Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4591

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
200.213.553/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzegging door huurder van huurovereenkomst en service level agreement m.b.t. bedrijfsruimte. Verhuurder vordert o.g.v. algemene bepalingen o.m. verbeurde boetes wegens niet tijdig stellen nieuwe bankgarantie en te late betaling huurprijs. Mochten verbeurde boetes worden gematigd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.213.553/01 KG

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 5416552 KK EXPL 16-1238

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 november 2017

inzake

1 HEERENSTEDE NOORD C.V.,

gevestigd te Velsen-Zuid,

2. PAND NOORD B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

advocaat: mr. Q.C. des Tombe te Amsterdam,

tegen

MAMA MEDIA GROUP B.V.,

gevestigd te Lelystad,

geïntimeerde,

niet verschenen.

Appellanten worden hierna afzonderlijk Heerenstede en Pand Noord en gezamenlijk Heerenstede c.s. genoemd, terwijl geïntimeerde als Mama Media wordt aangeduid.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Heerenstede c.s. zijn bij dagvaarding van 21 december 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 24 november 2016, hersteld op 12 december 2016 (verder tezamen: het vonnis waarvan beroep), in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer in kort geding gewezen tussen Heerenstede c.s. als eisers en Mama Media als gedaagde.

Tegen Mama Media is verstek verleend.

Heerenstede c.s. hebben daarna een memorie van grieven tevens akte houdende wijziging van eis, met producties, ingediend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Heerenstede c.s. hebben, na wijziging van hun eis, geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk – dat wil zeggen behoudens voor zover het betreft het dictum onder I, sub a en b alsmede II – zal vernietigen en, opnieuw recht doende, a. Mama Media zal veroordelen tot betaling aan Heerenstede van een bedrag van € 28.500,= wegens verbeurde boetes ex artikel 12.6 van de algemene bepalingen, b. Mama Media zal veroordelen tot betaling aan Heerenstede van de verbeurde boetes ex artikel 18.2 van de algemene bepalingen, die per 23 mei 2017 € 9.900,= bedroegen en vanaf 1 juni 2017 maandelijks moeten worden vermeerderd met een bedrag van € 300,= per (gedeeltelijk) onbetaald gelaten huurtermijn tot de dag van algehele voldoening, en c. Mama Media zal veroordelen tot betaling aan Heerenstede van een bedrag van € 26.792,38 wegens contractuele incassokosten ex artikel 17.1 van de algemene bepalingen (met wettelijke rente).

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1.1 tot en met 1.5 de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) Bij schriftelijke overeenkomsten van oktober 2014 heeft Mama Media met Heerenstede een huurovereenkomst en met Pand Noord een service level agreement gesloten voor de bedrijfsruimte aan de Meeuwenlaan 98-100 te Amsterdam (verder: het gehuurde). De huurprijs bedroeg € 52.016,14 per jaar, te vermeerderen met BTW.

(ii) Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst ROZ van juli 2003 (verder: de algemene bepalingen) van toepassing verklaard.

(iii) Mama Media heeft een betalingsachterstand laten ontstaan.

(iv) De overeenkomsten zijn door Mama Media opgezegd tegen 1 oktober 2016 en Mama Media heeft het gehuurde per 4 september 2016 ontruimd.

( v) Heerenstede c.s. hebben ten laste van Mama Media een aantal conservatoire beslagen gelegd.

3.2.

Heerenstede c.s. hebben in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd en voor zover thans nog relevant, veroordeling van Mama Media tot betaling aan Heerenstede van een bedrag van € 28.500,= wegens verbeurde boetes ex artikel 12.6 van de algemene bepalingen, tot betaling aan Heerenstede van de verbeurde boetes ex artikel 18.2 van de algemene bepalingen – die per 11 oktober 2016 € 4.800,= bedroegen en vanaf 1 november 2016 maandelijks moeten worden vermeerderd met een bedrag van € 300,= per (gedeeltelijk) onbetaald gelaten huurtermijn tot de dag van algehele voldoening – en tot betaling aan Heerenstede van een bedrag van € 14.130,99 wegens contractuele incassokosten ex artikel 17.1 van de algemene bepalingen, met veroordeling van Mama Media in de proceskosten (met nakosten en wettelijke rente). Zij hebben daartoe, kort gezegd, gesteld dat Mama Media wegens het in gebreke blijven met betaling van de huur op grond van de algemene bepalingen boetes heeft verbeurd ter zake van het niet tijdig (opnieuw) afgeven van een bankgarantie en te late betaling van de huur en verplicht is contractuele incassokosten te vergoeden. Mama Media heeft tegen deze vordering verweer gevoerd.

3.3.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep, kort gezegd en voor zover thans nog relevant, als volgt overwogen. Niet bestreden is dat de door Mama Media bij de ondertekening van de huurovereenkomst afgegeven bankgarantie door Heerenstede c.s. in mei 2016 is gebruikt om de toenmalige huurachterstand en incassokosten in te lopen en dat Mama Media vervolgens heeft nagelaten een nieuwe bankgarantie te stellen, waartoe zij (op basis van artikel 12.3 van de algemene bepalingen) wel gehouden was. Bij beoordeling van de vraag of ruimte bestaat voor matiging van de in artikel 12.6 van de algemene bepalingen bedongen boete wordt in aanmerking genomen dat de waarborgsom in eerste instantie door Mama Media is verstrekt, dat de huurovereenkomst inmiddels is geëindigd en dat, naar ter terechtzitting onweersproken door Mama Media is verklaard, het gehuurde een dag nadat Mama Media dit had verlaten opnieuw is verhuurd, zodat mag worden aangenomen dat Mama Media het gehuurde naar behoren heeft opgeleverd. Nu het beding blijkens de bewoordingen mede ertoe strekt om te dienen als waarborg na de ontruiming van het gehuurde en Heerenstede verder heeft nagelaten enigerlei toelichting te geven omtrent de door haar geleden schade, is er aanleiding te verwachten dat de boete in een bodemprocedure zal worden gematigd, waardoor, alle omstandigheden in aanmerking nemend, aanleiding bestaat de desbetreffende boetes voorshands te matigen tot een bedrag van € 5.000,=. Met betrekking tot de verbeurte van boetes op grond van artikel 18.2 van de algemene bepalingen wegens te late betaling van de huurprijs geldt dat deze bepaling, die in de rechtspraak op verschillende manieren wordt gelezen, zo moet worden uitgelegd dat dit boetebeding ziet op de boete die minimaal per maand verschuldigd is in het geval € 300,= meer is dan de boeterente van 2% van het totaalbedrag van alle in die maand achterstallige termijnen, wat ertoe leidt dat, nu Heerenstede de boete op grond van artikel 18.2 van de algemene bepalingen vordert over vijf maanden, een bedrag van € 1.500,= aan boete toewijsbaar is. Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten van € 14.130,99 geldt dat Heerenstede c.s. in de dagvaarding niet hebben gesteld dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten hebben gemaakt. Zij vorderen deze contractuele kosten kennelijk op basis van wat in artikel 17.1 van de algemene bepalingen is bepaald, maar dat is in de dagvaarding niet te lezen. Daarbij komt dat een voldoende adequate onderbouwing van het gevorderde ontbreekt. Nu door Mama Media echter niet is bestreden dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, zal aansluiting worden gezocht bij het gebruikelijk gehanteerde tarief, berekend over de hoofdsom en de toewijsbare boetes van in totaal € 25.648,78, zodat € 1.031,48 exclusief BTW toewijsbaar is. Op grond van een en ander heeft de kantonrechter – naast (in hoger beroep niet meer relevante) veroordelingen van Mama Media tot betaling aan Heerenstede van een bedrag van € 16.520,79 aan achterstallige huurtermijnen en een bedrag van € 1.210,= aan openstaande opleveringskosten alsmede tot betaling aan Pand Noord van een bedrag van € 400,29 (met rente) aan bijdrage voor facilitaire diensten – Mama Media veroordeeld tot betaling aan Heerenstede van een bedrag van € 5.000,= aan verbeurde boetes krachtens artikel 12.6 van de algemene bepalingen, een bedrag van € 1.500,= aan verbeurde boetes krachtens artikel 18.2 van de algemene bepalingen en een bedrag van € 1.031,48 aan buitengerechtelijke incassokosten, alsmede Mama Media veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4.

In hoger beroep is allereerst de vraag aan de orde of voldoende grond bestaat voor matiging van de door Mama Media krachtens artikel 12.6 van de algemene bepalingen verbeurde boetes in verband met het niet tijdig (opnieuw) afgeven van een bankgarantie op grond van artikel 12.3 van de algemene bepalingen. Tussen partijen is niet in geschil dat Mama Media verplicht was een nieuwe bankgarantie af te geven, dat zij niet aan die verplichting jegens Heerenstede heeft voldaan en dat zij uit hoofde daarvan een totaalbedrag van € 28.500,= aan boetes heeft verbeurd. Wat het hof, gelet op de eerste grief, in hoger beroep heeft te beoordelen is of de rechtbank het totaalbedrag van € 28.500,= aan verbeurde boetes terecht heeft gematigd tot een bedrag van € 5.000,=.

3.5.

Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de in artikel 6:94 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, meebrengt dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken, waarbij de rechter niet alleen zal moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Mama Media, die in eerste aanleg om matiging heeft verzocht, heeft daartoe een beroep gedaan op een vonnis van de (kantonrechter in de) rechtbank Rotterdam – waarin een beroep op matiging van verbeurde boetes krachtens artikel 12.6 van de algemene bepalingen werd gehonoreerd “gelet op de verhouding tussen de hoogte van de maandelijks verschuldigde huurtermijn (€ 3.725,33) en de hoogte van de boete (per maand ongeveer € 7.500,00)” – en op het feit dat de huurovereenkomst reeds was beëindigd, waardoor er volgens haar voor Heerenstede geen enkel belang bestond bij de bankgarantie. Heerenstede c.s. hebben in eerste aanleg onder meer aangevoerd, en in hoger beroep herhaald, dat de huurovereenkomst tussen twee gelijkwaardige, professionele partijen is aangegaan, dat de boetes voortvloeien uit binnen de huurmarkt gebruikelijke bedingen en dienen als prikkel tot nakoming van verschillende bepalingen uit de huurovereenkomst, dat Mama Media de boetes bewust heeft verbeurd en dat zij de kans op een regeling meerdere malen heeft laten schieten.

3.6.

Het hof acht, in het licht hiervan, de door de kantonrechter genoemde (hiervoor onder 3.3 weergegeven) omstandigheden – daargelaten of het hem vrijstond, gelet op wat partijen daaromtrent hadden aangevoerd, deze alle bij de beoordeling te betrekken – onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de toepassing van het boetebeding als vervat in artikel 12.6 van de algemene bepalingen in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Het hof acht de door de kantonrechter genoemde omstandigheden dat de bankgarantie in eerste instantie door Mama Media is verstrekt en dat de huurovereenkomst inmiddels is geëindigd, irrelevant in het kader van de hier te beantwoorden vraag. Wat vaststaat is dat ten tijde van beëindiging van de huurovereenkomst een (door Mama Media uitdrukkelijk erkende: zie haar pleitnota in eerste aanleg onder 2) huurschuld bestond van in hoofdsom € 17.730,79, ter incasso waarvan ten onrechte, ondanks daartoe strekkend verzoek namens Heerenstede, geen (nieuwe) bankgarantie door Mama Media was afgegeven. De door de kantonrechter genoemde omstandigheid dat het gehuurde een dag nadat Mama Media dit had verlaten, opnieuw is verhuurd (evenals de daaruit door de kantonrechter getrokken conclusie), wordt, zo al relevant, uitdrukkelijk door Heerenstede betwist. Voorts merkt het hof op dat, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, het beding blijkens de bewoordingen en strekking ervan primair ertoe dient om voor Heerenstede de mogelijkheid van incasso van eventuele huurachterstanden, waarvan hier (in forse mate) sprake was, te waarborgen en dat het niet zozeer aan Heerenstede is om toelichting te geven omtrent de door haar geleden schade maar veeleer – en in elk geval primair – aan Mama Media is om aannemelijk te maken dat voldoende grond bestaat voor matiging. De enkele omstandigheid dat de omvang van de (maandelijks te verbeuren) boete en de hoogte van de (maandelijkse) huurprijs verschilden, is daartoe, gelet op de concrete omvang van dat verschil en op het feit dat de huurovereenkomst tussen twee professionele partijen is aangegaan, in elk geval onvoldoende. Alle omstandigheden in aanmerking nemend ziet het hof geen grond om het totaalbedrag van € 28.500,= aan krachtens artikel 12.6 van de algemene bepalingen verbeurde boetes op de voet van artikel 6:94 BW te matigen en zal het daarom deze vordering volledig toewijzen. Dit betekent dat grief 1 slaagt.

3.7.

Vervolgens gaat het in hoger beroep om de vraag welk bedrag Mama Media aan Heerenstede is verschuldigd wegens de verbeurte van boetes krachtens artikel 18.2 van de algemene bepalingen in verband met het niet tijdig voldoen aan betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Heerenstede c.s. hebben in eerste aanleg uit dien hoofde een bedrag van € 4.800,= (vanaf 1 november 2016 maandelijks te vermeerderen met een bedrag van € 300,= per (gedeeltelijk) onbetaald gelaten huurtermijn tot de dag van algehele voldoening) gevorderd, waarvan de kantonrechter een bedrag van € 1.500,= heeft toegewezen. In hoger beroep hebben zij uit dien hoofde, na eiswijziging, een bedrag van € 9.900,= (vanaf 1 juni 2017 maandelijks te vermeerderen met een bedrag van € 300,= per (gedeeltelijk) onbetaald gelaten huurtermijn tot de dag van algehele voldoening) gevorderd. Het hof stelt vast dat, nu Mama Media niet in het onderhavige geding is verschenen, de wijziging van eis tegen haar krachtens artikel 130 lid 3 Rv is uitgesloten, tenzij Heerenstede c.s. de wijziging tijdig bij exploot aan haar kenbaar hebben gemaakt, wat Heerenstede c.s. echter niet hebben gesteld. Het hof zal in het hierna volgende daarom (moeten) uitgaan van een door Heerenstede c.s. gevorderd bedrag van in hoofdsom € 4.800,=, vanaf 1 november 2016 maandelijks te vermeerderen met een bedrag van € 300,= per onbetaald gelaten huurtermijn. Wat het hof, gelet op de tweede grief, heeft te beoordelen, is of de kantonrechter in dit verband terecht een lager bedrag – te weten € 1.500,= – heeft toegewezen.

3.8.

De kantonrechter heeft voor zijn beslissing met name een beroep gedaan op de uitleg die volgens hem aan artikel 18.2 van de algemene bepalingen moet worden gegeven. Heerenstede c.s. hebben echter betoogd dat Mama Media de rekenmethodiek van Heerenstede niet heeft betwist, maar zich enkel op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een rekenkundige fout (zie memorie van grieven onder 54 en 57). Dit is juist (zie pleitnota Mama Media onder 9) en betekent dat het hof daaraan de conclusie verbindt dat de kantonrechter, door artikel 18.2 van de algemene bepalingen anders uit te leggen dan partijen zelf kennelijk voor ogen stond, ten onrechte buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Aan een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van Heerenstede c.s. komt het hof dan ook niet toe. Heerenstede c.s. hebben voorts betoogd dat Mama Media in dit verband geen beroep op matiging heeft gedaan. Dit is onjuist (zie pleitnota Mama Media onder 3), maar leidt niet tot toewijzing van iets anders dan in eerste aanleg door Heerenstede c.s. is gevorderd, omdat de overwegingen die het hof hiervoor (onder 3.6) heeft gegeven naar aanleiding van de door Mama Media aangevoerde grondslagen voor matiging krachtens artikel 6:94 BW (zie hiervoor onder 3.5), mutatis mutandis ook hier van toepassing zijn. Alle omstandigheden in aanmerking nemend ziet het hof geen grond om het totaalbedrag van € 4.800,= – vanaf 1 november 2016 maandelijks te vermeerderen met een bedrag van € 300,= per (gedeeltelijk) onbetaald gelaten verschuldigde huurtermijn tot de dag van algehele voldoening – aan krachtens artikel 18.2 van de algemene bepalingen verbeurde boetes op de voet van artikel 6:94 BW te matigen en zal het daarom de vordering van Heerenstede c.s. zoals in eerste aanleg geformuleerd, toewijzen. Ook grief 2 is terecht voorgesteld.

3.9.

Ten slotte dient in hoger beroep de vraag te worden beantwoord welk bedrag Mama Media aan Heerenstede is verschuldigd wegens buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Heerenstede c.s. hebben in eerste aanleg uit dien hoofde (onder E) veroordeling van Mama Media tot betaling van een bedrag van € 14.130,99 wegens contractuele incassokosten ex artikel 17.1 van de algemene bepalingen alsmede – afzonderlijk – (onder G) veroordeling van Mama Media in de proceskosten (met nakosten en wettelijke rente) gevorderd, waarvan de kantonrechter een bedrag van € 1.031,48 aan buitengerechtelijke incassokosten respectievelijk een bedrag van in totaal € 1.422,99 aan proceskosten heeft toegewezen. In hoger beroep hebben Heerenstede c.s. uit dien hoofde, na eisvermeerdering, een bedrag van € 26.792,38 ex artikel 17.1 van de algemene bepalingen (met wettelijke rente), gevorderd, waarin blijkens het petitum (onder F) van de memorie van grieven zijn begrepen de kosten van de gemachtigde, de deurwaarderskosten, de beslagkosten en de verschuldigde griffierechten in eerste aanleg en in hoger beroep, dat wil zeggen alle incassokosten, zowel de buitengerechtelijke als de gerechtelijke (verder: de integrale kosten). Het hof stelt vast dat, nu Mama Media niet in het onderhavige geding is verschenen, een verandering en/of vermeerdering van eis – waarvan aldus sprake is – tegen haar krachtens artikel 130 lid 3 Rv is uitgesloten, tenzij Heerenstede c.s. de verandering en/of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar hebben gemaakt, wat Heerenstede c.s. echter niet hebben gesteld. Het hof zal in het hierna volgende daarom (moeten) uitgaan van de vordering zoals deze in eerste aanleg is ingesteld, dat wil zeggen van een vordering van € 14.130,99 tot betaling van buitengerechtelijke kosten die is gebaseerd op artikel 17.1 van de algemene bepalingen (zie het petitum in eerste aanleg onder E) en daarnaast een vordering tot betaling van de proceskosten volgens het liquidatietarief (zie het petitum in eerste aanleg onder G), nu uit het dictum in combinatie met het lichaam van de inleidende dagvaarding niet, althans onvoldoende duidelijk is dat Heerenstede c.s. iets anders voor ogen stond. Wat het hof, daarvan uitgaand en gelet op de derde grief, heeft te beoordelen, is of de kantonrechter terecht een lager bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten dan gevorderd – te weten een bedrag van € 1.031,448 – heeft toegewezen.

3.10.

De kantonrechter heeft aan zijn beslissing met name ten grondslag gelegd dat Heerenstede c.s. weliswaar de factuur hebben overgelegd van de gemachtigde met daarbij een opgave van het aantal uren, maar dat in die urenopgave ook een groot aantal uren is opgenomen ten behoeve van de onderhavige procedure in kort geding in eerste aanleg, waarvan de kosten worden geacht te zijn begrepen in de proceskostenveroordeling, zodat deze werkzaamheden niet als buitengerechtelijke incassokosten kunnen worden aangemerkt. Heerenstede c.s. hebben in hoger beroep aangevoerd, kort gezegd, dat deze redenering van de kantonrechter niet meer relevant is indien de integrale kosten worden gevorderd op grond van artikel 17.1 van de algemene bepalingen. Die stelling, hoewel op zichzelf juist, snijdt echter geen hout als ervan moet worden uitgegaan – zoals, gelet op het onder 3.9 overwogene, ook in hoger beroep het geval is – dat de proceskosten (afzonderlijk) volgens het gebruikelijke liquidatietarief moeten worden vastgesteld. Daarvan uitgaande constateert het hof dat het op grond van de overgelegde factuur niet in staat is in concreto het bedrag aan verschuldigde buitengerechtelijke kosten vast te stellen, omdat de desbetreffende factuur geen heldere splitsing aangeeft tussen buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten en Heerenstede c.s. dat in de toelichting op hun grief evenmin hebben gedaan. Het hof zal daarom, net als de kantonrechter, aansluiting zoeken bij het gebruikelijk gehanteerde tarief, berekend over de hoofdsom en de toewijsbare boetes van in totaal € 51.030,79, zodat geen bedrag van € 1.031,48, maar een bedrag van € 1.285,30, toewijsbaar is. Een en ander komt erop neer dat grief 3, die grotendeels faalt, (slechts) in zoverre slaagt.

3.11.

De slotsom luidt dat het appel grotendeels slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal – voor de overzichtelijkheid – geheel worden vernietigd, zodat een geheel nieuw dictum kan worden geformuleerd. Mama Media zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, berekend overeenkomstig het liquidatietarief.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en, opnieuw recht doende:

veroordeelt Mama Media tot betaling aan Heerenstede van

a. € 16.520,79 aan achterstallige huurtermijnen,

b. € 1.210,= aan openstaande opleveringskosten,

c. € 28.500,= aan verbeurde boetes op grond van artikel 12.6 van de algemene bepalingen,

d. € 4.800,= aan verbeurde boetes op grond van artikel 18.2 van de algemene bepalingen, vanaf 1 november 2016 maandelijks te vermeerderen met een bedrag van € 300,= per (gedeeltelijk) onbetaald gelaten verschuldigde huurtermijn tot de dag van algehele voldoening, en

e. € 1.285,30 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt Mama Media tot betaling aan Pand Noord van € 400,29 aan bijdrage voor facilitaire diensten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de onderscheidenlijke vervaldata van de verscheidene facturen tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Mama Media in de proceskosten van het geding in eerste aanleg en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Heerenstede c.s. gevallen, op € 1.022,99 voor verschotten, op € 400,= voor salaris gemachtigde en op € 50,= voor nasalaris van de gemachtigde, te vermeerderen met € 68,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot in geval betekening van het vonnis waarvan beroep heeft plaatsgevonden en Mama Media niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, een en ander, voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt Mama Media in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Heerenstede c.s. gevallen, op € 2.031,81 voor verschotten en op € 4.893,= voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, D.J. van der Kwaak en C. Uriot, en is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2017 door de rolraadsheer.