Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4747

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
23-000107-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

voorwaardelijk opzet op het voorhanden hebben van vervalse paspoorten, met verbeterde lezing van de tenlastelegging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000107-17

datum uitspraak: 17 november 2017

tegenspraak (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld namens de verdachte tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-225134-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

adressen in het buitenland: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 oktober 2014 in de gemeente Haarlemmermeer, te Schiphol, in het bezit was van twee, althans een of meer, reisdocument(en)/ paspoort(en) of Nederlandse identiteitskaart(en) als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een of meer ander(e) identiteitsbe- wijs/-bewijzen dat/die afgegeven is/zijn door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, te weten een vals/vervalst paspoort (nummer [nummer 1]) op naam van ene [naam 1] en/of een vals/vervalst paspoort (nummer [nummer 2]), op naam van ene [naam 2], waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de/het reisdocument(en)/paspoort(en) of de Nederlandse identiteitskaart(en) vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hierin dat over de oorspronkelijke personalia en/of foto('s) een (sticker)vel en/of folie was aangebracht met de personalia en/of de foto van genoemde [naam 1] en/of [naam 2].

De tenlastelegging is, zoals op de dagvaarding in eerste aanleg ook is vermeld, toegesneden op artikel 231, tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Bij Wet van 12 maart 2014 (Stb. 2014, 125) is deze bepaling gewijzigd. Bij deze, op 1 mei 2014 in werking getreden wijziging (Stb. 2014, 149), zijn onder meer in het tweede lid de woorden ‘in het bezit zijn’ vervangen door ‘voorhanden hebben’. De totstandkomingsgeschiedenis van deze wetswijziging biedt geen aanknopingspunt voor de gedachte dat daarmee door de wetgever een inhoudelijke verandering is beoogd. Mede tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat het op zijn weg ligt de tenlastelegging verbeterd te lezen voor zover daarin als gevolg van een kennelijke misslag nog de oude terminologie is gebruikt. Het hof leest daarom de woorden “in het bezit was van” als “voorhanden heeft gehad”. De verdachte wordt door deze verbeterde lezing van de tenlastelegging niet in zijn verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 oktober 2014 te Schiphol voorhanden heeft gehad twee reisdocumenten, te weten een vervalst paspoort, nummer [nummer 1] op naam van [naam 1] en een vervalst paspoort, nummer [nummer 2], op naam van [naam 2], waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat zij vervalst waren, bestaande de vervalsing hierin dat over de oorspronkelijke personalia en foto's, een vel en folie was aangebracht met de personalia en de foto van genoemde [naam 1] en [naam 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van verhoor, opgemaakt op 12 oktober 2014 in de wettige vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 50 tot en met 55). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven als de op even genoemde datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte (A) op hem door de verbalisanten gestelde vragen (V) dan wel naar aanleiding van door hen gemaakte opmerkingen (O):

V: Wanneer bent u naar Nederland gekomen?

A: Twee dagen geleden.

O: Wij verbalisanten tonen de fotokopieën van de vervalste Nederlandse paspoorten op naam van [naam 2] en [naam 1].

A: Ik ken hen niet.

2. Een proces-verbaal, opgemaakt op 12 oktober 2014 in de wettige vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar C.F.J. Claassens (doorgenummerde pagina’s 28 tot en met 30). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven als de op even genoemde datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [verbalisant 3]:

Vandaag 12 oktober 2014 was ik aan het werk als security-agent bij het Schengen Filter, gelegen in vertrekhal 1 van de luchthaven Schiphol. Alle passagiers moeten hier een zogenaamde bodyscan passeren. Ik zag een man de scan in lopen. Ik zag dat deze man een voorwerp in zijn kontzak had zitten. Ik heb de man apart genomen. Ik zag dat de man een voorwerp uit zijn kontzak haalde. Ik hoorde de man tegen mij zeggen dat het documenten betrof die bestemd waren voor zijn vrienden.

Ik zag dat het voorwerp een pakketje betrof met daarin twee Nederlandse paspoorten. Ik heb in de paspoorten gekeken en deze stonden op naam van een man en een vrouw. Ik hoorde dat mijn supervisor aan de man vroeg van wie deze documenten waren. De man gaf aan dat hij in Spanje woonde en dat hij de documenten voor de personen die in de paspoorten stonden, mee moest nemen. Ik hoorde de man zeggen dat één van de paspoorten op naam stond van [naam 3]. Na controle bleek dit echter niet het geval te zijn. Ook wist de man niet te vertellen waar hij de documenten moest afleveren. Hij gaf aan dat hij gebeld zou worden om het document ergens af te geven. Waar dit precies zou zijn wist hij niet. Hij zou het ergens in Spanje moeten afgeven.

3. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 oktober 2014 in de wettige vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 30 tot en met 32). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van verbalisant voornoemd:

Door mij, documentdeskundige van de marechaussee is het volgende onderzoek gedaan.

Onderzocht document

Document nationaal paspoort

Land Nederland

Nummer [nummer 1]

Reisdocument ja

Ten name van [naam 1]

Kenmerken

Over de zijde bestemd voor de pasfoto, en persoons- en afgiftegegevens, van de in dit paspoort origineel bevestigde kaart, is papier aangebracht met daarop de thans zichtbare pasfoto en leesbare persoon- en afgiftegegevens. Over bedoeld papier is een folie aangebracht. Bedoelde folie en bedoeld papier konden samen worden verwijderd. Dit paspoort is origineel afgegeven aan [verbalisant 5]. Over de achterzijde is ook een papier en folie aangebracht. Het paspoort is gesignaleerd in verband met de diefstal.

Conclusie

Dit paspoort is niet origineel aan [naam 1] afgegeven en is vervalst.

Onderzocht document

Document nationaal paspoort

Land Nederland

Nummer [nummer 2]

Reisdocument ja

Ten name van [naam 2]

Kenmerken

Over de zijde bestemd voor de pasfoto, persoons- en afgiftegegevens, van de in dit paspoort origineel bevestigde kaart, is papier aangebracht met daarop de thans zichtbare pasfoto en leesbare persoons- en afgiftegegevens. Over bedoeld papier is een folie aangebracht. Bedoelde folie en bedoeld papier konden samen worden verwijderd. Dit paspoort is origineel afgegeven aan Brenda Maat. Over de achterzijde is ook een papier en folie aangebracht. Het paspoort is gesignaleerd in verband met de diefstal.

Conclusie

Dit paspoort is niet origineel aan Muhammed afgegeven en is vervalst.

Bespreking van een bewijsverweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen opzet of schuld heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin om vervalste reisdocumenten voorhanden te hebben. De raadsman stelt in dit verband dat de verdachte iemand een vriendendienst wilde bewijzen en dat hij wist noch redelijkerwijs moest vermoeden dat de paspoorten vervalst waren aangezien dit voor een buitenstaander ook niet te zien was.

Bij de beoordeling van het verweer stelt het hof voorop dat het, vanwege het belang van een paspoort voor de rechtmatige houder, ongebruikelijk is dat deze zijn of haar paspoort anders dan kortstondig en met een duidelijk doel, afgeeft aan een andere particulier. Tegen deze achtergrond rust op degene die, zoals de verdachte, paspoorten van anderen voorhanden krijgt teneinde deze te vervoeren naar een ander land, de plicht zich terdege ervan te vergewissen dat sprake is van een rechtmatige situatie en van geldige paspoorten.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, stelt het hof vast dat de verdachte, die twee dagen eerder in Nederland is aangekomen, bij zijn vertrek van Schiphol op 12 oktober 2014 een pakketje met twee vervalste paspoorten in zijn kontzak had.

Mede in het licht van hetgeen zojuist voorop is gesteld, riep die situatie om een verklaring van de verdachte. In eerste instantie bij de controle door de Marechaussee heeft de verdachte verklaard dat deze paspoorten bestemd waren voor vrienden en dat hij de paspoorten meenam voor de personen die in de paspoorten stonden. Een van de paspoorten zou volgens de verdachte op naam staan van [naam 3]. Dat bleek niet het geval. Ook kon de verdachte niet uitleggen waar in Spanje en wanneer hij de paspoorten moest afleveren: hij zou daarover gebeld worden. In zijn verhoor als verdachte heeft de verdachte vervolgens verklaard dat hij de personen op wiens naam de paspoorten stonden helemaal niet kende. Op verdere vragen over hoe hij in het bezit was gekomen van de paspoorten heeft hij in dit verhoor vaag of ontwijkend verklaard dan wel geweigerd antwoord te geven.

Het hof is in het licht van het voorgaande van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte tijdens het voorhanden krijgen en hebben van de paspoorten (minstgenomen) redelijkerwijs moest vermoeden dat het om vervalste paspoorten ging. Het verweer wordt daarom in zoverre verworpen, terwijl het voor het overige geen bespreking behoeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Het voorhanden hebben van een reisdocument waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het vervalst is, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft twee vervalste Nederlandse paspoorten op naam van anderen voorhanden gehad op
Schiphol, terwijl hij op het punt stond te vertrekken naar Spanje. Gelet op de mogelijke identiteitsfraude en andere, deels ernstiger vervolgdelicten die met gebruikmaking van vervalste paspoorten kunnen worden gepleegd, heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de veiligheid van onze samenleving en het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer aan dergelijke documenten moet kunnen worden gesteld geschaad. Dit zijn ernstige feiten, waarop een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer een passende bestraffing is. De oriëntatiepunten voor straftoemeting vermelden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden voor het bezit van een vals paspoort.

Over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is niet veel meer bekend geworden dan dat de verdachte een man is van Nigeriaanse afkomst die woont in Spanje en daar werkzaam is in de bouw. Blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 oktober 2017 is hij in Nederland niet eerder veroordeeld en is hij ook ná het plegen van de onderhavige niet veroordeeld voor enig strafbaar feit. Alle omstandigheden in aanmerking nemend, waaronder het gegeven dat de feiten enige tijd geleden zijn gepleegd, zal het hof volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals in eerste aanleg is opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.M. Degenaar, mr. R. Kuiper en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. F. Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 november 2017.

[...]

.