Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4630

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
23-000919-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leerplichtwet. Oplegging bijzondere voorwaarden niet zinvol. Ter terechtzitting is echter gebleken dat de verdachte en zijn vader erg afwijzend tegenover hulpverlening staan. Daarnaast is gebleken dat een eerder opgelegde voorwaardelijke straf ten uitvoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000919-17

datum uitspraak: 27 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-012065-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Leerpl

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juli 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks 01 september 2016 tot en met 04 oktober 2016 te Amsterdam, althans in Nederland als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten RocvA Mbo College Westpoort stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode 01 september 2016 tot en met 04 oktober 2016 te Amsterdam, als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten RocvA Mbo College Westpoort stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

De verdachte was ten tijde van de bewezenverklaring kwalificatieplichtig als bedoeld in het tweede lid van artikel 26 van de Leerplichtwet 1969. De tenlastelegging – en daarom ook de bewezenverklaring – vermelden niet specifiek dat het gaat om een kwalificatieplichtige en niet om een leerplichtige jongere. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:402), wordt het bewezenverklaarde als volgt gekwalificeerd.

Het bewezen verklaarde levert op:

als jongere die kwalificatieplichtig is de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

Vonnis van de kantonrechter en standpunten van partijen

De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde de Maatregel Toezicht en Begeleiding.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 50 uur, waarvan 25 uur voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde de Maatregel Toezicht en Begeleiding.

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte geen reclasseringstoezicht of Maatregel Toezicht en Begeleiding dient te worden opgelegd, omdat de verdachte minder ontvankelijk zal zijn voor begeleiding indien dit in een verplicht kader wordt opgelegd.

Zowel de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) als de vertegenwoordiger van de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) hebben geadviseerd om aan de verdachte een meldplicht als bijzondere voorwaarde op te leggen met toezicht en begeleiding.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 juni 2017 is hij eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ongeoorloofd schoolverzuim. Dit heeft ertoe geleid dat de verdachte nog niet beschikt over enige startkwalificatie terwijl hij zich in een levensfase bevindt, waarin onderwijs en vorming van cruciaal belang zijn voor zijn verdere leven. De verdachte lijkt zich daarvan slechts in beperkte mate bewust te zijn.

Evenals de kantonrechter en met de advocaat-generaal, de Raad en de JBRA is het hof van oordeel dat het zeer wenselijk is dat de verdachte met hulpverlening ondersteund wordt bij het vinden van een nieuwe opleiding en bij het ontwikkelen van een positieve manier om zijn leven vorm te geven. Ter terechtzitting is echter gebleken dat de verdachte en zijn vader erg afwijzend tegenover hulpverlening staan. Daarnaast is gebleken dat een eerder opgelegde voorwaardelijke straf ten uitvoer is gelegd omdat de verdachte niet mee heeft gewerkt aan de bijzondere voorwaarden. Onder die omstandigheden acht het hof het niet zinvol om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Het hof acht de opgelegde taakstraf door de kantonrechter en de geëiste taakstraf door de advocaat-generaal onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit en acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m en 77n van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. M. Iedema en mr. M.L. Leenaers, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 juli 2017.

Mr. M. Iedema is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[...]