Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:474

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
23-001465-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

winkeldiefstal in de AH

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001465-16

datum uitspraak: 17 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-026169-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 4 februari 2016 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid levensmiddelen en/of cd's en/of kleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal gelegen aan het Diemerplein), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat geen sprake is van een voltooide diefstal en dat de verdachte geen opzet had zich de goederen wederrechtelijk toe te eigenen. Zij moet om die reden worden vrijgesproken.

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich de in de kar bevindende goederen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Ten aanzien van de goederen die zich bevonden in de (hand)tas die aan de kar hing ligt dit anders. Het hof overweegt ten aanzien daarvan het volgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat zij haar tas aan de kar heeft laten hangen, zodat vast staat dat deze aan haar toebehoort. In deze tas zaten niet-afgerekende goederen van de Albert Heijn. De verdachte heeft voor de aanwezigheid van de goederen in haar (hand)tas geen aannemelijke verklaring gegeven. Naar het oordeel van het hof is hiermee sprake van een voltooide diefstal. De verdachte heeft immers door de goederen in de winkel niet in de kar maar in haar eigen (hand)tas te stoppen deze aan de feitelijke heerschappij van de Albert Heijn onttrokken. Hiermee heeft zij tevens gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De verweren worden verworpen.

Nu sprake is van een voltooide diefstal behoeven de verweren van de raadsvrouw omtrent vrijwillige terugtred geen bespreking.

Tot slot is het Hof met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de diefstal samen met een ander heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 4 februari 2016 te Diemen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig goed toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal gelegen aan het Diemerplein).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot 40 uren taakstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte, waaronder een haar betreffend reclasseringsrapport van 29 maart 2016. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in beschonken toestand schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een ergerlijk feit waarbij naast schade ook hinder voor de betrokken winkeliers wordt veroorzaakt. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 januari 2017 is zij niet eerder veroordeeld ter zake van soortgelijke misdrijven, maar is zij wel recent strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld voor een winkeldiefstal gepleegd kort na het onderhavige feit. Dat wijst naar het oordeel van het hof op een risico dat zij in herhaling vervalt. Uit genoemd reclasseringsrapport blijkt immers van financiële problematiek bij de verdachte, die in het bijzonder een risico op recidive zou kunnen opleveren. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte evenwel verklaard dat zij bezig is haar schuldenproblematiek aan te pakken. Het hof acht het echter aangewezen dat de verdachte binnen een justitieel kader (hierbij) wordt begeleid en zal daarom als bijzondere voorwaarden een meldplicht en verplichte deelname aan het hulpverleningstraject bij 'Samen Doen' opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur met bijzondere voorwaarden, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland zo frequent en zo lang deze instelling dit noodzakelijk acht;

- de veroordeelde verplicht is om mee te werken aan een hulpverleningstraject bij 'Samen Doen' (een samenwerkingsverband van gemeentelijke instellingen) of een andere hulpverleningsinstantie. Dit ter beoordeling van de Reclassering. De hulpverlening zal zich met name richten op de financiële problemen van de veroordeelde. Een schuldhulpverleningstraject kan hiervan deel uitmaken.

De Reclassering wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. M.J.A. Duker en mr. C. Laukens, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 februari 2017.

mr. C. Laukens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.