Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4648

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
23-002139-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Publicatie naaktfoto op facebook. smaadschrift en wetende dat een afbeelding aanstotelijk is voor de eerbaarheid is en die afbeelding aan iemand, anders dan op diens verzoek, toezenden.

Het hof acht bewezen dat de verdachte de naaktfoto van de aangeefster op haar Facebookpagina heeft geplaatst, gelet op de volgende omstandigheden:

- het gevoerde Facebook chat-gesprek tussen de aangeefster en de verdachte,

- de verklaring van de verdachte dat hij toegang had tot het Facebookaccount van de aangeefster, en

- de door het hof betrouwbaar geachte verklaring van de aangeefster dat de verdachte de naaktfoto had gemaakt en dat hij de enige persoon (anders dan zijzelf) is, die toegang heeft tot haar

Facebookaccount.

Het is algemeen bekend dat zaken die op internet worden geplaatst daar altijd opnieuw kunnen opduiken, omdat onduidelijk is wie er nog steeds de beschikking over heeft. Gelet op dit specifieke, ‘eeuwige’ karakter van het internet en de ernstige gevolgen voor het slachtoffer wier naaktfoto openbaar is geworden, acht het hof het plaatsen van wraakporno volstrekt onacceptabel.

Het hof komt, met name vanwege de ernst van het feit en de langdurige gevolgen, tot een hogere straf dan door de kinderrechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002139-17

datum uitspraak: 19 oktober 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-746007-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 april 2015 te Amsterdam, althans in Nederland opzettelijk de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel - zakelijk weergegeven - een afbeelding, zijnde een naaktfoto van voornoemde [slachtoffer] geplaatst en/of verspreid op het facebook account van voornoemde [slachtoffer] en/of op andere facebook pagina's geplaatst en/of verspreid;

en/of

hij op of omstreeks 05 april 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] in het openbaar bij afbeelding en/of door feitelijkheden en/of door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, heeft beledigd, door een afbeelding, zijnde een naaktfoto van voornoemde [slachtoffer], te plaatsen en/of te verspreiden op het facebook account van voornoemde [slachtoffer] en/of op andere facebook pagina's te plaatsen en/of te verspreiden;

en/of

hij op of omstreeks 05 april 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, terwijl hij, verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat een afbeelding of voorwerp aanstotelijk voor de eerbaarheid was ,die afbeelding of dat voorwerp aan iemand, anders dan op diens verzoek, heeft toegezonden, immers heeft hij, verdachte - zakelijk weergegeven - een afbeelding, zijnde een naaktfoto van [slachtoffer] geplaatst en/of verspreid en/of toegezonden op het facebook account van voornoemde [slachtoffer] en/of op andere facebook pagina's geplaatst en/of verspreid en/of toegezonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kinderrechter.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken. Het is niet mogelijk gebleken om te achterhalen via welk IP-adres de naaktfoto van de aangeefster is geplaatst. Dat de aangeefster de verdachte ervan heeft beschuldigd haar naaktfoto online te zetten, moet worden gezien in het licht van de conflictueuze onderlinge verhouding tussen aangeefster en de verdachte. Het chatgesprek tussen de verdachte en de aangeefster is voor meerdere uitleg vatbaar en daaruit kan niet worden afgeleid dat de verdachte de persoon is, die later op die avond de naaktfoto heeft geplaatst.

De verdachte had niet de beschikking over de inloggegevens van de aangeefster. Weliswaar staat er in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg dat de verdachte zou hebben verklaard dat hij toegang had tot aangeefsters Facebookaccount, maar dat is een kennelijke verschrijving, aangezien zowel de verdachte als de raadsvrouw zeker weten dat hij dat niet heeft gezegd, hetgeen ook blijkt uit hetgeen later op die zitting door de raadsvrouw als verweer is gevoerd. Er is daarom onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Met betrekking tot de vraag of de verdachte in eerste aanleg heeft verklaard: ‘Ik heb wel toegang tot [slachtoffer] haar Facebook’, zoals is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg op de derde bladzijde, is het volgende van belang. Het proces-verbaal van de terechtzitting is in beginsel de enige bron waaruit blijkt wat op de terechtzitting is verklaard. Een dergelijk proces-verbaal van de terechtzitting wordt door de rechter en de griffier op ambtseed opgemaakt. Uitgangspunt moet zijn dat hetgeen in een proces-verbaal van de zitting wordt opgenomen, een waarheidsgetrouwe weergave betreft van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen. Het hof ziet geen reden om in deze zaak van dat uitgangspunt af te wijken. De raadsvrouw heeft kennelijk geen enkele poging ondernomen om de door haar gestelde fout in het proces-verbaal te (laten) rectificeren. Bovendien sluit voornoemde opmerking van de verdachte aan bij de op de vierde bladzijde van het proces-verbaal van die zitting als zijn verklaring opgenomen zinsnede ‘Dat [slachtoffer] mij beschuldigt van dit feit kan niet, ook al heb ik haar wachtwoord van Facebook’. Deze interne consistentie in het proces-verbaal beschouwt het hof als een contra-indicatie voor de door de verdediging gestelde verschrijving. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de verklaring die de verdachte in eerste aanleg heeft afgelegd, overeenstemt met de schriftelijk weergave daarvan in het proces-verbaal.

Het hof stelt vast dat de verdachte en de aangeefster via een chat op Facebook ruzie hebben gekregen, nadat de aangeefster de verdachte berichtte: ‘verwijder mijn foto’s’. De verdachte nodigde de aangeefster vervolgens bij hem thuis uit, waarbij hij hintte op orale seks. Nadat de aangeefster dat weigerde, antwoordde de verdachte onder meer ‘Je taalgebruik staat mij niet zo aan, ik zou het op prijs stellen als je je excuses aanbied(t), anders moet ik verdere gevolgen ondernemen’ en later met ‘manipuleren en je blootstellen is heel anders, maar zoals ik zei, je krijgt er spijt van’. Vast staat dat later die avond een naaktfoto van de aangeefster op haar Facebookpagina is geplaatst met de tekst ‘app me voor meer’ en met vermelding van het telefoonnummer van de aangeefster.

De aangeefster heeft verklaard dat de geplaatste foto door de verdachte is gemaakt, zodat hij er dus de beschikking over had. Dit was volgens haar één van de te verwijderen foto’s waarover de chat eerder die avond ging. Zij stelt dat niemand anders dan de verdachte ooit naaktfoto’s van haar heeft gemaakt. Volgens de aangeefster was de verdachte de enige persoon, anders dan zijzelf, die toegang had tot haar Facebook-account. Dit laatste vindt steun in de verklaring van de verdachte in eerste aanleg.

Het hof acht de verklaring van de aangeefster betrouwbaar nu deze ook op andere punten steun vindt in het dossier. Zo heeft de aangeefster verklaard dat haar moeder dezelfde avond (tweemaal) gebeld heeft met de verdachte. Dat vindt steun in een WhatsApp-gesprek waarin de verdachte onder meer een bericht heeft gestuurd met (kennelijk op 5 april 2015 en om 23:43 uur) ‘laat je moeder nog eens bellen’ en even later (op 6 april 2015 om 00:00 uur) ‘bedankt voor het terugbellen, van de politie moest ik namelijk het gesprek opnemen’. Deze weerslag van het WhatsApp-gesprek correspondeert met de verklaring van de verdachte bij de politie, waarin hij heeft verklaard ‘Ik werd wel een keer op een avond gebeld, boos door de moeder van [slachtoffer]. (…) Ze zei dat ik zulke spelletjes niet moest spelen. (…) Haar moeder heeft mij meerdere keren gebeld maar ik heb maar twee keer opgenomen. Ik heb toen dat tweede telefoongesprek opgenomen.’

Het hof acht, kort samengevat, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de naaktfoto van de aangeefster op haar Facebookpagina heeft geplaatst, gelet op de volgende omstandigheden:

  • -

    het gevoerde Facebook chat-gesprek tussen de aangeefster en de verdachte,

  • -

    de verklaring van de verdachte dat hij toegang had tot het Facebookaccount van de aangeefster, en

  • -

    de door het hof betrouwbaar geachte verklaring van de aangeefster dat de verdachte de naaktfoto had gemaakt en dat hij de enige persoon (anders dan zijzelf) is, die toegang heeft tot haar

Facebookaccount.

Het hof verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw.

Nadere bewijsoverwegingen

Eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde: smaadschrift

Voor smaadschrift is – voor zover hier van belang – vereist dat door middel van verspreiding van geschriften of afbeeldingen iemands eer of goede naam wordt aangetast door middel van telastelegging van een bepaald feit met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven.

Door bij de naaktfoto de tekst te plaatsen: ‘app me voor meer’, met vermelding van het telefoonnummer van de aangeefster, heeft de verdachte de aangeefster ervan beschuldigd (ten laste gelegd) een meisje te zijn dat bezig was met het werven van willekeurige personen om seksuele handelingen mee te verrichten. Deze beschuldiging is naar haar aard aan te merken als een aanranding van iemands eer of goede naam. Gelet daarop heeft hij zich met de plaatsing van de naaktfoto op Facebook schuldig gemaakt aan smaadschrift.

Derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Met betrekking tot het derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit is van belang of de verdachte de naaktfoto ‘aan iemand, anders dan op diens verzoek, heeft toegezonden’. Voor Facebook geldt in het algemeen dat het plaatsen van een post leidt tot het verschijnen van deze post op de zogenaamde ‘newsfeed’ van ‘vrienden’ en ‘volgers’. Door plaatsing van de naaktfoto op het Facebookaccount van de aangeefster, is deze verschenen op de newsfeed van vrienden en/of volgers van de aangeefster. Hierdoor kan deze handeling worden beschouwd als het toezenden van de naaktfoto aan deze vrienden en/of volgers. Bovendien blijkt uit pagina 18 van het dossier dat bij de post tevens staat ‘– met [naam] en drie anderen’, waaruit het hof opmaakt dat deze personen zijn ‘getagd’ door de verdachte. Door deze personen te taggen krijgen deze personen onmiddellijk een melding op hun eigen Facebookaccount van de plaatsing van deze foto. Nu al deze personen niet hebben verzocht om het toezenden van de naaktfoto van de aangeefster, acht het hof het derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 april 2015 in Nederland opzettelijk de eer en de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel een afbeelding, zijnde een naaktfoto van voornoemde [slachtoffer] geplaatst op het Facebookaccount van voornoemde [slachtoffer].

en

hij op 5 april 2015 in Nederland, terwijl hij, verdachte wist dat een afbeelding aanstotelijk voor de eerbaarheid was, die afbeelding aan iemand, anders dan op diens verzoek, heeft toegezonden, immers heeft hij, verdachte een afbeelding, zijnde een naaktfoto van [slachtoffer], geplaatst op het Facebookaccount van voornoemde [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

smaadschrift

en

wetende dat een afbeelding aanstotelijk is voor de eerbaarheid is en die afbeelding aan iemand, anders dan op diens verzoek, toezenden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

Vonnis van de kinderrechter en standpunten van partijen

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg eerste en derde cumulatief/alternatief bewezen verklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke werkstraf van 40 uur met een proeftijd van één jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot 40 uur werkstraf, waarvan 20 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over een op te leggen straf in geval van veroordeling.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 september 2017 is hij eerder ter zake van andersoortige feiten onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in het nadeel van de verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaadschrift en het openbaar maken van een aanstootgevende foto door een naaktfoto van zijn ex-vriendin op haar Facebookpagina te plaatsen. Het hof beschouwt deze handelingen als zogenaamde ‘wraakporno’. Daarmee heeft de verdachte zijn ex-partner zeer gekrenkt, haar eer en goede naam geschaad en haar persoonlijke levenssfeer ernstig geschonden. De ernstige gevolgen blijken onder meer uit een brief van de psychotherapeut van de aangeefster, waarin staat dat de aangeefster posttraumatische stressklachten heeft die zijn gekoppeld aan de geplaatste foto en waarvoor zij EMDR-therapie heeft gevolgd.

Het is algemeen bekend dat zaken die op internet worden geplaatst daar altijd opnieuw kunnen opduiken, omdat onduidelijk is wie er nog steeds de beschikking over heeft. Gelet op dit specifieke, ‘eeuwige’ karakter van het internet en de ernstige gevolgen voor het slachtoffer wier naaktfoto openbaar is geworden, acht het hof het plaatsen van wraakporno volstrekt onacceptabel.

Het hof komt, met name vanwege de ernst van het feit en de langdurige gevolgen, tot een hogere straf dan door de kinderrechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000,00 plus de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Door de raadsvrouw van de verdachte is de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de schadeveroorzakende gebeurtenis (de ten laste gelegde feiten) betwist. Het ontstaan van de schade, het causale verband met die gebeurtenis en de omvang van de schade is niet weersproken.

Nu het hof de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk houdt voor de onder eerste en derde cumulatief/alternatief bewezen geachte feiten, is daarmee de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de daaruit rechtstreeks voortvloeiende schade gegeven. Omdat de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij door de verdediging niet zijn betwist zal de vordering worden toegewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals verzocht, vermeerderd worden met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77gg, 240 en 261 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen jeugddetentie.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. A.M. Kengen en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 oktober 2017.

Mr. S.C.C. Hes-Bakkeren is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[...]