Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4629

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
23-002914-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging diefstal met een valse sleutel (pinnen met weggenomen bankpas) en woninginbraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002914-16

datum uitspraak: 10 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-730086-15 en 02-800933-14 (TUL), 09-818067-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres 1].

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de appelakte van 28 juli 2016 is het hoger beroep van de verdachte uitsluitend gericht tegen de beslissingen naar aanleiding van het onder 5 en 7 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2017 en 26 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

5:
hij in de periode van 3 oktober 2015 tot en met 4 oktober 2015 te Zaandam en/of te Amsterdam (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en (telkens) die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, met bij een diefstal uit de woning van die [slachtoffer 1] weggenomen bankpasje(s), heeft getracht ( bij (een) geldautoma(a)ten van de ABN Amro aan de Lobeliusstraat te Zaandam en/of de Rabobank aan de Distelweg te Amsterdam) geld op te nemen/pinnen, terwijl (telkens) de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7:
hij op een tijdstip gelegen in de periode van 17 oktober 2015 tot en met 18 oktober 2015 te Sint Nicolaasga, gemeente De Friese Meren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres 2], heeft weggenomen een grote hoeveelheid, althans een of meer (gouden en/of zilveren) siera(a)d(en) en/of een of meer spaarpot(ten) (inhoudende (in totaal) ongeveer 785 euro), althans enig geldbedrag en/of een politie-uniform en/of een horloge (merk: Diesel), in elk geval een of meer goed(eren) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of zijn echtgenote [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

en/of

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 17 oktober 2015 tot en met 18 oktober 2015 te Sloten, gemeente De Friese Meren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 3], heeft weggenomen een of meer (gouden en/of zilveren) siera(a)d(en) en/of een (gouden) horloge en/of een of meer muntstukken (zilveren tientjes en/of speciale uitgaven en/of nieuwe euromunten), in elk geval een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

en/of

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 16 oktober 2015 tot en met 24 oktober 2015 te Sloten, gemeente De Friese Meren, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 4], weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal en met de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 7 tenlastegelegde poging tot woninginbraak aan de [adres 4] te Sloten. Mede naar aanleiding van het in hoger beroep ter beschikking gekomen proces-verbaal van [naam] van 8 juni 2017 kan niet méér worden vastgesteld dan dat dit incident zich tussen 16 oktober 2015 en 24 oktober 2015 heeft voorgedaan. Hoewel het tenminste opvallend is te noemen dat de verdachte, zoals hierna zal worden overwogen, zich op 17 oktober 2015 met een ander schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak in een aanpalende woning, voert het te ver bij die stand van zaken te concluderen dat met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte bij deze poging tot woningbraak betrokken is geweest.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde

Verweer van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het onder 5 tenlastegelegde wordt vrijgesproken op de grond dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte heeft gehandeld in vereniging met een ander en evenmin dat hij daarbij het tenlastegelegde opzet heeft gehad.

Oordeel van het hof

Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vast:

  • -

    Op 3 oktober 2015 heeft de verdachte meermalen telefonisch contact gehad met medeverdachte M. [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]). Uit de - afgeluisterde - telefoongesprekken komt naar voren dat zij elkaar die dag omstreeks 19.14 uur hebben getroffen.

  • -

    Op 3 oktober 2015 is om 23.39 uur met een bij een woninginbraak buitgemaakte creditcard geprobeerd geld op te nemen bij een geldautomaat in Zaandam. Op 4 oktober 2015 is om 00.14 uur met diezelfde creditcard getracht geld op te nemen bij een geldautomaat in Amsterdam.

  • -

    De auto van [medeverdachte], die was voorzien van een peilbaken, bevond zich omstreeks die twee laatste tijdstippen in de buurt van bedoelde geldautomaten.

  • -

    Dit laatste geldt ook voor de telefoontoestellen die in gebruik waren bij de verdachte respectievelijk [medeverdachte].

  • -

    Op camerabeelden die bij de geldautomaat in Zaandam van de betrokken pinner zijn gemaakt, is te zien dat diens jas zeer grote gelijkenis vertoont met de jas die de verdachte na zijn aanhouding in bezit bleek te hebben.

  • -

    Op camerabeelden die bij de geldautomaat in Amsterdam van de betrokken pinner zijn gemaakt is te zien dat diens jas zeer grote gelijkenis vertoont met de jas die [medeverdachte] na zijn aanhouding in bezit bleek te hebben.

  • -

    Beide pinners hielden een doek voor hun gezicht, kennelijk teneinde hun identiteit te verhullen.

  • -

    Op 4 oktober 2015 om 3.12 uur had [medeverdachte] telefonisch contact met een derde persoon gehad en meldde hij toen dat hij net terugreed van een ‘jobba’ (het hof begrijpt: een gepleegd strafbaar feit).

  • -

    De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij was gestopt met legaal werken en dat hij wist dat het niet goed was wat hij deed en daar niet trots op was, maar dat zijn kinderen nu wel te eten hadden.

Voormelde feiten en omstandigheden acht het hof redengevend voor het bewijs van het tenlastegelegde, in die zin dat daaruit wordt afgeleid dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en met oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening schuldig heeft gemaakt aan de twee gewraakte pogingen tot geldopname.

De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep niet veel meer verklaard dan dat hij zijn telefoon wel eens heeft uitgeleend. Deze verklaring is niet onderbouwd. Evenmin is deze verifieerbaar, omdat niet is toegelicht aan wie en wanneer de telefoon zou zijn uitgeleend. Het hof schuift om die reden deze verklaring, als niet aannemelijk geworden, terzijde. Hetzelfde lot treft, op gelijke gronden, de door de raadsman ingenomen stelling dat de verdachte zijn jas wel eens uitleent.

Nu de verdachte geen redelijke, verifieerbare, voornoemde redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, kan het onder 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend worden bewezen als na te melden, met inbegrip van het verwijt dat de verdachte deze feiten tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan (vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315). Hetgeen de raadsman verder te berde heeft gebracht, leidt het hof niet tot een ander oordeel.

Het hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde

Verweer van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 7 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte op de plaats van de misdrijven aanwezig is geweest en dat zelfs indien hij daar wel aanwezig is geweest, onvoldoende vast is komen te staan dat hij aan de gepleegde inbraken een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. In meer algemene termen is (ook hier) aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte heeft gehandeld met het tenlastegelegde opzet.

Oordeel van het hof

Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vast:

 De verdachte en [medeverdachte] hebben op 17 oktober 2015 rond 15.45 uur telefonisch contact gehad. Daarbij hebben zij afgesproken elkaar op Schiphol te zien. Omstreeks 17.07 uur hebben zij elkaar getroffen.

  • -

    Het telefoontoestel dat in gebruik was bij de verdachte heeft zich vervolgens tussen 17.23 uur en 18.05 uur verplaatst van Hoofddorp via Amsterdam en Muiden naar Almere, met andere woorden in de richting van de noordelijke provincies.

  • -

    De bij [medeverdachte] in gebruik zijnde auto bevond zich op 17 oktober 2015 tussen 19.00 en 21.00 uur in Sint Nicolaasga, daarna in Sloten (in de straat achter de Spanjaardsdijk), en ten slotte in Lemmer, in welke plaats [medeverdachte] een loods huurde.

  • -

    Tussen 17 oktober 2015 te 15.00 uur en 18 oktober 2015 te 11.45 uur zijn in de gemeente De Friese Meren twee woninginbraken gepleegd, één in een woning aan het [adres 2] in Sint Nicolaasga en één in een woning aan de [adres 3] te Sloten. Bij deze inbraken zijn onder andere diverse sieraden en waardevolle, bijzondere munten buitgemaakt. De sieraden, die zich onderscheiden door specifieke kenmerken en inscripties, zijn op 29 oktober 2015 aangetroffen tijdens een doorzoeking van de door [medeverdachte] gehuurde loods.

  • -

    Op 17 oktober 2015 om 22.00 uur heeft [medeverdachte] zijn vriendin gebeld en haar en gevraagd op internet te zoeken met behulp van de zoektermen ‘Lodewijk Nap[oleon] Koning van Holland 1808’ en iets te zoeken over een munt.

  • -

    Op 18 oktober 2015 te 0.25 uur bevond het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoontoestel zich in Hoofddorp.

  • -

    Tussen 17 oktober 2015 te 22.54 uur en 18 oktober 2015 te 0.55 uur is het voertuig waarin [medeverdachte] zich bevond nabij Schiphol gecontroleerd door een politieambtenaar die daarbij sierraden heeft gezien. De verdachte heeft de controle gadegeslagen en bevond zich dus in de onmiddellijke omgeving van [medeverdachte].

  • -

    Op 19 oktober 2015 hebben de verdachte en [medeverdachte] een telefoongesprek gevoerd over ‘dat ding waarvan ze hopen dat het geen replica is’.

  • -

    [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdachte een gouden muntstuk bij hem had achtergelaten, dat die munt volgens de verdachte tussen de tien- en de veertigduizend euro waard zou zijn, dat hij
    – [medeverdachte] – omtrent de munt op internet had gezocht en dat hij samen met de verdachte met die munt naar een muntenzaak was geweest.

  • -

    De verdachte heeft – zoals hiervoor al bleek – tegenover de politie verklaard dat hij was gestopt met legaal werken en dat hij wist dat het niet goed was wat hij deed en daar niet trots op was, maar dat zijn kinderen nu wel te eten hadden.

Uit voorgaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte en [medeverdachte] elkaar op 17 oktober 2015 in de namiddag hebben ontmoet, klaarblijkelijk met het plan woninginbraken te gaan plegen. Daartoe is de verdachte met [medeverdachte] naar Friesland gereden, alwaar het plan bij de woningen aan het [adres 2] te Sint Nicolaasga en de [adres 3] te Sloten succesvol tot uitvoering is gebracht. Daarbij zijn sieraden en munten weggenomen. Hierna hebben zij koers gezet naar de door [medeverdachte] gehuurde loods (alwaar luttele weken later verschillende van de op 17 oktober 2015 ontvreemde sieraden zijn teruggevonden). De verdachte en [medeverdachte] hebben daags na de inbraken contact gehad over de buit, te weten sierraden en één van de gestolen munten, over welke munt de verdachte de beschikking had.

De verdachte heeft tegenover de politie geen aannemelijke verklaring gegeven voor de voornoemde, hem belastende feiten en omstandigheden. Zo heeft hij geen antwoord willen geven op de vraag wat hij die avond met [medeverdachte] had gedaan, op de vraag hoe hij in het bezit was gekomen van de munt waarover in het telefoongesprek werd gesproken en op de vraag wat zijn rol is geweest bij de inbraken in de woningen aan het [adres 2] te Sint Nicolaasga en de [adres 3] te Sloten. Dat was op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep, waar de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, niet anders. Bij die stand van zaken kan redelijkerwijs niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte en [medeverdachte] bij de inbraken zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de onder 7 tenlastegelegde woninginbraken.

Hetgeen de raadsman verder te berde heeft gebracht leidt het hof, niet tot een ander oordeel; in zoverre worden de tot vrijspraak strekkende verweren verworpen. Daarbij wordt nog aangetekend dat hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de verklaring van de verdachte over het uitlenen van zijn telefoon ook hier opgeld doet.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

5:
hij in de periode van 3 oktober 2015 tot en met 4 oktober 2015 te Zaandam en te Amsterdam telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een of meer geldbedragen toebehorende aan [slachtoffer 1], en telkens die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, met bij een diefstal uit de woning van die [slachtoffer 1] weggenomen pas, heeft getracht bij geldautomaten van ABN Amro aan de Lobeliusstraat te Zaandam en Rabobank aan de Distelweg te Amsterdam geld op te nemen, terwijl telkens de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7:

hij op 17 oktober 2015 te Sint Nicolaasga, gemeente De Friese Meren, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [adres 2], heeft weggenomen sieraden en spaarpotten inhoudende enig geldbedrag en een politie-uniform en een horloge (merk: Diesel), toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en inklimming;

en

hij op 17 oktober 2015 te Sloten, gemeente De Friese Meren, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 3], heeft weggenomen sieraden en een horloge en muntstukken (zilveren tientjes en speciale uitgaven en nieuwe euromunten), toebehorende aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van inklimming.

Hetgeen onder 5 en 7 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 5 en 7 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming

en

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 5 en 7 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging/bepaling van hoofdstraf, bijkomende straf en maatregel

Inleiding

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 5 en 7 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank een telefoon en een sok verbeurdverklaard en een pistool onttrokken aan het verkeer.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 5 en 7 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 maanden waarvan 11 maanden voorwaardelijk. De advocaat-generaal heeft daarbij toegelicht dat zij de straf die de rechtbank voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft opgelegd bepaald wil zien op 11 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij heeft voorts geëist dat omtrent de telefoon, de sok en het pistool dezelfde beslissingen worden genomen als de rechtbank heeft gedaan.

De raadsman heeft verzocht een aanzienlijke matiging in strafsoort en strafmaat toe te passen op grond van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Hoofdstraf

Nu het hoger beroep is beperkt tot de beslissingen van de rechtbank over het onder 5 en 7 tenlastegelegde zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv de straf bepalen ten aanzien van de door de rechtbank onder 1 en 2 bewezenverklaarde misdrijven. Het hof bepaalt deze straf, gelet op de door de rechtbank gebezigde strafmotivering, op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

De in hoger beroep op te leggen straf voor het onder 5 en 7 bewezenverklaarde is gegrond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met een ander met een gestolen creditcard tot twee maal toe geprobeerd geld op te nemen bij een pinautomaat. Daarnaast heeft hij zich samen met een ander schuldig gemaakt aan twee woninginbraken. Bij die inbraken is niet alleen materiële schade veroorzaakt, maar zijn ook spullen weggenomen met grote emotionele waarde voor de slachtoffers. Bovendien heeft hij aldus inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid in het eigen huis fors aangetast. Dergelijke feiten plegen voorts voor gevoelens van onveiligheid in de gehele buurt te zorgen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 juni 2017 is hij meermalen ter zake van strafbare feiten, waaronder soortgelijke misdrijven, onherroepelijk veroordeeld. Het plegen van de onderhavige feiten viel binnen de proeftijd van twee eerder opgelegde voorwaardelijke straffen. Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen. Dit weegt het hof in het nadeel van de verdachte.

Het hof heeft gelet op de straf die in soortgelijke gevallen aan een recidiverende woninginbreker pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin staat een gevangenisstraf van 5 maanden genoemd. Het onder 7 bewezenverklaarde betreft twee woninginbraken die bovendien in vereniging zijn gepleegd. Voor alleen al die feiten acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden in beginsel gerechtvaardigd. De straf voor het onder 5 bewezenverklaarde komt daar nog bij.

Blijkens een rapport van Reclassering Nederland van 3 november 2016 kent de verdachte een flink belaste voorgeschiedenis, waarbij hij onder andere op jonge leeftijd als vluchteling naar Nederland is gekomen en uithuisgeplaatst is geweest. Hij is, net als zijn partner met wie hij samenwoont en kinderen heeft, behept met een verstandelijke beperking en heeft in verband daarmee intensieve praktische begeleiding nodig. Hij genoot tot voor kort een Wajong-uitkering en kampt met ernstige schuldenproblematiek. Hij beschikt nauwelijks over startkwalificaties voor de arbeidsmarkt en is ongeletterd. Teneinde het als hoog ingeschatte recidivegevaar te reduceren, wordt door de reclassering geadviseerd de verdachte bij wijze van bijzondere voorwaarden te verplichten tot onder andere (a) het naleven van meldplicht bij de reclassering, (b) medewerking aan nadere diagnosestelling en behandeling door een instelling voor (forensische) verstandelijke gehandicaptenzorg en (c) het volgen van een GI-RN cognitieve vaardigheidstraining.

De voorlopige hechtenis van de verdachte is door dit hof met ingang van 22 december 2016 voor bepaalde tijd geschorst onder de voorwaarden die aansluiten bij het voorstel van de reclassering. Die schorsing is onder handhaving van de gestelde voorwaarden bij beslissing van 6 februari 2017 verlengd tot aan de dag van de einduitspraak.

Bij voortgangsverslagen van 1 februari 2017 en 24 mei 2017 is verslag gedaan van de wijze waarop aan de gestelde voorwaarden uitvoering is gegeven. Daaruit en uit hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is verhandeld, komt het volgende naar voren. De verdachte heeft onmiddellijk na zijn vrijlating werk gezocht en is bezig met een leer-werktraject als flensmonteur. Hij heeft hiervoor verschillende cursussen gevolgd en certificaten behaald; vanaf 27 maart 2017 ontvangt hij loon. Ook heeft hij zich onder behandeling van een psycholoog van centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag gesteld. De verdachte werkt met een begeleider van stichting MEE aan oplossingen voor zijn schuldenproblematiek. De verdachte legt bij een en ander een positieve en bijzonder actieve houding aan de dag. De reclassering acht het uiterst wenselijk dat het reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden gehandhaafd blijven.

Het hof constateert dat de persoonlijke situatie van de verdachte een stijgende lijn vertoont. Hierin wordt aanleiding gezien een deel van de op te leggen straf in voorwaardelijke vorm te gieten. Bij het voorwaardelijke strafdeel zullen bijzondere voorwaarden gesteld worden om de verdachte te verplichten tot de interventies die kunnen bijdragen aan het doortrekken van die stijgende lijn. Desondanks zal de op te leggen straf meebrengen dat de verdachte opnieuw enige tijd gedetineerd zal raken. De strafdoelen van vergelding en generale preventie maken, in het bijzonder vanwege de ernst van de feiten en de recidive van de verdachte, dat niet met een andere of lichtere straf kan worden volstaan.

Door de raadsman is naar voren gebracht dat de IND op grond van de ‘veelplegersregeling’ een uitzettingsprocedure is gestart tegen de verdachte, die beschikte over een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en dat hiertegen een rechtsmiddel is aangewend. Reeds omdat de uitkomst van deze procedure thans nog ongewis is, ziet het hof, anders dan de raadsman, geen aanleiding met die omstandigheid rekening te houden.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Bijkomende straf

De inbeslaggenomen, aan de verdachte toebehorende, zwarte sok is gebruikt bij het door de rechtbank onder 2 bewezenverklaarde. Op de voet van artikel 423, vierde lid, Sv zal het hof bepalen dat deze sok wordt verbeurd verklaard.

Onder de verdachte is een telefoon van het merk Samsung (met goednummer 5071217) in beslag genomen; deze is nog niet teruggegeven aan de verdachte. Nu deze, aan de verdachte toebehorende, telefoon is gebruikt bij het in deze zaak onder 5 en 7 bewezenverklaarde, zal deze worden verbeurd verklaard.

Maatregel

Onder de verdachte is een vuurwapen, te weten een pistool, in beslag genomen, met betrekking waartoe het door de rechtbank onder 2 bewezenverklaarde is begaan. Het beslag rust nog op dit vuurwapen. Op de voet van artikel 423, vierde lid, Sv zal het hof bepalen dat dit vuurwapen wordt onttrokken aan het verkeer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 02-800933-14

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 februari 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 160 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Uit de wet volgt dat daaraan de voorwaarde is verbonden dat dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die in dit geval is ingegaan op 24 februari 2015, niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat deze vordering wordt toegewezen.


De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er, gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, geen termen aanwezig zijn om de vordering toe te wijzen.

Het hof overweegt als volgt.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan verscheidene ernstige strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Voor de effectiviteit van en het draagvlak voor de regeling omtrent voorwaardelijke straffen is van het groot belang dat aan het door een veroordeelde overtreden van de gestelde voorwaarden - als uitgangspunt - gevolgen worden verbonden. De omstandigheden van de verdachte zijn niet dusdanig bijzonder dat dient te worden afgeweken van dit uitgangspunt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 09-818067-14

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Uit de wet volgt dat daaraan de voorwaarde is verbonden dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die in dit geval is ingegaan op 21 augustus 2014, niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat deze vordering wordt toegewezen.


De raadsman heeft bepleit dat er, gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, geen termen aanwezig zijn de vordering toe te wijzen.

Het hof overweegt als volgt.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan ernstige strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Om redenen die zijn genoemd bij de hierboven besproken vordering tenuitvoerlegging (parketnummer 09-800933-14) zal de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 5 en 7 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 5 en 7 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt de straf voor het door de rechtbank onder 1 en 2 bewezenverklaarde op

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden,

  • -

    verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven sok, kleur zwart (5071204),

  • -

    onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven pistool (5071175).

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 5 en 7 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

  • -

    zich meldt bij Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    deelneemt aan de gedragsinterventie GI-RN Cognitieve Vaardigheden Plus;

  • -

    zich onder begeleiding stelt van stichting MEE of Pameijer of een soortgelijke, nader door de reclassering aan te wijzen instelling, en zich houdt aan de aanwijzingen die hem door of namens zijn begeleiders worden gegeven;

  • -

    zich onder ambulante behandeling stelt van centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag of een soortgelijke, nader door de reclassering aan te wijzen instelling, en zich houdt aan de aanwijzingen die hem door of namens zijn behandelaars worden gegeven.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00

STK Zaktelefoon, SAMSUNG, 5071217.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00

STK Zaktelefoon, SAMSUNG, 5071631.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 februari 2015, parketnummer 02-800933-14, te weten

gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2014, parketnummer 09-818067-14, te weten gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, A.M. van Woensel en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juli 2017.

Mr. Van Woensel is buiten staat dit arrest te ondertekenen

[..]