

De samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten vond plaats binnen het kader van een groter samenwerkingsverband waarvan diverse personen deel uitmaakten. De zaakdossiers B02, B05, B06, B07 en B08 hebben onder meer gemeenschappelijk dat de verdachte daarin telkens een prominente rol speelt. Voorts blijkt uit die zaakdossiers van de duurzaamheid van het samenwerkingsverband en de structuur. Ook bevatten deze zaakdossiers relevant bewijs voor het oogmerk van de organisatie. Dat bewijs bestaat veelal uit afgeluisterde gesprekken. Uit de aan voornoemde zaakdossiers ontleende bewijsmiddelen volgt dat het samenwerkingsverband gedurende ongeveer vijf maanden een zekere structuur kende: de verdachte stuurde – vaak via zijn zoon [medeverdachte 4] – mensen aan die op Schiphol in vliegtuigen naar drugs moesten zoeken. Hij verstrekte informatie over waar gezocht moest worden en ontving op zijn beurt de resultaten van die zoektochten. Die informatie gaf de verdachte vervolgens weer door aan anderen die contact onderhielden met personen in het bronland. Zo had iedereen binnen de organisatie zijn specifieke plaats en – al naar gelang vaardigheden en toegangsprivileges op Schiphol – taken.

- structuur

Uit de werkwijze van de leden van de organisatie volgt al een zekere structuur. Zo was een ieder in de organisatie zich er kennelijk (bijna) voortdurend van bewust dat de mogelijkheid bestond dat opsporingsinstanties meeluisterden en was met het oog hierop een bepaalde werkwijze binnen de organisatie kennelijk afgesproken. Zo bedienden de leden van de organisatie zich in de onderlinge communicatie regelmatig van versluierd taalgebruik –waarover hiervoor meer – met de bedoeling om over verdovende middelen en daarmee samenhangende zaken te kunnen spreken. Eventueel ‘meeluisterende’ opsporingsinstanties moest hierdoor zand in de ogen worden gestrooid worden. Opvalt in dit verband dat soms zelfs in een auto tijdens tweegesprekken versluierd werd gesproken. Eveneens in het kader van het bemoeilijken van de opsporing maakten de leden van de organisatie gebruik van veel verschillende telefoons en telefoonnummers. Dit bleek naast de grote hoeveelheid verschillende bij verdachten in gebruik zijnde telefoon- en IMEI-nummers die in dit onderzoek zijn afgeluisterd ook uit de grote aantallen telecommunicatiemiddelen die bij doorzoekingen op adressen van verdachten zijn aangetroffen. Zo werden in de slaapkamer van [medeverdachte 6] vijf mobiele telefoons aangetroffen en nog één telefoon in zijn woonkamer. In de woning van de verdachte werden zes mobiele telefoons aangetroffen, waarvan vier op zijn nachtkastje. Verder werden in de woning waar mededader [medeverdachte 4] zich bevond vier mobiele telefoons aangetroffen. Ten aanzien van de verdachte valt op dat hij aan bepaalde personen bepaalde telefoons lijkt te hebben toegewezen. Zo belde hij zijn zoon doorgaans met een telefoonnummer dat hij voor contacten met anderen niet leek te gebruiken. Ontving hij informatie van bijvoorbeeld [persoon 5] op de ene telefoon, dan gaf hij die informatie door aan [persoon 3] met gebruikmaking van een andere telefoon.

- oogmerk van de organisatie

Het ligt voor de hand dat waar in de versluierde gesprekken gesproken werd over ‘het’, ‘dinges’, ‘iets’ en ‘boek’ waarnaar werd gezocht het heel wel cocaïne zou kunnen zijn: de ervaring leert dat het veelvuldig voorkomt dat in vliegtuigen cocaïne wordt verborgen, zeker wanneer sprake is van vluchten vanuit Zuid-Amerikaanse landen, zoals in de onderhavige zaak. Een bevestiging dat het de organisatie telkens ook daadwerkelijk om cocaïne was te doen, vindt het hof ten eerste in de verklaring van [medeverdachte 3] , dat hij in opdracht van de verdachte moest zoeken naar drugs. Een verdere bevestiging vindt het hof in de vondst van cocaïne op 10 juni 2013, nadat het opsporingsteam naar aanleiding van gesprekken tussen onder meer de verdachte en [medeverdachte 4] het ernstig vermoeden had gekregen dat (opnieuw) een zending cocaïne zou arriveren (zaakdossier B07). Deze vondst bevestigde definitief de verdenking op grond waarvan het onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’ was begonnen en de vermoedens dat de in het kader van dat onderzoek afgeluisterde gesprekken betrekking hadden op een partij cocaïne.

De gesprekken die leidden tot deze vondst hadden hetzelfde karakter als de gesprekken in de zaakdossiers B02, B05, B06 en B08. In al deze zaakdossiers werd versluierd gesproken over iets wat was verborgen in een vliegtuig, trad [verdachte] op als opdrachtgever, was sprake van hetzelfde versluierde taalgebruik en werden (onder meer) werknemers van [bedrijf] benaderd om in vliegtuigen naar dat iets te zoeken. Het hof is dan ook van oordeel dat de vondst van cocaïne in zaakdossier B07 mede redengevend is voor het oordeel dat de gesprekken die zijn opgenomen in de overige genoemde zaakdossiers betrekking hadden op de beoogde invoer van cocaïne, het oogmerk van de organisatie.

- tussenconclusie

Naar het oordeel van het hof volgt uit het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, dat sprake is geweest van een duurzame en gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid en artikel l0a, eerste lid, van de Opiumwet. Naar het oordeel van het hof is in deze zaak gebleken van een samenwerkingsverband van meerdere personen dat onder leiding van de verdachte in ieder geval gedurende vijf maanden heeft geopereerd in een min of meer vaste rolverdeling.

- nadere overweging met betrekking tot de rol van de verdachte

De verdachte was als leidinggevende in Nederland verantwoordelijk voor de uitvoering en afwikkeling van verschillende (voorgenomen en/of daadwerkelijk uitgevoerde) transporten van verdovende middelen vanuit een bronland in Nederland. Dat ook hij soms optrad als tussenpersoon – zoals de verdediging heeft betoogd – doet aan zijn positie als leider niet af. Een organisatie – ook een criminele – kan leiders op verschillende niveaus kennen. De verdachte vervulde een coördinerende en sturende rol tussen de organisatoren/opdrachtgevers van de drugstransporten in het buitenland en de Schipholmedewerkers die de drugs uit het vliegtuig moesten halen. In die hoedanigheid had hij, naast de veelvuldige contacten die hij met [medeverdachte 4] en de overige verdachten had, contact met een aantal tussenpersonen, zoals [persoon 3] en [persoon 6] . Zowel [persoon 3] als [persoon 6] hadden de contacten met betrokkenen in het buitenland en gaven de voor de verdere organisatie van het transport vereiste informatie via versluierde communicatie of ontmoetingen door aan [verdachte] . Hierbij werd dan overeenstemming bereikt over bijvoorbeeld het vluchtnummer, de passagiersnaam, de verstopplaats van de drugs en de aanwezigheid van verdachten op de luchthaven Schiphol. [verdachte] ging meestal naar ontmoetingen met zijn handlanger en chauffeur [medeverdachte 6] . [verdachte] had zelf ook regelmatig contact met Schipholmedewerkers om sturing te geven in de aanloop naar een zending van drugs. Ook gaf hij aanwijzingen over waar en hoe er in een vliegtuig moest worden gezocht en liet hij zich op de hoogte stellen van de resultaten van die zoekacties.

Naar het oordeel van het hof volgt uit het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, dat sprake is geweest van een duurzame en gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid en artikel l0a, eerste lid, van de Opiumwet.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair:
(zaakdossier B06)

hij op of omstreeks 2 juni 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1000 gram cocaïne;

en

(zaakdossier B07)

hij op of omstreeks 10 juni 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 6006,9 gram cocaïne;

2:
(zaakdossier B02)

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 25 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    zich en anderen gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en

  • -

    vervoermiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers hebben en/of zijn hij, verdachte, en/of zijn mededaders, telkens

  • -

    gebruik gemaakt van een bedrijf, belast met het schoonmaken van vliegtuigen op Schiphol en

  • -

    met elkaar en met anderen (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en

  • -

    afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en ontmoetingen gehad en gearrangeerd en

  • -

    papieren of documenten en foto's en filmbestanden en usb-sticks verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken en

  • -

    (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de vertrek- en/of aankomstdata en/of -tijden van vliegtuigen en/of de locatie van vliegtuigen op Schiphol en

  • -

    (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden van luchthavenmedewerkers gevraagd en/of ontvangen en/of doorgegeven en

  • -

    (telefonisch) informatie verstrekt en instructie(s) gegeven en/of informatie en instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer en de bergplaats van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en

  • -

    (buiten de reguliere werktijden) het beveiligde gebied van Airside op Schiphol betreden en

  • -

    gebruik gemaakt van (een) vervoermiddel(en) van een (of meerdere) ander(e) bedrij(f)(ven) en

  • -

    aan boord van een vliegtuig gegaan om verdovende middelen te traceren en

  • -

    aan boord van een vliegtuig foto's gemaakt van verstop/bergplaatsen van verdovende middelen en

  • -

    afspraken gemaakt omtrent beloningen.


3:
(zaakdossier B08)

hij in of omstreeks de periode van 13 juni 2013 tot en met 8 juli 2013 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), telkens

  • -

    gebruik gemaakt van een bedrijf, belast met het schoonmaken van vliegtuigen op Schiphol en

  • -

    met elkaar en met anderen (telefonisch) contact gelegd en onderhouden en

  • -

    afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd en

  • -

    (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de vertrek- en/of aankomstdata en/of -tijden van vliegtuigen en/of de locatie van vliegtuigen op Schiphol en

  • -

    (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden (van luchthavenmedewerkers) gevraagd en/of ontvangen en/of doorgegeven en/of

  • -

    (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer en/of de bergplaats van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en

- ( (buiten de reguliere werktijden) het beveiligde gebied van Airside op Schiphol betreden

4:
(zaakdossier B11)

hij in de periode van 31 januari 2013 tot en met 8 juli 2013 in Nederland als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en een rechtspersoon, waartoe hij, verdachte en zijn mededaders behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, te weten

  • -

    het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een hoeveelheid cocaïne, en

  • -

    het plegen van voorbereidingshandelingen om tezamen en in vereniging met anderen telkens cocaïne opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen,

- zich en een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en

- vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en 10a, eerste lied, van de Opiumwet.

Overwegingen met betrekking tot samenloop

De raadsman heeft betoogd dat tussen de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten bij een bewezenverklaring van 1 subsidiair en 2 en 3 sprake is van een voortgezette handeling.

Het hof is gekomen tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen verdere bespreking.

Voor het geval de raadsman ook anderszins heeft bedoeld te betogen dat sprake zou zijn van een voortgezette handeling, overweegt het hof het volgende. Ten aanzien van de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten is geen sprake van een voortgezette handeling. De bewezen verklaarde feiten zien immers steeds op een ander transport van verdovende middelen dan wel de voorbereiding daarvan, zodat moet worden vastgesteld dat geen sprake is van één wilsbesluit. Reeds daarom is geen sprake van een voortgezette handeling tussen de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van dat vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van het arrest in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Ook heeft het hof gelet op de persoon van de verdachte.

In het bijzonder heeft het hof het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer één, respectievelijk ongeveer zes kilo cocaïne. Daarnaast heeft de verdachte tweemaal de invoer van cocaïne voorbereid. Hij was daarbij een leider in een criminele organisatie.

De cocaïne werd tweemaal in vliegtuigen verstopt en kwam op die manier Nederland binnen. De verdachte kreeg van anderen telkens te horen waar de cocaïne in het vliegtuig was verstopt. Hij was verantwoordelijk voor het van boord laten halen van die cocaïne. Hiertoe gaf hij opdrachten en aanwijzingen aan medewerkers van een op Schiphol gevestigd schoonmaakbedrijf. Ook anderen betrok hij bij het van boord halen van de cocaïne, onder wie een monteur in dienst van de KLM. Hij voerde onder meer telefoongesprekken in versluierde taal, gaf opdrachten en aanwijzingen en organiseerde ontmoetingen. Duidelijk is, dat de verdachte een prominente leidinggevende positie innam in een criminele organisatie die erop was gericht cocaïne Nederland binnen te brengen. De verdachte heeft hierbij misbruik gemaakt van de privileges die bedrijven op Schiphol hebben boven externe partijen. Zo konden medewerkers van het schoonmaakbedrijf en anderen met hun Schipholpas relatief ongestoord het terrein van de luchthaven betreden en verlaten. De verdachte heeft deze medewerkers en anderen in zijn strafbare praktijken betrokken, wat voor een aantal van hen tot vergaande consequenties – verlies van werk en strafrechtelijke vervolging en bestraffing – heeft geleid.

Daarnaast beschikten de verdachte en zijn mededaders via het schoonmaakbedrijf over toegang tot het Centraal Informatie Systeem Schiphol (CISS) aan de hand waarvan zij zich op de hoogte stelden van vliegbewegingen en vliegtuigparkeerplaatsen van de toestellen die zij voor de bewezenverklaarde feiten gebruikten of op het oog hadden. Ook van dit systeem heeft de verdachte misbruik gemaakt.

Cocaïne is een – dat zal ook de verdachte niet betwisten – voor de gezondheid schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheden waren van dien aard dat zij bestemd moeten zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Dit bedreigt de volksgezondheid. Ook leidt het tot verschillende andere vormen van criminaliteit, zoals bijvoorbeeld de strafbare feiten die mensen plegen om met de opbrengst daarvan cocaïne te kunnen kopen. Om de volksgezondheid te beschermen en om bedoelde cyclus van strafbare feiten te beperken, zijn de invoer van cocaïne en voorbereidingshandelingen met aanzienlijke straffen bedreigd.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële documentatie van 17 januari 2017, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder meer ter zake van overtreding van de Opiumwet.

Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en bezien de justitiële documentatie van de verdachte, past naar het oordeel van het hof als sanctie slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van die onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor de strafoplegging. Voor de invoer van zes kilo harddrugs wordt doorgaans aan een organisator een gevangenisstraf van 48 maanden opgelegd. Uitgangspunt voor de bestraffing van de invoer van één kilo harddrugs is een gevangenisstraf van 12 maanden. Voor het lidmaatschap van een criminele organisatie en voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet bestaan geen oriëntatiepunten. De uiteindelijke gevangenisstraf die aan de verdachte zal worden opgelegd is niet het resultaat van een eenvoudige optelsom, maar het moge duidelijk zijn dat de door de verdediging bepleite combinatie van taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf ver afstaat van wat het hof in de onderhavige zaak een passende en geboden bestraffing acht. Het hof weegt de bewezen verklaarde feiten zwaarder dan de rechtbank heeft gedaan en zal om die reden beslissen tot na te noemen strafoplegging. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd is geen sprake van schending van de redelijke termijn voor de berechting, nu de uitspraak in hoger beroep plaatsvindt ruim binnen vier jaar nadat de vervolging tegen de verdachte is aangevangen.

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. Het hof wijst dit verzoek af, aangezien de verdenking, bezwaren en gronden die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte hebben geleid nog bestaan en een omstandigheid als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering zich (thans nog) niet voordoet.

Voor zover de verdachte in zijn laatste woord heeft verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis, oordeelt het hof dat geen zwaarwegende persoonlijke omstandigheden zijn aangevoerd die opwegen tegen het belang van de maatschappij bij voortduring van de voorlopige hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M.M. van der Nat, in tegenwoordigheid van mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 februari 2017.

1 Map 30, persoonsdossier [medeverdachte 3] , dossier C16, p. 041-042

2 Map 30, persoonsdossier [medeverdachte 3] , dossier C16, p. 041