Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4582

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
17/00261, 17/00492, 17/00493
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellanten maken bezwaar tegen een overdrachtsvergunning op grond van het Besluit strategische goederen voor de overdracht van militair materieel naar Frankrijk ten behoeve van de Egyptische marine. Naar het oordeel van het Hof heeft de minister dit bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat appellanten niet zijn aan te merken als belanghebbenden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2017/3068 met annotatie van mr. T.A.D. van Wordragen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 17/00261, 17/00492 en 17/00493

17 oktober 2017

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

Stichting [X],

Vereniging [Y] en

Stichting [Z], tezamen aangeduid als appellanten, gemachtigde: mr. J. Klaas (Fischer Groep),

tegen de uitspraken van 20 april 2017 in de zaken met kenmerk HAA 17/913, HAA 17/1638 en HAA 17/1639 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

appellanten

en

de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de Minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Appellanten hebben bij brief van 23 december 2016 bezwaar gemaakt tegen een aan een derde verleende uitvoervergunning ter zake van de overdracht van militair materieel.

1.2.

De Minister heeft in één geschrift van 10 februari 2017 de bezwaren van appellanten niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft bij uitspraken van 20 april 2017 het beroep van appellanten ongegrond verklaard.

1.4.

Appellanten hebben op 15 mei 2017 hoger beroep bij het Hof ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraken, die gelijkluidend zijn en waarin appellanten en de Minister telkens zijn aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’, de navolgende feiten vastgesteld:

“1. Verweerder heeft aan een in Nederland gevestigde onderneming op grond van de artikelen 18 en 21 van het Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Justitie van 24 juni 2008, houdende regels ten aanzien van de in-, uit- en doorvoer van goederen voor tweeërlei gebruik en militaire goederen (hierna: Besluit strategische goederen) een uitvoervergunning verleend voor de overdracht van militair materieel naar Frankrijk ten behoeve van de Egyptische marine. Deze vergunning was geldig tot en met 30 september 2016.

2. Eiseres heeft bij brief van 12 oktober 2015 bezwaar gemaakt tegen de onder 1 genoemde vergunning.

3. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres bij beslissing op bezwaar van 1 juni 2016 niet-ontvankelijk verklaard.

4. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 25 augustus 2016 (ECLI:NL:RBNHO:2016:7024) uitspraak gedaan en het beroep ongegrond verklaard en de voorlopige voorziening afgewezen.

5. Eiseres heeft tegen de uitspraak op het beroep hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 24 januari 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:165) uitspraak gedaan en het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

6. Verweerder heeft aan de onder 1 genoemde onderneming op 21 september 2016 een nieuwe uitvoervergunning verleend voor de overdracht van militair materieel naar Frankrijk ten behoeve van de Egyptische marine. Deze vergunning is geldig tot en met 31 oktober 2017.”

2.2.

Nu partijen tegen de feitenvaststelling van de rechtbank geen bezwaren hebben aangevoerd, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

2.3.

In aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof vast dat de afgifte van de uitvoervergunning op 17 november 2016 bekend is gemaakt door een publicatie op de website van de Minister.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of het bezwaar van appellanten tegen de uitvoervergunning terecht niet-ontvankelijk is verklaard door de Minister.

3.2.

Appellanten hebben het Hof verzocht op de voet van artikel 8:72, lid 5, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende een opschorting van de (verdere) overbrenging van militair materieel naar Frankrijk ten behoeve van de uitvoer naar Egypte.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen en beslist:

“11. De rechtbank zal om te beginnen het toetsingskader uiteenzetten.

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:

“Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.”

Artikel 1:2, derde lid, van de Awb luidt als volgt:

“Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.”

Artikel 8:1 van de Awb luidt als volgt:

“Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.”

Artikel 1:1, vierde lid, van de Adw is met ingang van 1 januari 2014 als volgt gewijzigd (artikel XX van de Wet van 16 oktober 2013 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2013), Stb. 2013, nr. 413):

“In het vierde lid wordt «gemeenschappelijke optredens, gemeenschappelijke standpunten, kaderbesluiten, besluiten en overeenkomsten die zijn aangenomen dan wel vastgesteld door de Raad van de Europese Unie» vervangen door: bindende EU-rechtshandelingen.”

Artikel 1:1 van de Adw luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“1. (…)

2. De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ten behoeve van de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit:

a. interregionaal recht,

b. het Koninkrijk verbindende verdragen en

c. in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties, voorzover deze verplichtingen betrekking hebben op het douanetoezicht op, dan wel op de douanecontrole van, goederen en het goederenverkeer en voorts onderwerpen betreffen die vallen onder de reikwijdte van een of meer regelingen als bedoeld in de bijlage bij deze wet.

3. De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ten behoeve van de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit regelingen van internationaal recht tot het verlenen van wederzijdse administratieve bijstand inzake goederen en goederenverkeer.

4. De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede tot uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen, voorzover deze betrekking hebben op goederen en goederenverkeer en voorts onderwerpen betreffen die vallen onder de reikwijdte van een of meer regelingen als bedoeld in de bijlage bij deze wet.

5. De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ter handhaving van verboden of beperkingen die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van, het douanegebied van de Unie dan wel de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, of bij het plaatsen onder een douaneregeling of wederuitvoer van die goederen van toepassing zijn of zouden zijn bij of krachtens een bindende EU-rechtshandeling of een ander wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij deze wet.”

Artikel 1:4 van de Adw luidt als volgt:

“1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter uitwerking van interregionaal recht, het Koninkrijk verbindende verdragen en in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties, regels van uitvoerende aard worden gesteld, die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van toepassing zijn.

2. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen, met betrekking tot de uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen, regels van uitvoerende aard worden gesteld, die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van toepassing zijn.

(…)”

Artikel 1:5 van de Adw luidt als volgt:

“Bij de toepassing van de bepalingen bij of krachtens deze wet ingevolge artikel 1:1, tweede tot en met vijfde lid, zijn de bepalingen van titel I, hoofdstuk 1, de artikelen 12, 14, 15, 22 tot en met 30, 43 tot en met 48, 51, 52 en 55, en de bepalingen van titel II, hoofdstukken 1 en 2, afdeling 1, van het Douanewetboek van de Unie, de bepalingen van titel I, hoofdstuk 1, de artikelen 8 tot en met 18, en de bepalingen van titel II, hoofdstuk 1, afdeling 1, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie en de bepalingen van titel I, hoofdstuk 1, de artikelen 8, 9, 12 en 15, en de bepalingen van titel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie van overeenkomstige toepassing.”

Artikel 3:1 van de Adw luidt als volgt:

“Onverminderd de EU-regelgeving ter zake kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur verboden of beperkingen ten aanzien van goederen worden vastgesteld, die bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van toepassing zijn.”

Artikel 8:1 van de Adw luidt, voor zover thans relevant, als volgt:

“1. De artikelen 6:2, aanhef en onder b, en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.

2. Artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing, tenzij beroep is ingesteld tegen een beschikking die is genomen op grond van een regeling, genoemd in de bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3, onder B, van deze wet.”

Artikel 8:2 van de Adw luidt als volgt:

“1. Hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van de artikelen 25, derde lid, 26a, 27a en 27e, is van overeenkomstige toepassing op beschikkingen als bedoeld in het tweede lid.

2. Voor de overeenkomstige toepassing van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is een beschikking voor bezwaar vatbaar indien het een beschikking betreft:

a. (…);

b. die is genomen op grond van deze wet.

(...)”

De aanhef van het Besluit strategische goederen luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Gelet op verordening (EG) nr. 1334/2000 van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 2000 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik en de artikelen 1:4, eerste en tweede lid, en 3:1 van de Algemene douanewet”

Artikel 11, eerste lid, van het Besluit strategische goederen luidt als volgt:

“Het is verboden om militaire goederen uit te voeren uit Nederland zonder individuele, globale of algemene uitvoervergunning.”

Artikel 11, derde lid, van het Besluit strategische goederen luidt als volgt:

“Een vergunning wordt in ieder geval niet verleend voor zover dit voortvloeit uit internationale verplichtingen.”

Artikel 18, eerste lid, van het Besluit strategische goederen luidt als volgt:

“Het is verboden om militaire goederen over te dragen uit Nederland zonder overdrachtsvergunning.”

Artikel 18, vierde lid, van het Besluit strategische goederen luidt als volgt:

“Een vergunning wordt in ieder geval niet verleend voor zover dit voortvloeit uit internationale verplichtingen.”

Artikel 21, eerste lid, van het Besluit strategische goederen luidt als volgt:

“Onze Minister verleent op aanvraag een individuele overdrachtsvergunning of een globale overdrachtsvergunning.”

Artikel 5 van het DWU (behorend tot Titel I betreffende Algemene bepalingen) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1) “douaneautoriteiten”: de douanediensten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de toepassing van de douanewetgeving, en alle overige autoriteiten die krachtens het nationale recht belast zijn met de toepassing van bepaalde onderdelen van de douanewetgeving;

(…)

39) "beschikking": elke beslissing welke verband houdt met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor de betrokken persoon of betrokken personen rechtsgevolgen heeft”.

Artikel 44 van het DWU (behorend tot Titel I) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Eenieder heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.”

12. De Raad van de Europese Unie heeft op 8 december 2008 Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie aangenomen, dat voorziet in acht criteria voor de uitvoer van conventionele wapens, in een kennisgevings- en raadplegingsmechanisme voor weigeringen en in een transparantieprocedure op grond waarvan EU-jaarverslagen over wapenuitvoer worden bekendgemaakt.

13. De rechtbank leidt uit de wijziging per 1 januari 2014 van artikel 1:1, vierde lid, van de Adw af dat onder “bindende EU-rechtshandelingen” mede worden verstaan “gemeenschappelijke standpunten”. Niet in geschil is dat verweerder de bestreden vergunning heeft verleend met inachtneming van het onder 12 van deze uitspraak genoemde Gemeenschappelijk Standpunt. Dit heeft tot gevolg dat de schakelbepaling, artikel 1:5 van de Adw, van toepassing is op besluiten die worden genomen op grond van een gemeenschappelijk standpunt, mits aan de overige voorwaarden genoemd in de schakelbepaling is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste het geval is, aangezien de vergunning betrekking heeft op (militaire) goederen en het verkeer van deze goederen (vervoer naar Egypte via Frankrijk) en voorts een onderwerp betreft dat valt onder de reikwijdte van een of meer regelingen als bedoeld in de bijlage bij de Adw, namelijk de Adw zelf (de eerstgenoemde wet op de bijlage, onder onderdeel B. Nationale regelgeving). De bestreden vergunning, afgegeven op grond van het Besluit strategische goederen, vindt uiteindelijk haar rechtsgrondslag in de Adw, zo volgt uit de aanhef van het Besluit strategische goederen. De stelling van eiser dat strategische diensten niet onder de Adw vallen (wat daar ook van zij), behoeft geen behandeling reeds omdat het in casu niet gaat over strategische diensten maar om een vergunning die is afgegeven op grond van het Besluit strategische goederen.

14. Als gevolg van de toepasselijkheid van de douanewetgeving is niet het belanghebbendenbegrip van de Awb van toepassing, maar de relevante bepalingen van het DWU. De vergunning heeft voor eiser geen rechtsgevolgen en raakt hem niet rechtstreeks en individueel. Dat door eiser beschermde en verdedigde mensenrechten in het geding zijn of kunnen zijn, is niet voldoende om te kunnen spreken van rechtstreeks en individueel geraakt worden. Een uitbreiding zoals opgenomen in artikel 1:2, derde lid, van de Awb kent het DWU niet. Dit alles voert tot de slotsom dat eiser niet is aan te merken als adressant zoals bedoeld in het DWU en dat hij niet kan worden ontvangen in zijn bezwaar tegen de bestreden vergunning. De enkele blote stelling van eiser dat op grond van het Unierecht het mogelijk moet zijn om de zaak aanhangig te kunnen maken, faalt gelet op het vorenoverwogene.

15. Eiser stelt dat het in het Verenigd Koninkrijk wel mogelijk is om als derde bezwaar te maken tegen een vergunning zoals de onderhavige. Deze opmerking brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het is de keuze geweest van de Nederlandse wetgever om de specifiek in de schakelbepaling van artikel 1:5 van de Adw genoemde bepalingen van het DWU analoog van toepassing te verklaren op (besluiten genomen op grond van) de in artikel 1:1, tweede tot en met vijfde lid, van de Adw bedoelde bepalingen. Deze adoptie van Unierechtelijke bepalingen is niet verboden en de besluitvorming op dit punt is aan de Nederlandse wetgever voorbehouden. Indien de Britse wetgever een andere keuze heeft gemaakt en een eigen formeelrechtelijk kader heeft ontworpen rond de rechterlijke beoordeling van vergunningen zoals de onderhavige, doet dat niet af aan de legitimiteit van de keuze van de Nederlandse wetgever.

16. Eiser stelt dat als zowel het bestuursrecht als het civiele recht openstaat, dient te worden gekozen voor het bestuursrecht. Deze stelling van eiser verwerpt de rechtbank nu reeds gelet op het vorenoverwogene geen rechtsingang voor eiser openstaat via het bestuursrecht.

17. Eiser stelt voorts dat er geen ratio is voor afsluiting van de bestuurlijke route terwijl deze nog wel voor de wapenexportbedrijven openstaat en eiser een civiele rechtsingang heeft. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat eiser betoogt dat de wettelijke bepalingen onbillijk en onrechtvaardig zijn. De rechtbank verwerpt dit standpunt. Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, Stb. 28, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, (ook bekend als de Wet algemene bepalingen) bepaalt immers dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.

18. De rechtbank komt gelet op het oordeel over de ontvankelijkheid van het bezwaar niet toe aan de verdere beoordeling van het geschil. De voorzieningenrechter wijst op dezelfde grond het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

19. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard en het verzoek te worden afgewezen.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

De door appellanten bestreden vergunning vindt haar grondslag blijkens de daarin opgenomen vermeldingen in de artikelen 18, lid 1, en 21, lid 1, van het Besluit strategische goederen (Stb. 2008, 252).

5.2.

Tot 1 augustus 2008 was een vergunningplicht voor het overbrengen van strategische goederen naar andere lidstaten van de Europese Unie voorzien in artikel 3 van het In- en uitvoerbesluit strategische goederen (Stb. 1963, 128), welk besluit was gebaseerd op de artikelen 2 en 4 van de In- en uitvoerwet (Stb. 1962, 295). Tegen vergunningen afgegeven op grond van genoemd besluit stond op grond van artikel 8:1 Awb, gelezen in samenhang met artikel 1:2 Awb, beroep open voor degene wiens belang rechtstreeks bij die vergunning was betrokken (vgl. College van Beroep voor het Bedrijfsleven 2 december 2008, AWB 07/904, ECLI:NL:CBB:2008:BG7034).

5.3.

Met ingang van 1 augustus 2008 heeft een herschikking van wetgeving betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen plaatsgevonden. Daarbij zijn onder meer de In- en uitvoerwet en het daarop gebaseerde In- en uitvoerbesluit strategische goederen ingetrokken en is de Algemene douanewet (Stb. 2008, 111) in werking getreden. Het onder 5.1 genoemde Besluit strategische goederen vindt zijn wettelijke grondslag in de artikelen 1:4, eerste en tweede lid, en 3:1 van de Algemene douanewet. Daaruit volgt dat het Besluit strategische goederen onder de reikwijdte van de Algemene douanewet valt.

5.4.

Artikel 1:5 van de Algemene douanewet bepaalt dat bij de toepassing van de bepalingen bij of krachtens deze wet een aantal specifiek genoemde onderdelen van het Europese douanerecht van overeenkomstige toepassing zijn, waaronder de bepaling omtrent de kring van bezwaar- en beroepsgerechtigden (artikel 243, lid 1, van het Communautair Douanewetboek (CDW), met ingang van 1 mei 2016 vervangen door artikel 44, lid 1, van het Douanewetboek van de Unie (DWU)). De wetgever heeft deze keuze als volgt toegelicht (MvT, Kamerstukken II, 2005-2006, 30580, nr. 3, blz. 84-85):

“Van overeenkomstige toepassing verklaren CDW/TCDW

Door de in dit artikel genoemde onderdelen van het CDW en het TCDW van overeenkomstige toepassing te verklaren op die gebieden die niet zijn te rangschikken onder de douanewetgeving in de zin van artikel 1 van het CDW wordt een verdere harmonisatie nagestreefd van bestuursrechtelijke bepalingen die betrekking hebben op de onderwerpen die vallen binnen de reikwijdte van deze wet. Deze reikwijdte is in artikel 1:1 gedefinieerd.

Een verdergaande harmonisatie van de regelgeving van de gemeenschappelijke onderwerpen bevordert de transparantie van de wetgeving en voorziet er in dat alle bijzondere wetgeving die valt onder de reikwijdte van de Algemene douanewet te maken heeft met een eenduidig begrippenkader. Hierdoor wordt de vrijwillige nakoming, ook wel compliance genoemd, bevordert. Voor de aldus geharmoniseerde regelgeving behoeft de betrokken justitiabele en ambtenaar zich niet meer te oriënteren op de diverse wetgeving, maar kan erop vertrouwen dat de formele regelgeving waar hij mee te maken heeft ten aanzien van goederen en het goederenverkeer uniform is, ongeacht de plaats waar deze goederen zich bevinden en ongeacht de juridische status van deze goederen (communautair of niet-communautair, nationaal of buitenlands).

Door te kiezen voor het van overeenkomstige toepassing verklaren van de met name genoemde bepalingen van het CDW en TCDW wordt voorkomen dat in de Algemene douanewet ten behoeve van de beleidsterreinen waarop Nederland nog volledig competent is, in plaats van de communautaire wetgever, identieke bepalingen moeten worden opgenomen als de genoemde. Tevens wordt dan voorkomen dat de Algemene douanewet moet worden gewijzigd zodra een van de bedoelde communautaire bepalingen wordt gewijzigd met het risico dat dergelijke wijzigingen niet gelijktijdig worden doorgevoerd. Een bijkomstig voordeel is dat door de genoemde communautaire bepalingen van overeenkomstige toepassing te verklaren de jurisprudentie met betrekking tot die bepalingen zich op gelijke voet ontwikkelt.

De bepalingen die van overeenkomstige toepassing worden verklaard betreffen naast terminologische zaken onder meer de onderwerpen die zien op het recht van vertegenwoordiging, beschikkingen, inlichtingen, het douanetarief, de niet-preferentiële oorsprong, bezwaar en beroep [cursivering Hof] en rechtsgevolgen van in een andere lidstaat getroffen maatregelen, van aldaar afgegeven documenten en aldaar gedane vaststellingen.”

5.5.

In lijn met de onder 5.4 verwoorde keuze om aan te sluiten bij de kring van bezwaar- en beroepsgerechtigden die geldt voor het douanerecht van de Europese Unie, heeft de wetgever in artikel 8:1 van de Algemene douanewet bepaald dat artikel 8:1 van de Awb (“Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.”) niet van toepassing is. In de memorie van toelichting is ter zake het volgende vermeld (MvT, Kamerstukken II, 2005-2006, 30580, nr. 3, blz. 131-132):

“Algemene wet bestuursrecht

In artikel 8:1 wordt bepaald dat de artikelen 6:2, aanhef en onder b; 8:1, eerste lid, en 8:13 van de Awb niet van toepassing zijn. (…)

Het niet van toepassing verklaren van artikel 8:1, eerste lid, is gelegen in het feit dat het CDW in artikel 243, eerste lid, zelf de kring van personen benoemt die gerechtigd zijn bezwaar en beroep in te stellen. Voorts wordt hier nog opgemerkt dat een – in ieder geval theoretisch – verschil bestaat tussen de belanghebbende bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht en de persoon die het recht heeft bezwaar en beroep in te stellen bedoeld in het CDW. In het geval van de Awb wordt een persoon een belanghebbende indien deze rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het CDW dient een persoon niet alleen rechtstreeks maar ook individueel te worden geraakt.

(…)”

5.6.

Gelet op het vorenoverwogene staat naar ’s Hofs oordeel vast dat het recht om beroep in te stellen – en het daarvan afgeleide recht om bezwaar te maken – tegen de meergenoemde uitvoervergunning op grond van artikel 1:5 van de Algemene douanewet, gelezen in samenhang met artikel 44 DWU, enkel toekomt aan (rechts)personen die rechtstreeks en individueel zijn geraakt door deze vergunning. De stelling van appellanten dat aan hen een bezwaarrecht toekomt omdat zij ‘belanghebbenden’ zijn in de zin van artikel 1:2, lid 3, van de Awb, dient daarom te worden verworpen.

5.7.

Appellanten hebben betoogd dat zij dienen te worden ontvangen in hun bezwaar. Zij hebben daartoe aangevoerd dat het (voor hen) ontbreken van een bestuursrechtelijke rechtsingang leidt tot een rechtsongelijkheid tussen hen en het wapenexportbedrijf en dat het onwenselijk is dat zij een procedure bij de civiele rechter moeten voeren terwijl het wapenexportbedrijf een procedure bij de bestuursrechter dient te voeren. Daarnaast hebben zij betoogd dat het Hof de ruimte heeft om een ruimer belanghebbendenbegrip te hanteren dan het Hof van Justitie. Ook hebben zij aangevoerd dat vergunningen voor wapenexport niet onder het DWU vallen. Tot slot hebben appellanten een beroep gedaan op het Windmill-arrest (HR 26 januari 1990, NJ 1991, 393).

5.8.

Naar ’s Hofs oordeel treffen voormelde stellingen geen doel. De wetgeving waarop de onderwerpelijke vergunning is gebaseerd valt weliswaar – zoals appellanten met juistheid hebben betoogd – niet rechtstreeks onder de werking van het DWU, maar zoals overwogen onder 5.4 heeft de wetgever er voor gekozen delen van het DWU, waaronder artikel 44, van overeenkomstige toepassing te verklaren bij de toepassing van de bepalingen die zijn vastgesteld bij of krachtens de Algemene douanewet. Het Hof is hier aan gebonden. Het is de rechter niet toegestaan om de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen (art. 11 Wet algemene bepalingen), ook niet indien zou komen vast te staan dat – zoals appellanten hebben betoogd – steekhoudende inhoudelijke grieven zijn aangevoerd tegen het betwiste besluit. Het door appellanten genoemde Windmill-arrest voert niet tot een ander oordeel, nu dit arrest betrekking heeft op een geheel andere kwestie (gebruik door de overheid van privaatrechtelijke middelen indien haar ter behartiging van de desbetreffende belangen bij een publiekrechtelijke regeling bevoegdheden zijn toegekend).

5.9.

Appellanten hebben in hoger beroep gesteld dat in casu artikel 1:5 van de Algemene douanewet buiten toepassing dient te blijven, omdat het beginsel van effectieve rechtsbescherming, dat vervat is in onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, daartoe noopt. Zij hebben er daarbij op gewezen dat, gelet op de door hen aangevoerde inhoudelijke grieven, er daadwerkelijk gebreken lijken te kleven aan de vergunning en dat het daarom van groot belang is dat zij, als organisaties die opkomen voor de vrede en de mensenrechten, hiertegen in het geweer kunnen komen bij een rechter. Het Hof volgt appellanten niet in hun stelling dat artikel 1:5 van de Algemene douanewet in casu buiten toepassing zou moeten blijven om recht te doen aan de voormelde verdragsbepalingen. Zoals appellanten hebben erkend in de door hen ingebrachte stukken kunnen zij zich, indien vast staat dat de bestuursrechtelijk weg aan hen niet ter beschikking staat, ingevolge artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek wenden tot de civiele rechter. Daarmee is naar ’s Hofs oordeel sprake van effectieve rechtsbescherming door een onafhankelijke rechter in de zin van de hiervoor genoemde bepalingen.

5.10.

Appellanten hebben tot slot betoogd dat, indien artikel 1:5 van de Algemene douanewet wel toepassing vindt, dient te worden onderzocht of zij door de uitvoervergunning individueel zijn geraakt in de zin van artikel 44 van het DWU. Daarbij dienen, zo stellen appellanten, ook de belangen te worden meegewogen van personen in Egypte en in Jemen die in de toekomst (wellicht) de consequenties ondervinden van de levering van de marineschepen – waarin de onderwerpelijke wapensystemen zijn ingebouwd – door de Franse werf aan de Egyptische marine.

5.11.

Het Hof stelt vast dat het Hof van Justitie zich nog niet heeft uitgelaten over de interpretatie van het criterium “rechtstreeks en individueel raken” in de context van artikel 243, lid 1, CDW en artikel 44 DWU, maar dat genoemd Hof zich wel veelvuldig heeft uitgelaten over de interpretatie van ditzelfde criterium in het kader van de uitleg van de vierde alinea van artikel 263 VWEU (voorheen de artikelen 230 VEG en 173 VEG). Uit deze rechtspraak volgt dat degenen die niet de adressaten van een beschikking zijn, slechts individueel worden geraakt indien de beschikking hen betreft uit hoofde van bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortelijke wijze als de adressaat. Van een dergelijke bijzondere hoedanigheid of feitelijke situatie is geen sprake indien – zoals in het onderwerpelijke geval – bij de vaststelling van de beschikking niet de bijzondere situatie van appellanten in aanmerking is genomen en die beschikking hen op algemene en abstracte wijze betreft, in feite zoals iedere andere persoon die zich in dezelfde situatie bevindt (vgl. HvJ 2 april 1998, C-321/95 P, Greenpeace e.a./Commissie, punt 28 en 29, gelezen in samenhang met punt 7 en de aldaar genoemde rechtspraak). Appellanten zijn daarom naar ’s Hofs oordeel niet individueel geraakt door de door hen bestreden vergunning, zodat hun niet het recht van bezwaar en beroep toekomt.

5.12.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de Minister appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaar. Bij deze stand van het geding ziet het Hof geen grond om de door appellanten gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

Slotsom

5.13.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7 Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, H.E. Kostense en

C.J. Hummel, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck, als griffier. De beslissing is op 17 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.