Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4641

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
23-001590-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling tramconductrice. Aan de voorwaarden die artikel 38m Sr aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt is voldaan. Er is evenwel, gelet op de sterk verminderde delictfrequentie sinds 2014, op dit moment geen urgent overlastgevend patroon dat doorbroken moet worden. Het hof is daarom van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel thans (nog) niet vereist. Aan de verdachte zal dan ook geen ISD-maatregel worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001590-17

datum uitspraak: 30 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 13-684007-17 en 13-684560-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres 1],

thans gedetineerd in P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging, waaronder de beslissing met betrekking tot de vordering tenuitvoerlegging en de vordering van de benadeelde partij, -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof in hoger beroep gevoerde verweren bespreekt en de bewijsmiddelen aanvult.

Aanvulling bewijsmiddelen

Het hof vult het eerste bewijsmiddel, het proces-verbaal met nummer 2017002997-1 van 4 januari 2017 op pag. 3-5, op de volgende wijze aan. Ingevoegd wordt het volgende:

  • -

    ‘Plaats delict: [adres 2], Amsterdam.’

  • -

    Na de zin ‘Ik bevond mij midden in de tram in het conducteurshokje.’ wordt de volgende zin ingevoegd: ‘De tram stopte bij tramhalte Elandsgracht.’.

Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren

Rechtmatigheid staandehouding

De raadsman heeft bepleit dat de politie niet tot staandehouding mocht overgaan, aangezien er geen redelijk vermoeden van schuld bestond ten aanzien van de verdachte. Dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de identiteitsgegevens van de verdachte, aldus de raadsman.

Het hof begrijpt dat de raadsman bedoeld heeft een beroep te doen op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hoewel de raadsman daarbij niet heeft verduidelijkt welk nadeel door het gestelde verzuim is veroorzaakt.
Het hof stelt op grond van het proces-verbaal van aanhouding1 vast dat de verbalisanten te horen kregen dat de man die de conducteur had geslagen was weggelopen vanaf de tram bij halte Elandsgracht in de richting van ‘de Q-park’. Daarbij kregen zij een signalement van de dader mee. De verbalisanten zien vervolgens bij ‘het stoelenproject’ (het hof begrijpt: vlakbij de Q-park) een man zitten, die voldeed aan het signalement. Op dat moment is de verdachte staande gehouden. Op grond van die omstandigheden is het hof van oordeel dat op het moment van staandehouding een redelijk vermoeden van schuld bestond jegens de verdachte. De stelling van de raadsman dat de verdachte niet geheel voldoet aan het signalement, doet daar niet aan af. Het hof verwerpt het verweer.

Daderschap van de verdachte

De raadsman heeft bepleit dat op grond van de bewijsmiddelen niet vast is komen te staan dat het de verdachte was die de tramconducteur heeft geslagen. De verdachte kan zich niet herinneren wat er die dag is gebeurd. De bestuurder heeft weliswaar verklaard dat hij in de politieauto een persoon heeft zien zitten die hij herkende als de man die de conducteur had geslagen, maar het is niet duidelijk geworden om welke politieauto het ging, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van het verhoor van de getuige [getuige]2, de trambestuurder, blijkt dat hij via de camerabeelden vanuit zijn bestuurdersstoel heeft gezien wat bij het conducteurshokje gebeurde, in de tram de noodknop heeft ingedrukt en de politie toen snel kwam. De bestuurder heeft de politie informatie gegeven en zag dat de politie iemand aangehouden had. Hij keek door de ramen van de politieauto en zag een man zitten, die hij herkende als de man die de klap had gegeven, aldus steeds de verklaring van de trambestuurder. Het hof acht het zeer onaannemelijk dat het daarbij zou gaan om een andere politieauto dan de politieauto waar de verdachte, die kort na de melding in de nabijheid van de tram werd aangehouden, in zat. Op grond van onder meer deze herkenning is dan ook voldoende vast komen te staan dat het de verdachte is geweest die de klap heeft uitgedeeld. Het hof verwerpt het verweer.

De overige verweren behoeven, gelet op het navolgende, geen bespreking.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte geen ISD-maatregel, maar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft de aangeefster zonder concrete aanleiding en terwijl zij aan het werk was als tramconducteur in het gezicht geslagen en haar daarmee pijn, letsel en schade bezorgd. De aangeefster heeft een langere periode last gehad van hoofdpijn en zij heeft enige tijd na het incident niet ontspannen haar werk kunnen doen. Omdat de mishandeling plaats vond tijdens het spitsuur in een tram, zijn bovendien andere passagiers daarvan getuige geweest. De mishandeling kan daarom bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in het openbaar vervoer.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 augustus 2017 is hij eerder ter zake van geweldsmisdrijven onherroepelijk veroordeeld. Uit dit uittreksel blijkt tevens dat de verdachte voor een groot aantal in het jaar 2014 gepleegde feiten is veroordeeld en dat de verdachte tussen april 2015 en oktober 2016 geen strafbare feiten heeft gepleegd waaraan een strafrechtelijk vervolg is gegeven.

Het hof stelt vast dat aan de voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Er is evenwel, gelet op de sterk verminderde delictfrequentie sinds 2014, op dit moment geen urgent overlastgevend patroon dat doorbroken moet worden. Het hof is daarom van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel thans (nog) niet vereist. Aan de verdachte zal dan ook geen ISD-maatregel worden opgelegd.

Het hof is op grond van de ernst van het feit en de recidive van de verdachte van oordeel dat met geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 421,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en bestaande uit € 169,00 aan materiële schade en € 252,00 aan immateriële schade, De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf] T.a.v. [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf] T.a.v. [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 421,00 (vierhonderdeenentwintig euro) bestaande uit € 169,00 (honderdnegenenzestig euro) materiële schade en € 252,00 (tweehonderdtweeënvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf] T.a.v. [slachtoffer], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 421,00 (vierhonderdeenentwintig euro) bestaande uit € 169,00 (honderdnegenenzestig euro) materiële schade en € 252,00 (tweehonderdtweeënvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2014, parketnummer 13-684560-14, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.M. Degenaar, mr. P.F.E. Geerlings en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 augustus 2017.

Mr. P.F.E. Geerlings is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[...]

1 [...]

2 [...]