Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4688

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
200.195.795/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot terugbetaling van geldlening. Klachten (m.u.v. klacht over de hoogte van de vordering) tegen veroordelend vonnis falen. Geen klacht over kwalificatie van verweer als bevrijdend verweer en bewijslastverdeling, zodat het hof zich aan deze beslissingen gebonden acht. Het hof ziet geen grond voor toepassing van art. 21 Rv. na onjuist gebleken mededeling van procespartij in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.195.795/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 4502635 CV EXPL 15-9271

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 november 2017 (bij vervroeging)

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. J.T. Willemsen te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.J.F.M. Linders te Valkenburg aan de Geul,

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 10 juni 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 maart 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende processtukken ingediend:

  • -

    memorie van grieven, met producties;

  • -

    akte met productie van [appellant] ;

  • -

    memorie van antwoord.

Partijen hebben ter zitting van 11 oktober 2017 hun standpunten nader doen toelichten door hun voornoemde advocaten aan de hand van pleitnotities, die aan het hof zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met beslissing over de kosten (daaronder begrepen de beslagkosten).

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben bewijs aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.9) de feiten genoemd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief I is gericht tegen hetgeen is vermeld onder 2.2. Het hof komt daarop hierna terug. Nu de overige feiten in hoger beroep niet in geschil zijn, dienen deze (overige) feiten ook het hof tot uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

[appellant] is in dienst geweest bij World Wide Logistics B.V. (WWL), waarvan [geïntimeerde] directeur/grootaandeelhouder was. WWL is op 5 december 2006 in staat van faillissement verklaard. Per 1 juli 2013 is [appellant] in dienst getreden van Nando Trading B.V. (Nando Trading), opgericht door [geïntimeerde] . Nando Trading is op 2 juni 2015 failliet verklaard.

3.2.

In dit geding vordert [geïntimeerde] veroordeling van [appellant] tot betaling van het bedrag van € 11.500,- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 september 2014) alsmede het bedrag van € 890,- wegens buitengerechtelijke incassokosten. [geïntimeerde] heeft aan zijn hoofdvordering ten grondslag gelegd dat hij [appellant] in totaal € 11.500,- heeft geleend om hem te helpen: [appellant] verkeerde in financiële problemen en kon met het door [geïntimeerde] geleende bedrag zijn schulden afbetalen en zijn woning opknappen en inrichten.

3.3.

[appellant] heeft de door [geïntimeerde] gestelde geldlening betwist. [appellant] heeft aangevoerd dat hij weliswaar geld heeft ontvangen van [geïntimeerde] , maar dat deze betalingen dienden als vergoeding voor achterstallig loon dat [appellant] nog tegoed had van WWL.

3.4.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. Hetgeen de kantonrechter daartoe ten aanzien van de hoofdvordering heeft overwogen, kan als volgt worden weergegeven. [appellant] erkent het bedrag van € 11.500,- van [geïntimeerde] te hebben ontvangen, maar voert aan dat dit achterstallig salaris betrof over de periode tussen de inval van de Fiod op 13 juni 2006 en de faillietverklaring van WWL op 5 december 2006 en dat [geïntimeerde] hem had toegezegd dat salaris te betalen zodra hij weer over geld zou beschikken. [geïntimeerde] heeft onweersproken gesteld dat zijn privérekening tijdens het faillissement niet geblokkeerd is geweest en hij daarover dus steeds de beschikking heeft gehad. Tevens is vast komen te staan dat alle medewerkers van WWL hun achterstallig salaris van de curator in het faillissement hebben ontvangen. Dat geldt dus ook voor [appellant] . Bovendien is het onbegrijpelijk waarom [geïntimeerde] [appellant] zes jaar later plotseling door WWL in 2006 aan [appellant] verschuldigd salaris zou gaan betalen, mede nu [geïntimeerde] ook tijdens dat faillissement over zijn eigen rekening kon beschikken in 2006. Daar komt nog bij dat ter comparitie vast is komen te staan dat het bruto maandsalaris van [appellant] rond de € 1.600,- was, zodat het netto salaris van zes maanden aanmerkelijk lager ligt dan het door [appellant] ontvangen bedrag van € 11.500,-. [appellant] , op wie de bewijslast rust van zijn bevrijdend verweer, heeft weliswaar een algemeen bewijsaanbod gedaan, maar nu hij geen feiten en/of omstandigheden heeft aangedragen die, indien bewezen, de conclusie rechtvaardigen dat sprake is geweest van een salarisbetaling door [geïntimeerde] privé aan [appellant] , kan hem geen bewijsopdracht worden verleend. Het verweer van [appellant] wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd verworpen.

3.5.

In grief I keert [appellant] zich tegen de vermelding in het vonnis onder 2.2 dat [geïntimeerde] aan hem in de tweede helft van 2012 bedragen heeft betaald tot een totaal van € 11.500,-. Deze grief is kennelijk eveneens gericht tegen de overweging in het vonnis onder 5.1 dat [appellant] erkent het bedrag van € 11.500,- van [geïntimeerde] te hebben ontvangen. [appellant] verwijst naar de bij memorie van grieven overgelegde bankafschriften en voegt daaraan toe dat daaruit volgt dat hij slechts € 9.500,- heeft ontvangen van [geïntimeerde] en dat hij stelt dat hij geen contante betalingen in ontvangst heeft genomen.

3.6.

Deze grief slaagt. Het totaalbedrag dat steun vindt in de overgelegde bankafschriften bedraagt € 9.500,-. Tegenover de betwisting door [appellant] van de stelling van [geïntimeerde] dat hij ( [appellant] ) daarnaast nog voor een totaalbedrag van € 2.000,- contant geld van [geïntimeerde] heeft ontvangen, rust op [geïntimeerde] de bewijslast van die stelling. Dat bewijs is niet geleverd met de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen. [appellant] betwist immers de juistheid van deze verklaringen. [geïntimeerde] heeft geen bewijsaanbod gedaan dat hierop is toegesneden, terwijl het hof geen aanleiding ziet [geïntimeerde] op dit punt ambtshalve bewijs op te dragen. De desbetreffende stelling van [geïntimeerde] wordt daarom als onbewezen verworpen. [geïntimeerde] heeft nog gesteld dat [appellant] ter comparitie in eerste aanleg heeft erkend dat hij € 11.500,- van [geïntimeerde] heeft ontvangen, maar van zodanige erkenning kan het hof niet uitgaan. Een proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg ontbreekt, uit rechtsoverweging 5.1 van het vonnis volgt niet dat [appellant] de door [geïntimeerde] gestelde hoogte van het bedrag ter comparitie als juist heeft erkend, terwijl het hof evenmin op basis van de ter zitting in hoger beroep gegeven antwoorden op vragen van het hof de gestelde erkenning als vaststaand kan aannemen.

3.7.

In grief II komt [appellant] op tegen de overweging van de kantonrechter dat [geïntimeerde] ter comparitie onweersproken heeft gesteld dat zijn privérekening tijdens het faillissement niet geblokkeerd is geweest en hij daarover dus steeds de beschikking heeft gehad. In grief III bestrijdt [appellant] de overweging dat vast is komen te staan dat alle medewerkers van WWL hun achterstallig salaris van de curator in het faillissement hebben ontvangen. Met grief IV keert [appellant] zich tegen de overweging dat het onbegrijpelijk is waarom [geïntimeerde] [appellant] dan zes jaar later plotseling door WWL in 2006 aan [appellant] verschuldigd salaris zou gaan betalen. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

3.8.

Eventuele gegrondheid van deze grieven zou op zichzelf niet kunnen leiden tot vernietiging van het vonnis en afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] . Gegrondheid ervan zou immers hoogstens kunnen meebrengen dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, het verweer van [appellant] alsnog als een voldoende gemotiveerde betwisting van de vordering van [geïntimeerde] zou moeten worden aangemerkt. In ieder geval zou dat zo zijn ten aanzien van de in de grieven II t/m IV bestreden uitgangspunten. Ook bij veronderstelde gegrondheid van deze grieven blijft het hof echter gebonden aan de overweging in het vonnis onder 5.3 omtrent de aard van het verweer van [appellant] (“dat sprake is geweest van een salarisbetaling door [geïntimeerde] privé aan [appellant] ”) en de kwalificatie ervan als een “bevrijdend verweer” alsmede aan de overweging dat de bewijslast hiervan op [appellant] rust. [appellant] heeft de desbetreffende overweging niet door middel van een grief bestreden en in de grieven ligt een hierop gerichte klacht niet besloten. [appellant] heeft overigens ook niet anders beweerd naar aanleiding van het hierop betrekking hebbende betoog bij memorie van antwoord en pleidooi aan de zijde van [geïntimeerde] .

3.9.

Nu aldus moet worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen de kantonrechter in rechtsoverweging 5.3 heeft overwogen, moet het aanbod van [appellant] “zijn stellingen te bewijzen door middel van het horen van getuigen, waaronder zichzelf, danwel het overleggen van schriftelijke bescheiden” als onvoldoende specifiek worden verworpen. Het hof ziet geen aanleiding [appellant] ambtshalve een bewijsopdracht te geven reeds omdat het uit de eigen stellingen van [appellant] bij pleidooi afleidt dat [appellant] daarin niet zal slagen (“Het verhaal van [appellant] , namelijk dat sprake is geweest van betalingen van achterstallig loon uit de eerdere tijd dat [appellant] werkzaam was bij [geïntimeerde] , is minstens even geloofwaardig als de lezing van [geïntimeerde] . Helaas is niet exact vast te stellen wat er precies is gebeurd, gelet op het tijdsverloop”).

3.10.

Bij pleidooi heeft [appellant] bepleit dat de onjuistheid van de stelling van [geïntimeerde] in eerste aanleg dat zijn privérekening tijdens het faillissement niet geblokkeerd is geweest en dat hij daarover dus steeds de beschikking heeft gehad op grond van artikel 21 Rv. gevolgen moet hebben. [appellant] heeft in dat verband als mogelijke gevolgen genoemd afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] , het passeren van de stellingen van [geïntimeerde] over de vermeende lening, het niet meer voor juist kunnen houden van de stellingen van [geïntimeerde] en gevolgen voor de verdeling van de bewijslast.

3.11.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep erkend dat hij “inderdaad een tijd niet over enkele privérekeningen kon beschikken”. Het hof ziet in de onjuistheid op dit punt echter onvoldoende grond om daaraan op de voet van artikel 21 Rv. enigerlei gevolgtrekking te verbinden omdat het door [geïntimeerde] in het verleden al of niet kunnen beschikken over een privérekening naar het oordeel van het hof in een te ver verwijderd verband staat tot het onderhavige geschil, te meer nu er op zichzelf beschouwd geen betalingsverplichting van [geïntimeerde] in privé jegens [appellant] bestond. Het hof voegt hieraan nog het volgende toe. Ter zitting in hoger beroep heeft het hof [appellant] vragen gesteld naar aanleiding van zijn verweer dat de door hem van [geïntimeerde] ontvangen bedragen tot een totaal van € 9.500,- (niettegenstaande de vermelding op de desbetreffende bankafschriften van “lening”) een vergoeding waren voor achterstallig loon dat [appellant] nog tegoed had van WWL. [appellant] heeft daarover bij memorie van grieven (onder 6) opgemerkt dat het zes maandsalarissen betrof ter hoogte van € 9.500,-. Daarnaar gevraagd, heeft [appellant] meegedeeld dat zijn bruto maandsalaris ongeveer € 1.600,- bedroeg. Deze mededeling strookt met hetgeen de kantonrechter hieromtrent (niet door [appellant] bestreden) heeft overwogen. Gevraagd naar een verklaring hoe zes bruto maandsalarissen van € 1.600,- te rijmen zijn met een netto betaling van € 9.500,-, heeft [appellant] aanvankelijk verklaard dat zijn netto maandsalaris destijds ongeveer € 1.500,- bedroeg. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij niet meer weet of zijn bruto maandsalaris € 1.600,- bedroeg en dat hij met [geïntimeerde] helemaal niet heeft gesproken over netto of bruto bij de onderhavige betalingen per bank. Ook heeft hij meegedeeld dat hij niet met [geïntimeerde] heeft gesproken over het aantal maanden achterstallig salaris. Het hof constateert dat [appellant] aldus een weinig consistente verklaring heeft gegeven voor de door hem ontvangen bedragen, hetgeen minst genomen twijfel doet rijzen aan het waarheidsgehalte van zijn verweer.

3.12.

Het voorgaande betekent dat [appellant] belang mist bij verdere bespreking van de grieven II t/m IV.

3.13.

Grief V mist zelfstandige betekenis en kan daarom eveneens verder onbesproken blijven.

3.14.

De slotsom luidt dat grief I slaagt en dat de overige grieven geen succes hebben. Het vonnis zal daarom gedeeltelijk worden vernietigd. Het hof zal het in eerste aanleg toegewezen bedrag wegens buitengerechtelijke kosten (€ 890,-) verminderen tot € 850,-, het bedrag dat aansluit bij de in hoger beroep toewijsbaar geoordeelde hoofdsom. Bij deze uitkomst bestaat aanleiding de kostenveroordeling in eerste aanleg ten laste van [appellant] in stand te laten en de kosten van het hoger beroep te compenseren.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis doch uitsluitend voor zover [appellant] daarbij (onder 6.1) is veroordeeld tot betaling van een hoger bedrag dan € 10.350,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.500,- vanaf 12 september 2014 tot aan de dag van de gehele betaling en wijst de vordering in zoverre alsnog af;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Boot, C.M. Aarts en R.J.F. Thiessen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.