Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:468

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
23-002294-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangifte doen dat een strafbaar feit is gepleegd, wetende dat het niet gepleegd is. Politie als benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002294-16

datum uitspraak: 7 februari 2017

TEGENSPRAAK (uitdrukkelijk gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-113646-15 tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 juli 2014 te Haarlem aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van wederrechtelijk gebruik van identificerende persoonsgegevens.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen, onder meer omdat hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij tot een andere beslissing komt.

Bespreking van een bewijsverweer in hoger beroep.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde nu het feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft daartoe gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven – niet valt uit te sluiten dat niet de verdachte, maar een ander dan de verdachte gebruik heeft gemaakt van de identiteitsgegevens van de verdachte en aldus identiteitsfraude heeft gepleegd, waarvan de verdachte terecht aangifte heeft gedaan.

Het hof overweegt dat uit de inhoud van het dossier en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het volgende is gebleken.

De verdachte heeft op 21 juli 2014 aangifte gedaan van identiteitsfraude, een onbekend persoon zou meerdere malen zijn, verdachtes, identiteitsgegevens hebben opgegeven bij controlepersoneel van de Nederlandse Spoorwegen N.V. om onder boetes voor zwart reizen uit te komen. De verdachte heeft daarbij onder meer te kennen gegeven dat hij zelf nooit met de trein reist.

Het proces-verbaal van 7 november 2014 opgemaakt door verbalisant [verbalisant] houdt het volgende in. Aan hem zijn door de Nederlandse Spoorwegen (hierna:NS) dertien processen-verbaal opgemaakt tegen [verdachte] verstrekt. Uit de processen-verbaal blijkt dat de NS twee keer de identiteit van de reiziger heeft geverifieerd door middel van een paspoort dat, naar later bleek, op naam stond van de verdachte. Twee keer heeft er verificatie plaatsgevonden door een kopie van een paspoort, ook op naam van de verdachte. Daarnaast is de identiteit in een ander geval geverifieerd aan de hand van een bankpas, die gekoppeld was aan een rekening op naam van de verdachte. Tot slot is door de reiziger bij controle tot twee keer toe een adres opgegeven waar de verdachte voorheen ingeschreven heeft gestaan en is door de reiziger in de andere gevallen steeds het adres opgegeven waar de verdachte woonachtig was, dan wel een adres dat daarmee grote overeenkomsten vertoonde (“[adres]).


De gegevens die zijn gebruikt voor de bovenstaande verificaties hebben alle betrekking op de verdachte. Het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat een ander dan de verdachte over al deze gegevens – en daarbij in twee gevallen over het originele paspoort van de verdachte – heeft beschikt. Hiervoor zijn ook geen aanknopingspunten te vinden in het dossier. Hieruit trekt het hof de conclusie dat het de verdachte zelf is geweest die zich telkens ten overstaan van de controlerende ambtenaar heeft geïdentificeerd en niet een ander die zich voor hem heeft uitgegeven. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is geweest van wederrechtelijk gebruik van identificerende persoonsgegevens van de verdachte, zodat het feit waarop de aangifte betrekking heeft niet is gepleegd, waaraan niet afdoet dat in zeven gevallen geen verificatie heeft plaatsgevonden aan de hand van een identiteitsbewijs. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 juli 2014 te Haarlem aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van wederrechtelijk gebruik van identificerende persoonsgegevens.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van twintig uren te vervangen door tien dagen hechtenis

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft, nadat hij zich bij herhaling had schuldig gemaakt aan zogenaamd zwart reizen in de trein, een valse aangifte van identiteitsfraude gedaan. Door aldus te handelen heeft hij de politie misleid en nodeloos beslag gelegd op opsporingscapaciteit. Dit is een ernstig feit op grond waarvan een taakstraf een passende straf is. Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 11 januari 2017 blijkt dat de verdachte nog niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld. Nu de verdachte niet ter zitting is verschenen, heeft het hof geen kennis kunnen nemen van zijn meest recente persoonlijke omstandigheden noch inzicht gekregen in wat de verdachte heeft bewogen tot het plegen van dit feit en de onderliggende problematiek. Alle omstandigheden in aanmerking nemende is er geen reden af te wijken van de straf zoals deze in eerste aanleg is opgelegd, zodat het hof een taakstraf van twintig uren passend en geboden acht.

Vordering benadeelde partij

De [benadeelde], gevestigd te Haarlem, heeft zich overeenkomstig artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van de door haar geleden materiële schade van in totaal € 577,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit 17,5 uren à € 33,-- per uur. Het door de politie in het kader van de onderhavige aangifte gedane onderzoek is gespecificeerd. De specificatie behelst vier onderdelen: het opnemen van de aangifte, het op grond van de aangifte gestarte tactisch onderzoek, het verhoor van de verdachte en dossiervorming.

De vordering is in eerste aanleg geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering opnieuw gevoegd met een vordering overeenkomstig die in eerste aanleg.

Namens de verdachte is de vordering en de hoogte ervan betwist. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities allereerst aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen gezien het verweer tot vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de geschonden norm van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht strekt tot bescherming tegen het gevaar voor misleiding van politie en justitie, maar niet zonder meer tot bescherming tegen de kosten die daaruit voortvloeien. Volgens de raadsvrouw maken de door de politie verrichte werkzaamheden deel uit van de uitvoering van de wettelijke taak van de politie; strafvordering is een overheidstaak en de kosten worden uit algemene middelen betaald. De raadsvrouw heeft gewezen op een uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2011:BP1518).

Voorts heeft de raadsvrouw gewezen op een uitspraak van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2016:2135), waarin slechts de schade die is geleden toen de politie in de veronderstelling verkeerde dat de aangifte juist was, voor vergoeding in aanmerking kwam, maar verhaal van de kosten van de inzet van de politie naar aanleiding van het onderzoek naar de valse aangifte is afgewezen. De raadsvrouw heeft voorts gesteld dat het onderzoek van de politie en de kosten die daaruit zijn voortgevloeid onvoldoende zijn gespecificeerd, zodat de feitelijke grondslag ontbreekt. Nu het zonder nader onderzoek niet eenvoudig is vast te stellen welke schade is geleden toen de politie (nog) in de veronderstelling verkeerde dat de aangifte juist was, en welke kosten daarna zijn gemaakt, is de vordering van de benadeelde partij zoals die thans voorligt niet eenvoudig genoeg om in de strafzaak te worden behandeld, zodat de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard, aldus de raadsvrouw.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. Hij heeft daarbij gewezen op een uitspraak van dit hof van 24 juli 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:2965), waarbij een soortgelijke vordering is toegewezen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het subsidiaire verweer van de raadsvrouw ziet op de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij geleden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval (zie HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR: 2014:959 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR: 2016:1522).

In het onderhavige geval heeft de verdachte, kort gezegd, opzettelijk valse aangifte van een strafbaar feit gedaan. De politie heeft deze aangifte opgenomen, daarnaar onderzoek verricht en is op basis van gegevens uit dat onderzoek gaan vermoeden dat valse aangifte was gedaan, waarop de verdachte als verdachte is gehoord en het onderhavige dossier is gevormd.

Met het doen van valse aangifte heeft de verdachte onrechtmatig – namelijk in strijd met een wettelijke plicht – jegens de politie Noord Holland gehandeld. Deze daad kan de verdachte worden toegerekend en hij is dan ook verplicht de schade die de politie dientengevolge heeft geleden, te vergoeden. De verdachte wist of had moeten weten dat de politie kosten zou moeten maken in verband met het onderzoek naar de door hem verzonnen identiteitsfraude. Daarmee heeft hij, kennelijk om er zelf beter van te worden, onnodig kosten veroorzaakt bij de politie, zonder dat daarmee een belang werd gediend dat de politie zich moest aantrekken. Dat is een schending van een wettelijke plicht die er mede toe strekt het belang van de politie te beschermen, zodat aan het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 6:163 BW is voldaan. Het hof is van oordeel dat de schade die is geleden door de inzet van politiecapaciteit toen de [benadeelde] in de veronderstelling verkeerde dat de aangifte waarachtig was, voldoende verband houdt met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De [benadeelde] heeft daardoor rechtstreeks schade geleden, welke schade voldoende is gespecificeerd, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige – het onderzoek dat naar de valsheid van de aangifte is gedaan door het verhoor van de verdachte en de vorming van het onderhavige dossier– zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Het opsporingsonderzoek naar die valse aangifte als strafbaar feit behoort immers tot de gewone politietaak, welke schade niet als rechtstreeks gevolg van het onrechtmatig handelen van de verdachte voor vergoeding in aanmerking komt.

Hieruit volgt dat de gevorderde schade tot een bedrag van (11,5 uren à € 33,-- per uur =)

€ 379,50 ,- voor toewijzing gereed ligt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal het hof de verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en de vordering kan voor dat gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 188 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Vernietigt de strafbeschikking uitgevaardigd op 9 oktober 2015 onder CJIB-nummer 4132 5420 0239 6601.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 379,50 (driehonderd en negenenzeventig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 379,50 (driehonderd en negenenzeventig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. C.N. Dalebout en mr. Y.M.J.I. Baauw - de Bruijn, in tegenwoordigheid van D.E.C. Velthuis, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 februari 2017.

De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.