Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4649

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
23-002234-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Straatroof. In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de volgende omstandigheden. De verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof inzicht gegeven in zijn beweegredenen. Hij ziet het kwalijke van zijn handelen nu in en neemt daar verantwoordelijkheid voor. De verdachte was nog erg jong (veertien jaar oud) ten tijde van het plegen van het feit en is sindsdien niet meer met politie en justitie in aanraking geweest. Ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte sinds het gepleegde feit hard heeft gewerkt om zijn leven een positieve invulling te geven. Zo is hij overgegaan naar de volgende klas en naar een hoger schoolniveau, heeft hij een bijbaan gevonden en heeft hij een constructieve vrije tijdsbesteding, te weten een sportclub waar hij drie keer per week traint en één keer per week een wedstrijd speelt. Gezien het aangehaalde oriëntatiepunt en de hiervoor beschreven gunstige persoonlijke omstandigheden is het hof van oordeel dat een straf in de orde van grootte als opgelegd door de kinderrechter en nu opnieuw gevorderd door de advocaat-generaal niet aan de orde is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002234-17

datum uitspraak: 19 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 8 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-216515-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 oktober 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas (met vuurwerk), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of een onbekend gebleven slachtoffer, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] en/of dat onbekend gebleven slachtoffer, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader met gezichtsbedekkende bivakmutsen en/of maskers op naar die [slachtoffer] en/of dat onbekend gebleven slachtoffer is/zijn toegelopen en/of (vervolgens) die [slachtoffer] en/of dat onbekend gebleven slachtoffer eenmaal of meermalen (met kracht) heeft/hebben geduwd en/of (vervolgens) die tas (met vuurwerk) (met kracht) uit de hand(en) van die [slachtoffer] en/of dat onbekend gebleven slachtoffer heeft/hebben gerukt en/of getrokken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kinderrechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 oktober 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met vuurwerk, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededader die [slachtoffer] hebben geduwd en vervolgens die tas met vuurwerk uit de handen van die [slachtoffer] hebben getrokken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

Vonnis van de kinderrechter en standpunten van partijen

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft bepleit dat er een lagere straf wordt opgelegd dan de door de kinderrechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de beroving van een kennis van hen. De verdachte en zijn mededader hebben een afspraak gemaakt met het slachtoffer. Vervolgens zijn de verdachte en zijn mededader met een gezichtsbedekkende bivakmuts en een masker naar het slachtoffer gelopen, hebben hem geduwd en hebben een tas met vuurwerk uit zijn handen getrokken. Twee andere personen zijn getuige geweest van deze straatroof. Straatroven zijn ernstige feiten, die een grote en langdurige impact kunnen hebben op slachtoffers en die bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 september 2017 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Het hof merkt de verdachte derhalve aan als first offender.

Bij de oplegging van de straf heeft het hof acht geslagen op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door first offenders. Voor een straatroof is het oriëntatiepunt ‘vanaf 60 uur taakstraf’.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de volgende omstandigheden. De verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof inzicht gegeven in zijn beweegredenen. Hij ziet het kwalijke van zijn handelen nu in en neemt daar verantwoordelijkheid voor. De verdachte was nog erg jong (veertien jaar oud) ten tijde van het plegen van het feit en is sindsdien niet meer met politie en justitie in aanraking geweest. Ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte sinds het gepleegde feit hard heeft gewerkt om zijn leven een positieve invulling te geven. Zo is hij overgegaan naar de volgende klas en naar een hoger schoolniveau, heeft hij een bijbaan gevonden en heeft hij een constructieve vrije tijdsbesteding, te weten een sportclub waar hij drie keer per week traint en één keer per week een wedstrijd speelt. Gezien het aangehaalde oriëntatiepunt en de hiervoor beschreven gunstige persoonlijke omstandigheden is het hof van oordeel dat een straf in de orde van grootte als opgelegd door de kinderrechter en nu opnieuw gevorderd door de advocaat-generaal niet aan de orde is.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. A.M. Kengen en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 oktober 2017.

Mr. S.C.C. Hes-Bakkeren is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[...]