Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4719

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
R 000801-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verzoek ex art. 89 Sv - Onder de term 'zaak' moet worden verstaan al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Rekestnummer: R 000801-17 (89 Sv)

Parketnummer in hoger beroep: 23-000911-16

Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,

mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, [adres].

1 Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ten laste van de Staat, tot een bedrag van € 30.430,00, ter zake van schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer.

2 Procesverloop

Het verzoekschrift is op 12 juli 2017 ingekomen.

Op 1 augustus 2017 heeft de advocaat-generaal schriftelijk geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 27 oktober 2017 de advocaat-generaal, verzoeker en mr. A.A. Boersma, waarnemend advocaat van verzoeker, ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord.

3 Beoordeling van het verzoek

Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.

De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd met het arrest van dit hof van 3 maart 2017. Daarbij is aan verzoeker een geldboete van € 1.800,00, subsidiair 28 dagen hechtenis opgelegd voor de onder feit 2 en 3 bewezenverklaarde feiten. Feit 2 is gekwalificeerd als handelen in strijd met artikel 26 eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd. Voor dit feit is voorlopige hechtenis toegelaten. Feit 3 is gekwalificeerd als handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, voor welk feit geen voorlopige hechtenis is toegelaten.

Ook feit 1 is bewezenverklaard en gekwalificeerd als doodslag. Verzoeker is van dit feit echter ontslagen van alle rechtsvervolging na een geslaagd beroep op noodweer.

De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat het zaaksbegrip in casu niet aan een toekenning van een vergoeding in de weg staat. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de veroordeling niet in redelijke verhouding staat tot de door verzoeker geleden schade ten gevolge van de voorlopige hechtenis en dat geen, althans onvoldoende verband bestaat tussen het feit waarop de veroordeling ziet en het feit waarvoor de vrijheidsbeneming plaatsvond, de doodslag. De advocaat heeft daarbij onder meer verwezen naar een beschikking van dit hof van 4 december 2006 (ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ4693).

Verzoeker is op 12 februari 2015 inverzekering gesteld op grond van verdenking van moord of doodslag gepleegd te Amsterdam op 11 februari 2015. Op 17 februari 2015 is de bewaring bevolen, mede op grond van verdenking van overtreding van artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie (WWM). Deze laatste verdenking is ontstaan in het onderzoek naar de moord/doodslag en ziet onder meer op het aantreffen bij verzoeker thuis van een alarmpistool (categorie III onder, onder 4e, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten) met knalmunitie alsmede een stroomstootwapen (categorie II, onder 4/5).

Gelet op het voorgaande doet zich in dit geval niet een situatie voor als in de door de raadsman aangehaalde beschikking van het hof. In die zaak, waarin het hof overwoog dat sprake was van een zeer uitzonderlijk geval, waren zaken van geheel andere aard aan de orde waartussen geen, althans onvoldoende verband bestond, die gevoegd aan de rechter waren voorgelegd om louter proces-economische redenen. Onder de term ‘zaak’ moet worden verstaan al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had (HR 14 november 1989, NJ 1990, 274; HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1502). Voor een andere uitleg van dit begrip zoals de advocaat van verzoeker die voorstaat, bestaat - behalve in zeer uitzonderlijke situaties zoals bijvoorbeeld in voornoemde beschikking van het hof- geen steun in het recht. Nu de zaak niet is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, moet verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.

4 Beslissing

Het hof:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, A.M. Ruige en M.R. Cox, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 10 november 2017.