Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4740

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
23-001379-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Telefoontoestellen en -abonnementen verkregen door afpersing en/of oplichting. OM ontvankelijk; geen bewijsuitsluiting; bewijsoverweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001379-11

datum uitspraak: 13 november 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2011 in de strafzaak onder parketnummer 13-651820-10 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [adres 1] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 eerste cumulatief en 4 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak voor het onder 3 eerste cumulatief en 4 ten laste gelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2011, 18 november 2013, 22 april 2015, 16 oktober 2017 en 30 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

1. hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 17 juli 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoon(s) en/of sim-kaart(en), in elk geval van enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of tot het aangaan van een schuld (te weten (een) mobiel(e) telefoonabonnement(en)) en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer mobiele telefoon(s) en/of sim-kaart(en), in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of tot het aangaan van een schuld (te weten (een) mobiel(e) telefoonabonnement(en)) welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s):

- ( nadat die [slachtoffer 1] was verteld dat zij telefoonabonnementen moest afsluiten en zij had gezegd 'ik wil dat niet doen') die [slachtoffer 1] hardhandig heeft/hebben vastgepakt en/of (met kracht) aan haar (boven)arm en/of haar zij en/of haar middel, in elk geval het lichaam heeft/hebben meegetrokken en/of in haar arm heeft/hebben geknepen en/of

- ( dreigend) tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat als zij dat (afsluiten van abonnementen) niet zou doen, dat zij dan een probleem had, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: 'Je krijgt grote problemen als je zorgt dat ik ([verdachte]) word opgepakt of mijn business moet stoppen', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 17 juli 2010, in elk geval in de periode van 10 juli 2010 tot en met 17 juli 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoon(s) en/of (een) sim-kaart(en), in elk geval van enig(e) goed(eren) en/of tot het aangaan van een schuld (te weten (een) mobiel(e) telefoonabonnement(en)), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- die [slachtoffer 1] via internet benaderd om promotiewerkzaamheden te verrichten en/of - die [slachtoffer 1] naar Amsterdam laten komen en/of (vervolgens)

- ( in Amsterdam aangekomen) die [slachtoffer 1] verteld dat het werk inhield dat zij (een) telefooncontracten(en) moest afsluiten en/of

- die [slachtoffer 1] geld in het vooruitzicht gesteld voor het afsluiten van (een) telefooncontract(en) en/of - die [slachtoffer 1] een briefje met een (fictief) adres heeft/hebben gegeven en/of

- die [slachtoffer 1] voorgehouden dat de/het telefooncontract(en) voor het op dat adres gevestigde hoofdkantoor bestemd was/waren en/of

- die [slachtoffer 1] voorgehouden dat voornoemd(e) telefooncontract(en) weggemaakt en/of ongedaan gemaakt zoud(en) worden,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of aangaan van een schuld;

2. hij op of omstreeks 17 juli 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij verdachte:

- door gebruik te maken van de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] daarop niet bedacht was, die [slachtoffer 1] gedwongen te dulden dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] (onverhoeds) (meermalen/eenmaal) over haar vagina heeft gewreven en/of haar borst(en) heeft vastgepakt en/of betast en/of een of meer zoen(en) in haar nek/hals heeft gegeven en/of

- ondanks dat die [slachtoffer 1] zei: "Doe niet" en/of die [slachtoffer 1] een of meermalen zijn, verdachtes hand heeft weggeduwd de vagina en/of borst(en) van [slachtoffer 1] heeft betast;

3. hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 17 juli 2010, in elk geval in de periode van 10 juli 2010 tot en met 17 juli 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] te bewegen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoon(s) en/of een of meer sim-kaart(en), in elk geval van enig(e) goed(eren) en/of tot het aangaan van een schuld (te weten, (een) mobiele telefoonabonnement(en)), met vorenomschreven oogmerk:

- die [slachtoffer 2], door tussenkomst van [slachtoffer 1] , heeft/hebben benaderd om promotie-werkzaamheden te verrichten en/of - die [slachtoffer 2] naar Amsterdam heeft/hebben laten komen en/of (vervolgens)

- ( in Amsterdam aangekomen) die [slachtoffer 2] heeft/hebben verteld dat het werk inhield dat zij (een) telefooncontracten(en) moest afsluiten/of

- die [slachtoffer 2] geld in het vooruitzicht heeft/hebben gesteld voor het afsluiten van (een) telefooncontract(en) en/of

- die [slachtoffer 2] een of meermalen een (fictief) adres heeft/hebben gegeven en/of laten instuderen en/of

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben voorgehouden dat de/het telefooncontract(en) voor het op dat adres gevestigde hoofdkantoor bestemd was/waren en/of - die [slachtoffer 2] heeft/hebben voorgehouden dat voornoemd(e) telefooncontract(en) weggemaakt en/of ongedaan gemaakt zoud(en) worden;

5. hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 4 november 2010, althans in of omstreeks de periode van 17 juli 2010 tot en met 4 november 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoon(s) en/of (een) sim-kaart(en), in elk geval van enig(e) goed(eren) en/of tot het aangaan van een schuld (te weten (een) mobiele telefoonabonnement(en)), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] via internet benaderd om promotiewerk te gaan doen met zeer hoge/goede verdiensten en/of

- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] gezegd dat zij een of meerdere telefoonabonnement(en) moest(en) afsluiten en/of

- die [slachtoffer 3] (bij het afsluiten van die telefoonabonnement(en)) gezegd het (fictieve) adres [adres 5] op te geven en/of

- die [slachtoffer 4] (bij het afsluiten van die telefoonabonnement(en)) gezegd het (fictieve) adres [adres 3] te Amsterdam op te geven en/of

- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] voorgehouden dat het/de telefooncontract(en) voor het op die/dat adres(sen) gevestigde) hoofdkantoor bestemd was/waren en/of

- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] voorgehouden dat voornoemd(e) telefooncontract(en) weggemaakt en/of ongedaan gemaakt zoud(en) worden,

waardoor die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

6. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 juli 2010 tot en met 4 november 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels diverse aanbieders van mobiele telefoons en/of mobiele telefoonabonnementen (hieronder nader gespecificeerd) (telkens) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoon(s) en/of (een) sim-kaart(en), in elk geval van enig(e) goed(eren), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- ( a) op 17 juli 2010 de aanbieders van mobiele telefoon(s) en/of mobiele telefoonabonnementen: Belcompany ([plaats 2]) en/of T-Mobile Shop en/of telefoonaankopen.nl en/of Belcompany ([plaats 1]) en/of

- ( b) op 4 november 2010 de aanbieders van mobiele telefoon(s) en/of mobiele telefoonabonnementen: Vodafone ([plaats 3]) en/of Primafoon ([plaats 2]) en/of Telefoonkopen.nl ([plaats 4]) en/of Vodafone ([plaats 4]) en/of Belcompany en/of Belcompany ([plaats 5])

- zich voorgedaan als (een) bonafide koper(s) van (een) telefoonabonnementen en/of

- een of meer telefoonabonnement(en) afgesloten op naam van (a) [slachtoffer 1] en/of (b) [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- daarbij gebruik maken van een vals/fictief adres (te weten: (a) [adres 4] en/of (b) [adres 5] en/of [adres 3] te Amsterdam), waardoor voornoemd(e) aanbieders van mobiele telefoon(s) en/of mobiele telefoonabonnement(en) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, om proceseconomische redenen.

Bespreking van de gevoerde verweren

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, dan wel, subsidiair, dat verklaringen van medeverdachten, aangevers en getuigen van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat ten tijde van het onderzoek in deze strafzaak beginselen van behoorlijke procesorde zodanig zijn geschonden dat deze sancties noodzakelijk zijn, als signaal naar het openbaar ministerie. De waarborgen die gesteld mogen worden aan een politieverhoor zijn dermate geschonden dat de waarheidsvinding in de kern is geraakt, aldus de raadsvrouw. Zij heeft daartoe aangevoerd – kort samengevat – dat bij het onderzoek van de volgende vormverzuimen sprake is geweest.

  1. Overtreding van het pressieverbod bij het horen van medeverdachten, aangevers en getuigen. De raadsvrouw heeft gesteld dat op alle getuigen die in deze zaak door de politie zijn gehoord, met name de getuige [getuige], en op medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], door verbalisanten, zijnde aspirant agenten van politie, bij hun verhoren druk is uitgeoefend en zijn misleid. Aan [getuige] en [medeverdachte 2] zijn belastende, niet bestaande verklaringen voorgehouden. Daar waar medeverdachten eerder zwegen zijn ze onder deze druk bezweken en gaan verklaren. Het betreft zeer jonge verdachten. Daardoor is gehandeld in strijd met artikel 29 Sv.

  2. Het recht op een eerlijke bewijsvoering is geschonden, omdat verbalisanten zelf een handgeschreven notitie hebben opgemaakt of aangevuld en/of omdat in het van het verhoor van [medeverdachte 2] – zowel in de zakelijke weergave daarvan als in de verbatim uitgewerkte versie – opgemaakte proces-verbaal onderdelen van het verhoor zijn weggelaten.

  3. De rechterlijke controle op de verkrijging van bewijsmateriaal is moedwillig gefrustreerd, gelet op de onder 2 vermelde gang van zaken.

  4. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: de processen-verbaal van aanvullende aangifte van aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voldoen niet aan de daaraan in de aanwijzing zedenzaken gestelde eisen, onder meer omdat die verhoren niet zijn afgenomen door een zedenrechercheur en nu datum en plaats van opname niet juist zijn.

Ook indien de belangen van de verdachte door deze vormverzuimen niet zijn geschonden dienen voornoemde verzuimen onderling en als optelling bezien tot uitsluiting van vervolging te leiden, aldus de raadsvrouw.

De advocaat-generaal heeft de verweren van de raadsvrouw gemotiveerd bestreden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Algemeen juridisch kader

Indien binnen de door artikel 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Indien de rechter op grond van de weging en waardering van deze beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan één van de in art. 359a eerste lid Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

Bewijsuitsluiting kan als op grond van art. 359a, eerste lid, Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Bespreking van de gestelde vormverzuimen

Ad 1

De getuige [getuige] heeft op de terechtzitting bij dit hof op 18 november 2013 onder meer verklaard:

Ik ben verhoord door ene [naam 1], wijkagent, en twee Turkse mannen. Zij hadden mij om zes uur ’s ochtends thuis opgehaald. Zij vertelden dat anderen, waaronder de verdachte, hadden verklaard dat ik de baas was van de groep. Hoe zou ik anders aan zo’n mooie auto kunnen komen? Het leek alsof de anderen mij de das om wilden doen. (…) [naam 1] vertelde dat de anderen een dergelijke verklaring hadden afgelegd.(…)

Er was wel druk. Ik wilde zo snel mogelijk weg. Ik heb daar (het hof begrijpt: op het politiebureau) drie dagen doorgebracht. Op de momenten dat werd gezegd dat ik de baas was, voelde ik wel druk. Ik kreeg het gevoel dat de agenten van het één het ander wilde maken, dat ze de woorden uit mijn mond wilden halen. Als de agenten een foto lieten zien en vroegen of de verdachte op die foto te zien was, dan verklaarde ik dat ze dat zelf ook weten. Op zulke momenten voelde ik mij gepusht om een verklaring af te leggen. In het eerste verhoor (door de politie) heb ik geen verklaring afgelegd, omdat ik boos was. Ik kon niet naar mijn werk. Vervolgens werd ik boos op de anderen. Toen heb ik een verklaring afgelegd. Die verklaring heb ik naar waarheid afgelegd.”

Het hof leidt uit deze verklaring niet af dat op [getuige] bij zijn verhoren door de politie ongeoorloofde druk is uitgeoefend, noch dat hij door verbalisanten is misleid. De betrokken verbalisanten zijn hierover ten overstaan van de raadsheer-commissaris onder ede bevraagd. Daarin kan geen aanknopingspunt worden gevonden voor de stelling dat bewijsmateriaal is gemanipuleerd of dat aan [getuige] (gefingeerde) verklaringen van medeverdachten zijn voorgehouden, en evenmin dat sprake is geweest van ongeoorloofde druk.

Voor zover al enige druk is uitgeoefend, is niet aannemelijk geworden dat de door [getuige] afgelegde verklaringen tot stand zijn gekomen door het aan hem voorhouden van gefingeerde verklaringen van (mede)verdachten. Ook overigens acht het hof niet aannemelijk geworden dat door opsporingsambtenaren tegenover [getuige], [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] of anderen mededelingen zijn gedaan of handelingen zijn verricht waardoor niet gezegd kan worden dat hun verklaringen in vrijheid zijn afgelegd dan wel dat zij onwaarheid zijn gaan verklaren. De raadsvrouw heeft haar stelling op dit punt ook niet nader met voorbeelden geconcretiseerd.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld het ter zitting van 18 november 2013 geformuleerde voorwaardelijke verzoek om [naam 2] en [naam 3] te herhalen wordt dat verzoek afgewezen, nu gelet op de onderbouwing van het verzoek de noodzaak daartoe niet aanwezig is. Bij dat oordeel neemt het hof in aanmerking dat verbalisant [verbalisant 2], die als verhorend verbalisant bij de verhoren van beide medeverdachten was betrokken, reeds door de raadsheer-commissaris onder ede is bevraagd, in het bijzijn van de raadsvrouw.

De stelling van de raadsvrouw dat het onderzoek volledig door aspirant agenten is uitgevoerd, mist feitelijke grondslag. Verschillende verhoren zijn (mede) afgenomen door hoofdagenten van politie. Ook het proces-verbaal van relaas is mede opgemaakt door een hoofdagent van politie. De enkele omstandigheid dat een (groot) deel van de verhoren van verdachten en getuigen (mede) zijn afgenomen door verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] waarvan de rang op dat moment die van aspirant agent van politie was, en die toen nog in opleiding waren, rechtvaardigt niet de conclusie dat deze verhoren onzorgvuldig zijn verricht of dat het gedane onderzoek daardoor als onbetrouwbaar moet worden beschouwd.

Concluderend ziet het hof noch in de gang van zaken tijdens de verhoren van de bij deze zaak betrokken verdachten en getuigen, noch in de rang en de onervarenheid van daarbij betrokken verbalisanten, reden om te concluderen dat de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek mede tot stand zijn gekomen doordat inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder op het pressieverbod. Nu op dit punt geen sprake is van een vormverzuim, hier uit bestaande dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, is er geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte of om (een deel van) de processen-verbaal van het bewijs uit te sluiten.

Ad 2 en 3

Ingevolge het bepaalde in art. 152 Sv is uitgangspunt dat een opsporingsambtenaar ten spoedigste proces-verbaal opmaakt van hetgeen tot opsporing is verricht of bevonden. Daaraan kan echter een zekere selectie ten grondslag worden gelegd, nu niet alles wat is waargenomen of ondervonden in redelijkheid relevant kan worden geacht. Een vertekend of vertekenend beeld van de verrichtingen of bevindingen mag door deze selectie echter niet ontstaan.

Naar het oordeel van het hof kan uit de stukken niet worden afgeleid dat door de wijze van uitwerken

van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] een vertekend of niet juist weergegeven beeld van

de verrichtingen tijdens dat verhoor is ontstaan. Daarvoor biedt het verbatim uitgewerkte verhoor van

[medeverdachte 2] van 9 december 2010, ingekomen bij dit hof op 16 november 2016, in samenhang met het verhoor van [medeverdachte 2] van 7 december 2010, geen steun, mede gelet op de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] bij de raadsheer-commissaris op 27 december 2014. De verklaring van [medeverdachte 2] bij de raadsheer-commissaris dat hij de op bijlage 3 bij zijn verhoor van 7 december 2010 geplaatste ‘X-jes’ en de achter ‘tayfun’ geschreven tekst ‘de baas’ niet (ook) zelf heeft geschreven, komt het hof ongeloofwaardig voor op grond van het hiervoren overwogene als ook op grond van het volgende.

Bij zijn verhoor door de raadsheer-commissaris op 27 februari 2014 heeft verbalisant [verbalisant 2] hierover verklaard:

Iedereen had eigenlijk wel een verhoorplan. Ik weet niet meer precies wat het verhoorplan was. Natuurlijk het in kaart brengen van het aandeel van elk van de verdachten…. In het algemeen: Als de naam vaker voorkomt, zal het om een groter aandeel gaan…..Ik weet nog wel dat wij hem iets op papier wilden laten schrijven, want er waren notities aangetroffen. …. Dat was om het handschrift te kunnen vergelijken. Een ander doel was om [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]) schriftelijk te laten verklaren wie erbij waren. Dat zou hij later dan niet kunnen ontkennen. “

Bovenstaande verklaring waaruit blijkt dat het laten schrijven van de notitie door [medeverdachte 2] onderdeel was van het verhoorplan acht het hof reëel en niet onaannemelijk.

Ook op dit onderdeel is het hof niet gebleken van manipulatie van bewijsmateriaal. De enkele opmerking van verbalisant [verbalisant 3] “op de achterkant van een briefje ga ik eh weer effe aan aantal cijfers schrijven” (bladzijde 20, verbatim uitgewerkt proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] 9 december 2010) is volstrekt onvoldoende om die conclusie te kunnen trekken.

Anders dan, kennelijk, de raadsvrouw is het hof verder van oordeel dat in deze zaak niet is gebleken dat relevante onderdelen van het verhoor zijn weggelaten. Het hof ziet ook in dit (onderdeel van) het verweer van de raadsvrouw geen reden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot uitsluiting van het bewijs van onderdelen van het proces-verbaal, nu ook op dit punt niet aannemelijk is geworden dat bij het tot stand komen van het dossier ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijk procesorde.

Ad 4

Aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn op 23 juli 2010, afzonderlijk van elkaar, elk door twee zedenrechercheurs gehoord op politiebureau Elandsgracht in Amsterdam. Van beide verhoren is een audioregistratie vastgelegd op cd. Bij deze verhoren is derhalve voldaan aan de daaraan in de destijds geldende Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (van 1 januari 2009) gestelde eisen.

Op 6 januari 2011 zijn beide aangeefsters opnieuw gehoord. Uit de processen-verbaal die hiervan zijn opgemaakt in samenhang met verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de raadsheer-commissaris hierover en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 20 maart 2014, leidt het hof af dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ook op 6 januari 2011 afzonderlijk van elkaar zijn gehoord, maar dat zij bij elkaar waren toen zij hun verklaringen, in Helmond, ondertekenden. Onderwerp van deze verhoren was de aanranding van [slachtoffer 2], een feit dat niet aan de verdachte ten laste is gelegd.

Hoewel de aanvullende verklaringen niet zijn opgenomen door zedenrechercheurs, ziet het hof onder voormelde omstandigheden geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van het onder 2 ten laste gelegde feit, dan wel daaraan enig ander rechtsgevolg te verbinden, reeds omdat niet van enig door de verdachte geleden nadeel als gevolg hiervan is gebleken.

Het hof zal voormelde aanvullende verklaringen voorts niet gebruiken voor het bewijs van een van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten, zodat dit verweer ten aanzien van de bewijsuitsluiting geen nadere bespreking behoeft.

Conclusie ten aanzien van de gestelde vormverzuimen

Ook in onderlinge samenhang beschouwd geven de door de raadsvrouw gevoerde verweren ten aanzien van het strafrechtelijke onderzoek in deze zaak en de totstandkoming van de processen-verbaal, geen aanleiding tot het oordeel dat sprake is van een (zodanig) fundamentele inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, dan wel dat delen van het dossier van de bewijsvoering dienen te worden uitgesloten. Ook niet vanwege de mogelijke signaalwerking die daarvan uit zou dienen te gaan.

Het hof verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw in al zijn onderdelen.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van de feiten 1, tweede cumulatief, 3, tweede cumulatief, 5 en 6

Via social media is contact gelegd met de aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. Bij het benaderen van potentiële slachtoffers werd, op voorstel van de verdachte, gebruik gemaakt van een pseudoniem (verklaring van [naam 2], verhoor van 4 januari 2011, pagina 17). Hen is in strijd met de waarheid voorgespiegeld dat zij promotiewerkzaamheden konden verrichten, waarvoor een aantrekkelijke vergoeding in het vooruitzicht werd gesteld. Aan [slachtoffer 3] is gevraagd of zij nog vriendjes en vriendinnetjes had die werk zochten en ook konden gaan werken. Pas nadat zij ter plaatse waren gekomen werden de slachtoffers ingelicht over de precieze inhoud van het “werk” – te weten dat zij op eigen naam maar met een door de verdachte en/of zijn mededader(s) opgegeven adres dat niet het hunne was, bij verschillende (telefoon)winkels telefoonabonnementen moesten afsluiten en telefoons met sim-kaarten moesten kopen die zij vervolgens moesten afgeven aan verdachte(n)- , waarbij zij voortdurend door één of meer van de verdachten werden begeleid. Zodoende werd het voor elk van hen moeilijk(er) zich hieraan te onttrekken. De verdachten hebben dit, blijkens de verklaring van [naam 4] (pagina 66), doelbewust op deze manier aangepakt. De beloofde vergoeding is nooit (volledig) uitbetaald.

De aangeefsters betroffen telkens jonge vrouwen, waarbij misbruik is gemaakt van hun kwetsbaarheid en naïviteit. Bij het benaderen van potentiële slachtoffers had de verdachte een voorkeur voor jonge meisjes van 18 jaren oud, zo volgt uit de verklaringen van [naam 2] (verhoor van 4 januari 2011, pagina 17) en

[naam 3] (verhoor van 5 januari 2011, pagina 16).

Bij het benaderen van winkels om een telefoonabonnement af te sluiten dienden de aangeefsters steeds gebruik te maken van hun eigen gegevens, met uitzondering van het adres, dat door de verdachten aan hen ter beschikking werd gesteld en dat dientengevolge vals was. Zij hebben zich in strijd met de waarheid telkens voorgedaan als bona fide kopers, die op eigen naam en adres voor zichzelf een telefoon met abonnement wilden kopen. Op basis daarvan zijn deze bedrijven er telkens toe bewogen telefoonabonnementen af te sluiten en telefoons met sim-kaarten te verstrekken, welke telefoons en sim-kaarten vervolgens door de aangeefsters aan de verdachten moesten worden afgestaan.

Deze gedragingen zijn in min of meer identieke vorm een aantal keren herhaald, in relatie tot telkens weer andere (beoogde) aangeefsters en bedrijven.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de verdachte en zijn mededaders door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij anderen telkens een onjuiste voorstelling van zaken in het leven hebben geroepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken en zich te bevoordelen.

Het hof overweegt dat van algemene bekendheid is dat bij het afsluiten van een mobiele telefoonabonnement door de aanbieder daarvan aan de klant bij de telefoon tevens een simkaart wordt verstrekt, waaruit volgt dat verdachte en zijn mededaders steeds met genoemde telefoons ook de aan de respectievelijke aangeefsters verstrekte simkaarten in handen hebben gekregen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 tweede cumulatief, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 17 juli 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van mobiele telefoons en sim-kaarten, toebehorende aan die [slachtoffer 1] , en tot het aangaan van een schuld, te weten mobiele telefoonabonnementen, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte:

- die [slachtoffer 1] hardhandig heeft vastgepakt en met kracht aan haar bovenarm en haar zij heeft meegetrokken en

- dreigend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat als zij dat afsluiten van abonnementen niet zou doen, dat zij dan een probleem had

en

hij in de periode van 10 juli 2010 tot en met 17 juli 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons en sim-kaarten en tot het aangaan van een schuld, te weten mobiele telefoonabonnementen, hebbende verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- die [slachtoffer 1] via internet benaderd om promotiewerkzaamheden te verrichten en

- die [slachtoffer 1] naar Amsterdam laten komen en vervolgens

- in Amsterdam aangekomen die [slachtoffer 1] verteld dat het werk inhield dat zij telefooncontracten moest afsluiten en

- die Guichelaaar geld in het vooruitzicht gesteld voor het afsluiten van telefooncontracten en

- die [slachtoffer 1] een briefje met een fictief adres gegeven,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en aangaan van een schuld;

2. hij op 17 juli 2010 te Amsterdam door een feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, door gebruik te maken van de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] daarop niet bedacht was, die [slachtoffer 1] gedwongen te dulden dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] onverhoeds over haar vagina heeft gewreven en haar borst heeft betast en zoenen in haar nek/hals heeft gegeven;

3.
hij in de periode van 10 juli 2010 tot en met 17 juli 2010 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] te bewegen tot de afgifte van mobiele telefoons en sim-kaarten en tot het aangaan van een schuld, te weten mobiele telefoonabonnementen, met vorenomschreven oogmerk:

- die [slachtoffer 2], door tussenkomst van [slachtoffer 1] , heeft benaderd om promotiewerkzaamheden te verrichten en

- die [slachtoffer 2] naar Amsterdam heeft laten komen en

- in Amsterdam aangekomen die [slachtoffer 2] heeft verteld dat het werk inhield dat zij telefooncontracten moest afsluiten en

- die [slachtoffer 2] geld in het vooruitzicht heeft gesteld voor het afsluiten van telefooncontracten en

- die [slachtoffer 2] een adres heeft gegeven en laten instuderen;

5.
hij in de periode van 3 november 2010 tot en met 4 november 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons en sim-kaarten en tot het aangaan van een schuld, te weten mobiele telefoonabonnementen, hebbende verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- die [slachtoffer 3] via internet benaderd om promotiewerk te gaan doen met zeer goede verdiensten en

- die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gezegd dat zij een of meerdere telefoonabonnementen moesten afsluiten en

- die [slachtoffer 3] bij het afsluiten van die telefoonabonnementen gezegd het adres [adres 3] te Amsterdam op te geven en

- die [slachtoffer 4] bij het afsluiten van die telefoonabonnementen gezegd het adres [adres 5] op te geven en

- die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voorgehouden dat voornoemde telefooncontracten ongedaan gemaakt zouden worden,

waardoor die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

6.
hij op tijdstippen in de periode van 17 juli 2010 tot en met 4 november 2010 te Amsterdam telkens tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, diverse aanbieders van mobiele telefoons en mobiele telefoonabonnementen, hieronder nader gespecificeerd, heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of (een) sim-kaart(en), hebbende verdachte en zijn mededaders telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of in strijd met de waarheid,

( a) op 17 juli 2010 ten aanzien van de aanbieders van mobiele telefoons en mobiele telefoonabonnementen Belcompany ([plaats 2]) en T-Mobile Shop en telefoonkopen.nl en Belcompany ([plaats 1]) en

( b) op 4 november 2010 ten aanzien van de aanbieders van mobiele telefoons en mobiele telefoonabonnementen: Vodafone ([plaats 3]) en Primafoon ([plaats 2]) en Telefoonkopen.nl ([plaats 4]),

- zich voorgedaan als bonafide koper van telefoonabonnementen en

- telefoonabonnementen afgesloten op naam van (a) [slachtoffer 1] en (b) [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en

- daarbij gebruik gemaakt van een vals adres, te weten: (a) [adres 4] en (b) [adres 5] en [adres 3] te Amsterdam,

waardoor voornoemde aanbieders van mobiele telefoons en mobiele telefoonabonnementen werden bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Hetgeen onder 1, 2, 3 tweede cumulatief, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 tweede cumulatief, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

en

medeplegen van oplichting.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Het onder 3, tweede cumulatief bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot oplichting.

Het onder 5 en 6 bewezen verklaarde levert op, telkens:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3 tweede cumulatief, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 tweede cumulatief, 5 en 6 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de onder 1, 2, 3 tweede cumulatief, 5 en 6 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft samen met anderen jonge vrouwen via internet benaderd met de vraag of zij promotiewerk wilden doen tegen aantrekkelijke verdiensten. Nadat die vrouwen daarop in waren gegaan en met de verdachten een afspraak hadden gemaakt bleek dat zij op eigen naam en een ‘vals’ adres telefoonabonnementen moesten afsluiten. Bij die abonnementen behoorden, veelal dure, nieuwe mobiele telefoons die door de winkeliers aan deze vrouwen zijn gegeven, waarna deze door de verdachte en zijn medeverdachten zijn ingenomen. Op deze manier zijn aanbieders van mobiele telefoons en mobiele abonnementen bewogen tot afgifte daarvan. In één geval is het bij een poging gebleven. In een ander geval is een slachtoffer afgeperst. Zij is hardhandig vastgepakt en verbaal bedreigd dat zij abonnementen moest afsluiten. Dit slachtoffer is later ook nog door de verdachte aangerand. Het vertrouwen dat telefonieaanbieders in hun klanten en de door hen verstrekte gegevens moeten hebben is hierdoor aangetast. Zowel enkele van de vrouwen als de telefonieaanbieders hebben door het handelen van de verdachte en zijn mededaders financiële schade geleden. De verdachte en zijn mededaders hebben het vertrouwen van jonge vrouwen hiermee ernstig beschaamd, en bovendien de lichamelijke integriteit van één van hen geschonden.

Het hof neemt het de verdachte vooral kwalijk dat hij hiervoor – kennelijk weloverwogen – vrouwen heeft ‘gebruikt’ die nog maar net meerderjarig waren geworden, zodat zij zelfstandig financiële verplichtingen konden aangaan, maar nog naïef en kwetsbaar genoeg waren om zich hiertoe en tot de afgifte van de toestellen en de abonnementen aan de verdachte(n) over te laten halen, terwijl de verdachte bij het begaan van deze feiten een initiërende en leidende rol heeft gehad. Daarom kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf, anders dan door de verdachte bepleit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 september 2017 is hij voor vermogensdelicten eerder onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof acht, alles afwegende, mede gelet op de ouderdom van de bewezen verklaarde feiten, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden passend en geboden. Het hof is van oordeel dat daarnaast rekening moet worden gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden heeft plaatsgevonden. Sinds het instellen van het hoger beroep zijn zes en een half jaar verstreken. Hoewel een aanzienlijk gedeelte van die tijd het gevolg is van de uitvoering van nadere onderzoekswensen van de verdediging, heeft het onderzoek onredelijk lang stilgelegen nadat het onderzoek op 22 april 2015 is geschorst. Het hof zal de hiervoor vermelde straf daarom matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.690,68, bestaande uit een deel materiële schade van € 1.240,68 en een deel immateriële schade van € 450,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte heeft de hoogte van de vordering niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63, 246, 317 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3, eerste cumulatief, en 4 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 tweede cumulatief, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 tweede cumulatief, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.690,68 (duizend zeshonderdnegentig euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 1.240,68 (duizend tweehonderdveertig euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 1.690,68 (duizend zeshonderdnegentig euro en achtenzestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 december 2010 en van de immateriële schade op 17 juli 2010.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. W. F. Groos en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 november 2017.