Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4639

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
23-001760-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging ISD. Voor de vraag of een reclasseringsrapportage voldoet aan de voor oplegging van een ISD-maatregel gestelde wettelijke vereisten, is onder meer relevant of het in die rapportage weergegeven advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van oplegging van de ISD maatregel zodanig met redenen omkleed is dat de rechter zich op grond daarvan een oordeel kan vormen. Het hof is van oordeel dat de reclasseringsrapportage van 3 april 2017 voldoet aan dat criterium. Nu ook de inhoud van de rapportage door de verdediging niet is betwist, acht het hof zich voldoende voorgelicht over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001760-17

datum uitspraak: 8 september 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-741008-17 en 13-684319-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van het toepassen van aftrek van het voorarrest bij de opgelegde maatregel -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof respondeert op een in hoger beroep gevoerd verweer.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsman heeft betoogd dat de reclasseringsrapportage weliswaar bruikbaar is, maar een magere basis vormt voor het advies om een ISD-maatregel op te leggen. De verdachte is op geen enkel moment bezocht of gesproken, terwijl uit artikel 38m lid 5 kan worden afgeleid dat het uitgangspunt van de wetgever is geweest dat in het kader van het opstellen van een rapportage contact met de verdachte wordt gezocht, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt. Voor de vraag of een reclasseringsrapportage voldoet aan de voor oplegging van een ISD-maatregel gestelde wettelijke vereisten, is onder meer relevant of het in die rapportage weergegeven advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van oplegging van de ISD maatregel zodanig met redenen omkleed is dat de rechter zich op grond daarvan een oordeel kan vormen. Het hof is van oordeel dat de reclasseringsrapportage van 3 april 2017 voldoet aan dat criterium. Nu ook de inhoud van de rapportage door de verdediging niet is betwist, acht het hof zich voldoende voorgelicht over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Oplegging van een ISD-maatregel

Vonnis van de rechtbank en standpunten van partijen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder A1, A2, B1 en B2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een ISD-maatregel zonder aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte geen ISD-maatregel, maar een gevangenisstraf wordt opgelegd. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de ISD-maatregel voor de duur van maximaal een jaar wordt opgelegd, mede omdat geen sprake zal zijn van een extramurale fase.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal en een poging tot diefstal. Daarmee heeft de verdachte er blijk van gegeven het eigendomsrecht van anderen niet te respecteren. Dergelijke feiten zorgen voor overlast en schade bij de gedupeerden.

Daarnaast heeft de verdachte, samen met een ander, cocaïne aanwezig gehad en verkocht. Het gebruik van cocaïne levert gevaar op voor de volksgezondheid, nu deze stof sterk verslavend is en bij regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich mee kan brengen. Het gebruik hiervan is tevens bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 augustus 2017 is hij eerder ter zake van strafbare feiten, waaronder soortgelijke feiten, onherroepelijk veroordeeld.

Oplegging van de ISD-maatregel

Het hof stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat de verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat de verdachte gedurende vijf jaren voorafgaand aan de gepleegde feiten meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de reclasseringsrapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Verder eist de veiligheid van personen en goederen het opleggen van deze maatregel. Blijkens de justitiële documentatie is de verdachte de afgelopen jaren veelvuldig onherroepelijk veroordeeld door de strafrechter wegens het plegen van, al dan niet ernstige, overlast gevende feiten. In de onderhavige zaak heeft de verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan een dergelijk feiten. Eerdere gevangenisstraffen hebben niet geholpen de verdachte hiervan te weerhouden en de reclassering schat het recidiverisico in als hoog.

Dat er tijdens de looptijd van de ISD-maatregel wellicht ook getracht zal worden de verdachte uit te zetten naar – waarschijnlijk – Algerije en dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat terugkeer niet mogelijk zal blijken te zijn, gelet op de mislukte eerdere pogingen daartoe, doet aan de wenselijkheid van oplegging van de ISD-maatregel niet af. De ISD-maatregel strekt immers volgens de bewoordingen van het tweede lid van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht zowel tot beveiliging van de maatschappij als tot beëindiging van de recidive door de verdachte. Gezien het hoge recidiverisico ziet het hof geen andere mogelijkheid om de maatschappij tegen het plegen van strafbare feiten door de verdachte te beschermen dan door het opleggen aan de verdachte van een ISD-maatregel.

Aftrek van het voorarrest

Bij de oplegging van de ISD-maatregel bij vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf kan geen sprake zijn van een extramurale fase tegen het einde van de ISD-maatregel zoals wel gebruikelijk is in het reguliere ISD-traject. Nu het doel van beveiliging van de maatschappij ook tijdens de periode van de voorlopige hechtenis van de verdachte al werd gediend, zal het hof in dit geval die tijd in aanmerking nemen bij het opleggen van de ISD-maatregel voor een periode van twee jaar en aftrek van het voorarrest toepassen.

Gelet op het voorgaande acht het hof een ISD-maatregel, met aftrek van voorarrest, van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 38m, 38n, 45, 47, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde maatregel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. M. Iedema en mr. C.M. Degenaar, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 september 2017.

[...]