Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4682

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
02-07-2018
Zaaknummer
200.152.792/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 31 maart 2015. Geen uitzondering op verbod van rente op rente naar Irakees recht. De eerste rechter heeft, op een relatief gering gedeelte na, terecht de bank veroordeeld tot betaling onder de letter of credit (L/C).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.152.792/01

zaak-/rolnummer rechtbank: C/13/530223/ HA ZA 12-1350 (Amsterdam)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 november 2017

inzake

de rechtspersoon naar vreemd recht CENTRAL BANK OF IRAQ,

gevestigd te Bagdad, Irak,

appellant,

advocaat: mr. W.P. Wijers te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht SIEMENS AKTIENGESELLSCHAFT,

gevestigd te München, Duitsland,

geïntimeerde,

advocaat: mr. Ph.A. Vos te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom CBI respectievelijk Siemens genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 31 maart 2015 een tussenarrest uitgesproken. Voor het een weergave van het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar bedoeld tussenarrest.

Siemens heeft vervolgens een akte uitlating renteberekening tevens houdende wijziging eis, met producties ingediend.

CBI heeft daarop bij antwoordakte, met productie, gereageerd.

Vervolgens is wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.

Het hof blijft bij en verwijst naar hetgeen in het tussenarrest van 31 maart 2015 is overwogen en beslist.

In genoemd tussenarrest heeft het hof geconstateerd dat Siemens bij de becijfering van de door haar gevorderde hoofdsom is uitgegaan van de verschuldigdheid door de CBI van samengestelde rente doch met ingang van 26 januari 2001 rente vordert gefixeerd op een vast bedrag per dag. Het hof heeft daarin aanleiding gezien om Siemens in de gelegenheid te stellen de wijze waarop zij de door haar gevorderde rente heeft berekend en de uitgangpunten die zij daarbij heeft gehanteerd nader toe te lichten.

2.2.

Blijkens hun stellingen in hoger beroep gaan beide partijen er vanuit dat de vragen die door middel van grief 5 aan de orde worden gesteld (kort gezegd de ingangsdatum van door CBI verschuldigde rente en de hoogte daarvan) geregeerd worden door Iraaks recht (vgl. memorie van grieven onder 6.3 e.v., memorie van antwoord onder 34 e.v. , pleitnota CBI hoofdstuk 5, pleitnota Siemens onder 30 e.v.).

Siemens heeft voldoende feitelijk toegelicht dat aan haar onder de Letter of Credit (hierna L/C) met ingang van 25 december 1989 (datum van verzending van de 240 telexapparaten) een rente van 6% over het niet betaalde deel van de koopsom (zijnde 85% van DM 3.508.800,- is DM 2.982.480,-) toekomt. Uit de L/C valt niet op te maken of deze rente enkelvoudig (het standpunt van CBI) of samengesteld (het standpunt van Siemens) moet worden berekend. Partijen zijn het er op zichzelf over eens dat naar Iraaks recht (artikel 174 IBW) rente in beginsel enkelvoudig wordt berekend doch uitzonderingen hierop kunnen worden aanvaard waar het internationale handelstransacties betreft. Het hof ziet in het feit dat partijen dit punt blijkens de inhoud van de L/C kennelijk ongeregeld hebben gelaten reden om het onderhavige geschilpunt in de door CBI verdedigde zin te beslissen en van een enkelvoudige renteberekening uit te gaan, te meer nu Siemens in eerste aanleg, vanaf een tijdstip gelegen kort voor de inleidende dagvaarding, deze (in Nederland niet gangbare) wijze van renteberekening aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd en ook ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep nog van haar zijde is verklaard dat zij geen samengestelde rente vordert.

2.3.

Het maximum bedrag waarvoor het accreditief is verstrekt beloopt DM 3.898.028,- (omgerekend € 1.993.027,51). Indien wordt uitgegaan van een enkelvoudige rente van 6% per jaar bedraagt de verschuldigde rente over het de restant koopsom (ad DM 2.982.480,-) DM 178.948,80 per jaar. Uitgaande van dit laatste bedrag is het maximum bedrag (“the aggregate amount”) van de L/C reeds na ruim vijf jaar bereikt (het verschil tussen het maximum bedrag en de restant koopsom is DM 915.548, gedeeld door 178.948,80 is 5,116). Niet in geschil is dat CBI aan de aldus begin 1995 ontstane verplichting om onder de L/C DM 3.898.028,- aan Siemens te betalen niet heeft voldaan. Dat CBI en Siemens zijn overeengekomen dat CBI ook na het bereiken van het maximum bedrag de in de L/C vermelde rente van 6% (die kennelijk is ontleend aan door Siemens met haar afnemer, de Iraakse Staat, gemaakte afspraken) verschuldigd zou zijn ter zake van het door CBI niet nakomen van de op haar uit hoofde van L/C jegens Siemens rustende betalingsverplichtingen, valt uit de L/C niet op te maken en is ook verder door Siemens niet (voldoende) duidelijk gesteld laat staan met enig bewijsmateriaal gestaafd. Wel acht het hof de naar Iraaks recht geldende wettelijke rente “in respect of commercial matters” toewijsbaar doch, ingevolge de hoofdregel van artikel 171 Iraaks Burgerlijk Wetboek (IBW), eerst met ingang van het tijdstip van de inleidende dagvaarding, zijnde 19 februari 2001, nu omtrent een ander tijdstip dat ingevolge “commercial rules and usage” zou gelden onvoldoende is gesteld. Dat ingevolge “commercial rules and usage” in het kader van een door een bank verleend accreditief ten behoeve van een buitenlandse leverancier het rente plafond voorzien in artikel 174 IBW niet geldt is door Siemens overtuigend toegelicht. Het hof acht bedoelde rente toewijsbaar zonder een daaraan te verbinden maximum.

2.4.

In het tussenarrest van 31 maart 2015 zijn de grieven 1 tot en met 4 van CBI besproken en verworpen. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de vijfde grief van CBI gedeeltelijk slaagt en het vonnis waarvan beroep voor zover het de hoogte van het toegewezen bedrag betreft niet in stand kan blijven.

De vordering van Siemens is in hierna te vermelden zin (beperkt) toewijsbaar. Haar gewijzigde eis is blijkens het voorgaande, wat er zij van het tijdstip van indiening daarvan, niet toewijsbaar. Het hof ziet in deze uitkomst van het geding aanleiding om CBI (niettemin) als hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij aan te merken en haar te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt CBI om aan Siemens te voldoen een bedrag van € 1.993.027,51 (éénmiljoen negenhonderddrieënnegentigduizend zevenentwintig euro en éénenvijfig eurocent) te vermeerderen met de naar Iraaks recht geldende wettelijke rente in respect of commercial matters sedert 19 februari 2001 tot de dag der voldoening;

veroordeelt CBI in de kosten van het geding in beide instanties aan de zijde van Siemens begroot op € 3.534,14 aan verschotten en op € 8.027,50 voor salaris in eerste aanleg en tot op heden op € 5.114,- aan verschotten en op € 16.030,- voor salaris in hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, M.P. van Achterberg en A.W.H. Vink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.