Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4722

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
23-001053-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak: één nacht slapen in woonkamer van woning met een hennepkwekerij in andere ruimtes is onvoldoende voor opzettelijk aanwezig hebben: niet kan worden vastgesteld dat de hennep zich in de machtssfeer van de verdachte bevond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001053-17

Datum uitspraak: 15 november 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-185230-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

1 november 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek

van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 januari 2015 te Amsterdam opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [locatie]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 154, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte in het pand waar hij is aangetroffen hennepplanten aanwezig heeft gehad. Zij heeft daarbij gewezen op de penetrante lucht waarmee hennepkwekerijen gepaard plegen te gaan en daaruit afgeleid dat de opmerking van de verdachte dat hij de wietlucht die hij rook niet vreemd vond, omdat de jongen van wie hij in de woning mocht slapen een jointje rookte, geen geloof verdient.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken op de grond dat hij slechts één nacht heeft geslapen in de woning waar de hennepkwekerij is aangetroffen, hij geen wetenschap had van deze kwekerij en de hennepplanten zich niet bevonden in zijn machtssfeer.

Het hof overweegt als volgt.

Voorop wordt gesteld dat voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten in de zin van artikel 3 van de Opiumwet uit de voorhanden bewijsmiddelen moet blijken dat bij de verdachte – een zekere mate van – wetenschap bestond ten aanzien van de aanwezigheid van die planten en dat deze zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden. Daarbij is de enkele vaststelling dat iemand heeft verbleven in een pand waar zich dergelijke planten bevonden en op de hoogte was van het feit dat daar hennepplanten waren niet voldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feitelijke toedracht.

In de nacht van 18 op 19 januari 2015 verbleef de verdachte in een woning aan de [adres 2] te Amsterdam. In de ochtend is hij omstreeks 08.30 uur gewekt door aanbellende politieambtenaren. De verdachte heeft de politieambtenaren binnen gelaten. In de woning roken de politieambtenaren een sterke wietlucht en troffen zij in twee ruimtes, niet zijnde de woonkamer, hennepplanten aan. In de woonkamer troffen de politieambtenaren een bankstel met daarop een kussen en deken aan.

De verdachte heeft het volgende verklaard. Omdat hij dakloos is, mocht hij van een jongen uit de buurt één nacht in de desbetreffende woning slapen. Deze jongen had de sleutels van de woning. Het was laat en donker toen de verdachte binnenkwam. Hij heeft geen hennepplanten gezien. De verdachte heeft gebruik gemaakt van het toilet en is op het bankstel in de woonkamer in slaap gevallen. De volgende ochtend is hij gewekt door politieambtenaren.

Het hof kan niet uitsluiten dat de verdachte slechts gedurende één nacht gebruik heeft gemaakt van de woonkamer en het toilet en dat hij niet in de overige ruimtes van de woning is geweest, in twee waarvan zich hennepplanten bevonden. Gelet op de door de opsporingsambtenaren in de woning waargenomen sterke wietlucht, is het niet erg waarschijnlijk dat de verdachte – anders dan hij heeft verklaard – zich niet bewust is geweest van de aanwezigheid van hennepplanten in de woning. Nu het dossier echter niet meer bewijs terzake behelst, kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat de hennep zich binnen de machtssfeer van de verdachte bevond, zodat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de hennepplanten toen en daar aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 3 onder B van de Opiumwet. Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij ook hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin

zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. W.F. Groos en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

15 november 2017.

mr. W.F. Groos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[...]