Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:467

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
23-002999-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002999-16

datum uitspraak: 7 februari 2017

TEGENSPRAAK (raadsman uitdrukkelijk gemachtigd)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte, tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 4 augustus 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-810209-16 en de daarvan deel uitmakende beslissing op de vordering tenuitvoerlegging onder parketnummer 15-020672-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 juli 2016 in de gemeente Haarlem, ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, in/uit een schoenmakerij aan [adres 1] weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), en/of dat (die) weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn (hun) bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, opzettelijk met zijn mededader(s), althans alleen, de onderste ruit van een toegangsdeur van die winkel heeft/hebben vernield door een steen, althans een hard voorwerp, tegen die ruit te gooien en/of met geschoeide voet tegen die ruit te trappen, zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn, verdachte's, en/of zijn mededader(s) wil onafhankelijke omstandigheid, dat hij/zij werd(en) gestoord door (een) voorbijganger(s) en/of de politie ter plaatse verscheen, in elk geval alleen tengevolge van enige van zijn, verdachte's, wil onafhankelijke omstandigheid;

2.
hij op of omstreeks 24 juli 2016 in de gemeente Haarlem brigadier van politie [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Vuile vetzak" en/of "Ik maak je helemaal af. Als ik je in burger tegenkom, dan sloop ik je helemaal. Ik weet dat jij met je vrouw boodschappen doet bij de Vomar. Ik trek gewoon een bivakmuts aan en maak jullie helemaal af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bespreking van gevoerde bewijsverweren

Standpunt van de verdediging t.a.v. feit 1:

Ter terechtzitting heeft de raadsman aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een begin van uitvoering van een diefstal door middel van braak. De raadsman heeft dit standpunt onderbouwd met de volgende feiten en omstandigheden. De getuigen [Getuige 1] en [Getuige 2] beschrijven enkel dat de jongens naar binnen keken en dat zij zijn weggelopen bij de komst van een fietser. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt slechts dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zich bevonden voor de deur van de schoenmakerij en dat de verdachte bij het zien van de politie heeft gezegd dat er gerend moest worden. Deze gedragingen kunnen niet gekwalificeerd worden als een begin van uitvoering van een diefstal, aldus de raadsman. De waarnemingen van de getuigen kunnen evengoed duiden op een vernieling.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat uit de bewijsmiddelen de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking met de betrokken medeverdachten, gericht op het plegen van het delict, niet kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat sprake was van een bepaalde taakverdeling. Voorts blijkt nergens uit wie, welke bijdrage heeft geleverd en of die bijdragen van voldoende gewicht waren, aldus de raadsman.

Beoordeling:

Het hof verwerpt het verweer ten aanzien van de poging tot diefstal en overweegt daartoe het volgende.


Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tegen de deur van de schoenmakerij heeft getrapt, waarna de ruit daarvan – die al was ingegooid met een stoeptegel – verder stuk ging. Getuige [Getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte meerdere keren in de etalage en naar de deurklink heeft gekeken voordat hij de ruit intrapte. Getuige Van [Getuige 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat twee jongens via het raam van de schoenmakerij dat stuk was naar binnen keken en dat zij zijn weg gestapt bij de komst van fietsers. De getuige heeft verklaard: “Omdat ze elke keer weer terug kwamen hebben we gebeld met de politie”.

Het hof is van oordeel dat de handelingen die de verdachte heeft verricht, te weten het in de etalage en naar de deurklink kijken, het daarop verder stuk trappen van de ruit, het naar binnen kijken door de kapotte ruit en het telkens weglopen en weer terugkomen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het wegnemen van geld of goederen uit de schoenwinkel, met braak. De gedragingen passen niet bij een vernieling.

Het hof volgt de raadsman in zijn verweer dat medeplegen niet kan worden bewezen. Op grond van de bewijsmiddelen is immers te weinig bekend over een eventuele samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Enkel de betrokkenheid van de verdachte kan worden bewezen. Van het ten laste gelegde medeplegen wordt de verdachte dan ook vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging t.a.v. feit 2:

De raadsman heeft voorts gesteld dat de uitwerking van de geluidsopname leidend dient te zijn bij de beoordeling of sprake is geweest van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Op de geluidsopname komt een dergelijke bedreiging niet voor en daarom moet de verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 2, aldus de raadsman.

Beoordeling

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.


Op grond van de - op ambtseed afgelegde - verklaringen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kan een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, wettig en overtuigend worden bewezen. Het hof volgt de politierechter in het oordeel dat aannemelijk is dat de geluidsopname pas ná de geuite bedreigingen is gestart. Het feit dat in de uitgewerkte geluidsopname het gedeelte over de Vomar ontbreekt, terwijl beide verbalisanten juist over deze passage verklaren en terwijl dit gedeelte op verbalisant [verbalisant 1] , zo blijkt uit zijn verklaring, grote indruk heeft gemaakt, draagt bij aan de overtuiging dat pas later met de opname is begonnen. Anders dan de raadsman heeft bepleit komt het woord “Vomar” of “supermarkt” niet voor in de uitwerking van de geluidsopname.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 24 juli 2016 in de gemeente Haarlem, ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in een schoenmakerij aan [adres 1] weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, toebehorende aan [slachtoffer 1] , en die weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, opzettelijk de onderste ruit van een toegangsdeur van die winkel heeft vernield door een steen tegen die ruit te gooien en met geschoeide voet tegen die ruit te trappen, zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen ten gevolge van de van zijn, verdachtes wil onafhankelijke omstandigheid, dat hij werd gestoord door voorbijgangers;


2.
hij op 24 juli 2016 in de gemeente Haarlem brigadier van politie [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik maak je helemaal af. Als ik je in burger tegenkom, dan sloop ik je helemaal. Ik weet dat jij met je vrouw boodschappen doet bij de Vomar. Ik trek gewoon een bivakmuts aan en maak jullie helemaal af.”

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Het hof neemt over uit het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep, de bewijsmiddelen onder de nummers I, II, III, V, VI, X, XI en XII. Het hof vult bewijsmiddel V aan en voegt daaraan een aantal bewijsmiddelen toe. Omwille van de leesbaarheid worden de bewijsmiddelen hieronder integraal weergegeven.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1

I. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] (dossierpagina’s 01-03), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer de op 24juli 2016 door aangever ten overstaan van verbalisant Welboren afgelegde verklaring:

“(.) Op zaterdag 23 juli 2016 om 12:00 uur heb ik mijn bedrijfspand aan de [adres 1] te Haarlem afgesloten. Alles was in goede staat. Ik ben de eigenaar van de schoenmakerij. Op 24 juli 2016 omstreeks 02:45 uur werd ik gebeld door de politie dat er was ingebroken. Ik kwam toen bij mijn pand en zag dat het onderste raam van de voordeur vernield was. Er was een steen doorheen gegooid. Voor zover ik kan zien mis ik geen goederen uit de winkel. (..) “;

II. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [Getuige 1] (dossierpagina’s 04-08), inhoudende - zakelijk weergegeven – onder meer de op 24 juli 2016 door getuige ten overstaan van verbalisant [verbalisant 4] afgelegde verklaring:

“(..) Op zondag 24 juli 2016, omstreeks 02.28 uur (..) hoorde ik een klap gevolgd door glasgerinkel. Nadat ik de klap hoorde keek ik uit mijn raam. Ik zag in eerste instantie twee jongens. Alle twee de jongens hadden een blanke huidskleur, hadden alle twee lichtbruin haar. Een van de jongens droeg een witkleurig T-shirt met iets zwarts erop. De andere had een zwart T-shirt. (..) Ik zag dat de jongen met het witte T-shirt met zijn rug naar de voordeur van de schoenmaker ging staan, zijn armen wijd uitstrekte en zich vastpakte aan de deurstijl. Ik zag dat hij zijn knie optrok en een trappende beweging naar achter maakte. Ik hoorde gelijk hetzelfde geluid als ik eerder hoorde, een klap gevolgd door glasgerinkel. Ik zag dat de jongen met het zwarte shirt iets verder op aan de linkerzijde van de schoenmaker stond. Kennelijk stond hij op de uitkijk. Toen er een fietser voorbij kwam fietsen liepen de jongens door alsof er niets aan de hand was. Toen zag ik ineens een derde jongen. (..) Hij droeg geen lichte kleding, de kleur weet ik niet precies. Kort hierop kwamen er met grotere regelmaat fietsen voorbij rijden en ik zag dat de jongens wegliepen in de richting van het centrum. (.)“

III. Een schriftelijk stuk, te weten de kennisgeving van inbeslagname artikel 94 Wetboek van Strafvordering (dossierpagina’s 113-115), inhoudende — zakelijk weergegeven — het volgende:

“(..) Beslagene: [verdachte] (..) Inhoud. Eromheen een grote sierlijke afbeelding met

meerdere uitlopers. Bijzonderheden: beige shirt met een grote afbeelding op voorzijde (…).

V. Een proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina’s 13-17), inhoudende—zakelijk weergegeven – onder meer de op 24 juli 2016 door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] gerelateerde bevindingen:

Aanvulling hof:

“Op 24 juli 2016 om 02.38 uur kregen wij de melding te gaan naar [adres 2] te Haarlem.”

“(..) Tijdens het aanrijden hoorden wij dat de centralist ons meldde dat het zou gaan om drie jongens die op dat moment weg liepen van de schoenmakerij in de richting van het centrum van Haarlem. Wij hoorden dat de centralist de signalementen van de personen doorgaf. Wij hoorden dat het zou gaan om drie blanke jongens waarvan een (1) een wit t ‘shirt droeg en een donkere broek en blond haar had en een (1,) een donker t‘shirt. Wij, verbalisanten reden vanaf de Zaanenstraat in noordelijke richting en zagen aan onze linkerzijde op het trottoir drie jongens in de richting van het centrum van Haarlem lopen welke voldeden aan het voornoemde signalement. Hierop hebben wij de personen staande gehouden. Deze personen werden ons later bekend als zijnde: (..) [medeverdachte 2] (..) [verdachte] (..) [medeverdachte 1] (..)

Hierop ben ik, verbalisant [verbalisant 4] richting [adres 1] te Haarlem alwaar

schoenmaker [naam] gevestigd is. Ik verbalisant [verbalisant 4] zag dat de onderste ruit

van de voordeur van de winkel stuk was. Ik zag dat er binnen in de winkel een stuk

stoeptegel lag. Kennelijk was de ruit ingegooid met deze tegel daar er glasscherven

lagen in het verlengde van de tegel vanaf de ruit gezien (.)“

VI. Een proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 18), inhoudende — zakelijk weergegeven– onder meer de op 24 juli 2016 door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] gerelateerde bevindingen:

“(..) Wij spraken hier met getuige [Getuige 1]. (..) Wij hoorden haar het volgende zeggen:

(..) Ik zag een van de jongens meerdere keren in de etalage kijken van de

schoenenwinkel en hij keek naar de deurklink. Deze jongen ging in de deuropening

staan en spreidde zijn armen. Hij gaf toen een trap naar achteren tegen de deur aan. U

vraagt aan mij of ik deze jongen kan omschrijven. De jongen die tegen de deur aan

had getrapt had een lichtkleurige shirt aan met een opvallende zwarte cirkel aan de

voorzijde. (..)

X. Een schriftelijk stuk, te weten een rapport dactyloscopisch onderzoek (dossierpagina’s

90-112), inhoudende — zakelijk weergegeven — onder meer in de op 25 juli 2016 door

verbalisant [verbalisant 7] gerelateerde bevindingen:

(..) Kenmerk Havank: 05250716000100100

Kenmerk sporendrager: AAIY866INL

Resultaat dactyloscopisch onderzoek:

Dit onderzoek heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon

geregistreerd in Havank onder: (..)

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte] (.)

Uit het onderzoek blijkt dat zowel een zeer grote mate van overeenkomst is

geconstateerd als de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen’

tussen spoor 05250716000100100 en de afbeelding van de Palm R van

incidentnummer 314100722097 geregistreerd in Havank onder biometrienummer

310001532022.4.)”

1. Een proces-verbaal van sporenonderzoek met nummer PL1100-2016165543-16 van 24 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] [doorgenummerde pagina’s 88-89].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 24 juli 2016 werd door mij verbalisant als forensisch onderzoeker een forensisch onderzoek naar sporen verricht. Daar waar in dit proces-verbaal wordt vermeld dat sporen zijn veiliggesteld, wordt tevens bedoeld dat deze in beslag zijn genomen. Op het moment van veiligstellen wordt aan deze sporen en sporendragers een S(poor) I(dentificatie) N(ummer) toegekend.

Onderzoek werd verricht aan een winkel te [adres 1] te Haarlem. Onderzoek verricht aan een voordeur en aan het bijbehorende kozijn van perceel [adres 1] te Haarlem.

Aan de buitenkant van de linker kozijnstijl werd een handpalmafdruk aangetroffen welke gezien de stand/zetting afkomstig kan zijn van de dader. Deze werd door mij, verbalisant veiliggesteld voor een spoorvergelijkend onderzoek. (..)

SIN : AAIY866JNL

Spooromschrijving : Handpalmafdruk

Tijdstip veilig stellen: 24 juli 2016 te 10.25 uur.

Plaats veiligstellen: Kozijnstijl

Bijzonderheden: buitenzijde links.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1100-2016165543-7 van 24 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 09-12].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 juli 2016 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [Getuige 2] :

Ik ben woonachtig op de [adres 2] . Ik ben getuige geweest van een poging inbraak bij Schoenmakerij [naam] . Ik kan u daar het volgende over zeggen.

Ongeveer 15 minuten geleden hoorde ik een klap en glasgerinkel. Mijn vriendin keek vanuit de woonkamer richting schoenmaker [naam] . Ik ben toen bij haar gaan staan. Ik zag twee jongens staan rondom de deur. Ik zag dat ze via het raam wat stuk was naar binnen keken. Er kwamen telkens wat fietsers langs rijden. Doordat deze langs kwamen stapten de jongens weg van de deur. Het was wel duidelijk dat er opzet was. Omdat ze elke keer weer terug kwamen hebben we gebeld met de politie. Ik kan alleen zeggen dat ze blank waren en een (1) een wit T-shirt droeg. De schoenmaker bevindt zich aan de overzijde van de straat en ik heb vanuit mijn woonkamer vrij zicht op het pand.

3. Een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte met nummer PL1100-2016165543-12 van 24 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 81-86].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 juli 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte [medeverdachte 1] :

Ik was vanaf rond 22.00 uur met [verdachte] en [medeverdachte 2] . Ik ben rond een uur of 02.00 naar huis geweest. Toen ging ik terug naar [verdachte] en [medeverdachte 2] . We hadden afgesproken op de Rijksstraatweg. De achternaam van [verdachte] is [verdachte] . Ik kwam aanlopen en hoorde geluiden. Ik hoorde dat er iets viel op de grond. Eerst een dof geluid. Ik zag dat dat raam kapot was, bij een winkel. Ik ben met [medeverdachte 2] toen weggelopen.

en als mededeling van verbalisanten :

Dus als we het goed begrijpen, stonden [verdachte] en [medeverdachte 2] bij die winkel waar

het raam van stuk was te wachten?

Als verklaring van verdachte [medeverdachte 1] :

Ja, precies. En toen de politie aankwam, zei [verdachte] dat we moesten gaan rennen.

Ten aanzien van feit 2

XI. Een proces-verbaal van aangifte van [verbalisant 1] (dossierpagina’s 37-39), inhoudende – zakelijk weergegeven– — onder meer de op 24juli 2014 ten overstaan van verbalisant [verbalisant 8] afgelegde verklaring:

“(..) Vannacht op 24 juli 2016 omstreeks 02.45 uur was ik ter plaatse op [adres 2] . Aldaar waren zojuist drie jongemannen aangehouden welke werden verdacht van een poging tot inbraak. Ik was in dienst en was gekleed in mijn politie uniform. Een van de verdachten was genaamd [verdachte] . Ik herkende trouwens [verdachte] ambtshalve omdat ik meer met hem te maken heb gehad bij verschillende incidenten. Nadat [verdachte] was aangehouden

werd hij naar een politie surveillancebus gebracht om overgebracht te worden naar het cellencomplex aan het hoofdbureau van politie in Haarlem. (..) Kennelijk werd [verdachte] hier dermate kwaad om dat hij nog harder begon te schreeuwen. Hij riep herhaaldelijk tegen mijn collega [verbalisant 2] dat zij een vuile kut was. Vervolgens schold hij mij weer uit voor vuile vetzak. Ik zei hierop tegen [verdachte] , op rustige toon, dat bij dit soort dingen niet tegen mij moest zeggen. Hierop begon [verdachte] mij te bedreigen. Hij riep tegen mij: ‘Ik maak je helemaal af. Als ik je in burger tegenkom dan sloop ik je helemaal. Ik weet dat jij met je vrouw boodschappen doet bij de Vomar. Ik trek gewoon een bivakmuts aan, en maak jullie helemaal af’. (..)“

XII. Een proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina’s 40-42), inhoudende — zakelijk

weergegeven — onder meer de op 24juli 2014 door verbalisant [verbalisant 2]

gerelateerde bevindingen:

“(.) Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb de verdachte samen met collega [verbalisant 1] achterin

de transportbus geplaatst. Ik herkende de verdachte ambtshalve als zijnde, [verdachte] (..) Ik hoorde [verdachte] gedurende het transport meerdere malen zeggen dat ik een vuile kut was. Ik hoorde [verdachte] gedurende het transport het volgende zeggen: “Ik maak je af. Als ik je tegenkom dan sloop ik je helemaal. Ik weet dat jij en je vrouw boodschappen doen bij de Vomar. Ik trek gewoon een bivakmuts aan, ik maak jullie helemaal af”, dan wel woorden van gelijke strekking. Ik zag aan het gelaat van collega [verbalisant 1] dat hij behoorlijk onder de indruk was van de bedreigingen van [verdachte] . (..)“

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de tenuitvoerlegging gelast in de zaak met parketnummer 15-020672-16 van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 5 april 2016.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot inbraak in een winkel. Toen hij daarvoor werd aangehouden heeft hij de verbalisant in kwestie ernstig – verbaal – bedreigd. Door aldus te handelen heeft hij de eigenaar van winkel schade en overlast bezorgd en de verbalisant angst aangejaagd en een inbreuk gemaakt op diens persoonlijke integriteit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 11 januari 2017 is de verdachte al vanaf jonge leeftijd ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld, waaronder agressie- en vermogensdelicten. Het grote aantal veroordelingen heeft hem echter niet weerhouden van het opnieuw begaan van vergelijkbare feiten.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf tevens gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een voltooide diefstal in een bedrijfspand geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 weken indien sprake is van recidive. Ten aanzien van een bedreiging geldt als oriëntatiepunt een geldboete van € 250,-. waarbij wordt opgemerkt dat de straf kan worden verhoogd indien het feit is begaan tegen een politieambtenaar. Een geldboete ligt echter niet in de rede, gelet op het strafblad van de verdachte, die al eerder tot een taakstraf is veroordeeld wegens bedreiging van een opsporingsambtenaar en nog in een proeftijd liep ten aanzien van een voorwaardelijke straf die (onder meer) is opgelegd wegens beledigingen van een ambtenaar in functie.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het over de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 22 maart 2016 van Palier. Dit rapport houdt in dat de verdachte – in ieder geval toentertijd – problemen ervaart op verschillende leefgebieden. Blijkens dossierinformatie zou de verdachte autoriteitsproblemen hebben en zou alcoholgebruik een recidive verhogende factor zijn. Behandeling gericht op agressieregulatie is niet haalbaar gebleken, nu de verdachte zich niet aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden. Om deze redenen is geadviseerd een onvoorwaardelijke straf op te leggen.

Het hof ziet gelet op het voorgaande, alles afwegende, geen aanleiding af te wijken van de straf die door de politierechter is opgelegd en acht daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 63, 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 5 april 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Haarlem van 5 april 2016, parketnummer 15-020672-16, te weten van een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. C.N. Dalebout en mr. Y.M.J.I. Baauw - de Bruijn, in tegenwoordigheid van D.E.C. Velthuis, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 februari 2017.

Verklaart de voorzitter en de jongste raadsheer buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.