Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4768

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
23-000875-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In aanmerking genomen dat aan de term “uitgeven” in artikel 213 Sr eenzelfde betekenis toekomt als in artikel 209 Sr is het hof van oordeel dat hetgeen onder 1 is tenlastegelegd grondslag kan bieden aan het bij art. 213 Sr strafbaar gestelde feit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000875-17

datum uitspraak: 21 november 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 13-021787-17 en 13-689228-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Lelystad te Lelystad.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2017.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:

1.
op of omstreeks 2 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een bankbiljet van 50 euro als echt en onvervalst heeft uitgegeven, die verdachte zelf heeft nagemaakt en/of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij dat bankbiljet ontving, bekend was;

2.
op of omstreeks 2 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk twee, althans een of meer, bankbiljetten van 50 euro die verdachte zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij die bankbiljet(ten) ontving bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet de verdachte maar juist de aangever degene was die geld wilde wisselen. De verdachte wist niet dat het vals geld betrof.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De aangever (dossierpagina 3-5) heeft verklaard dat de verdachte hem op straat aansprak en vroeg of hij geld – een briefje van 50 euro – kon wisselen. De aangever is daarmee akkoord gegaan omdat de verdachte opdringerig en beangstigend overkwam. De aangever heeft vervolgens bij een geldautomaat een bankbiljet van 50 euro gepind en dit bankbiljet bij snackbar Febo gewisseld voor twee bankbiljetten van 20 euro en een bankbiljet van 10 euro.

De verklaring van de aangever vindt steun in het door de verbalisanten Baaij en Wildoer opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 6-8). Hierin is opgenomen dat zij hebben waargenomen dat de aangever geld is gaan pinnen bij een geldautomaat en vervolgens bij een filiaal van Febo naar binnen is gegaan. Toen de aangever naar buiten kwam had hij 2 biljetten van 20 euro in zijn hand. Nadat zij van een andere verbalisant vernamen dat er geld was overgegaan tussen de verdachte en de aangever zagen zij dat de aangever een bankbiljet van 50 euro vasthield. Zij hebben de aangever aangesproken en zagen dat de aangever bang was. Het bankbiljet van 50 euro bleek vals te zijn. Nadat de verdachte is aangehouden is bij hem, naast twee bankbiljetten van 20 euro en een bankbiljet van 10 euro, een vals bankbiljet van 50 euro aangetroffen.

Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaring van verdachte, dat niet hij maar de aangever het bankbiljet van 50 euro wilde wisselen en dat het valse bankbiljet van 50 euro van de aangever was, niet geloofwaardig. Het hof verwerpt het verweer.

Het hof overweegt ambtshalve het navolgende.

Aan de verdachte is tenlastegelegd – kort samengevat – het als echt en onvervalst uitgeven van valse bankbiljetten (onder 1) dan wel het in voorraad hebben van valse biljetten (onder 2) terwijl diegene de biljetten zelf heeft nagemaakt of vervalst of met die valsheid of vervalsing bekend was toen hij de biljetten ontving.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid komen vast te staan dat de verdachte de valse bankbiljetten zelf heeft nagemaakt of vervalst dan wel dat de verdachte reeds bij ontvangst van de bankbiljetten bekend was met de valsheid of vervalsing van die bankbiljetten. Daarom zal het hof de verdachte vrijspreken van hetgeen hem onder 2 is ten laste gelegd.

Het hof heeft zich de vraag gesteld of het onder 1 ten laste gelegde grondslag kan bieden voor een bewezenverklaring van het uitgeven van een vals bankbiljet als bedoeld in artikel 213 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De artikelen 209 Sr en 213 Sr stellen beide strafbaar het uitgeven van valse bankbiljetten. Art. 213 Sr kent een lichtere strafbedreiging dan artikel 209 Sr. De zwaardere strafbedreiging van art. 209 Sr vindt, zo volgt uit de wetsgeschiedenis, zijn grond in de omstandigheid dat die bepaling, anders dan art. 213 Sr, het oog heeft op degene die de biljetten zelf heeft vervalst dan wel met de valsheid of vervalsing – toen hij ze ontving – bekend was (Kamerstukken II, 2000-2001, 27494, nr. 11). Het begrip “uitgeven” zoals opgenomen in zowel art. 209 Sr als 213 Sr moet, gelet op het doel en de strekking van beide artikelen, in gelijke zin worden verstaan, te weten als iedere handeling waardoor valse bankbiljetten feitelijk in het verkeer worden gebracht (vgl. HR 18 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9224, NJ 1986/662). In aanmerking genomen dat aan de term “uitgeven” in artikel 213 Sr eenzelfde betekenis toekomt als in artikel 209 Sr is het hof van oordeel dat hetgeen onder 1 is tenlastegelegd grondslag kan bieden aan het bij art. 213 Sr strafbaar gestelde feit (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AF1276, NJ 2003/443).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1.

op 2 februari 2017 te Amsterdam opzettelijk een bankbiljet van 50 euro heeft uitgegeven, waarvan de valsheid verdachte bekend was.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk valse bankbiljetten uitgeven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft vals geld aan een toerist aangeboden om echte bankbiljetten daarvoor in ontvangst te kunnen nemen. Hierdoor heeft hij het vertrouwen dat men in chartaal geld moet kunnen hebben geschaad en schade gebracht aan de goede naam van Amsterdam als toeristenstad. Bovendien heeft hij ten behoeve van zijn eigen financieel gewin het slachtoffer gedupeerd en overlast bezorgd. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof weegt daarnaast ten nadele van de verdachte mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 oktober 2017, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor misdrijven, waaronder vermogensdelicten tot onder meer taakstraffen en onvoorwaardelijke jeugddetentie.

Het hof is van oordeel dat, hoewel het hof de verdachte deels van de ten laste gelegde feiten vrijspreekt, alles afwegende, niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf en acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 213 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit wettelijk voorschrift wordt toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2016, parketnummer 13-689228-15, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. G. Oldekamp en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 november 2017.

[...]

.