Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4563

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
23-004734-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging inbraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004734-16

datum uitspraak: 22 juni 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-684420-16 en 13-260643-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 augustus 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit een (bedrijfs)pand, genaamd [naam], gelegen aan/bij de Spuistraat en/of Singel) weg te nemen een of meer voorwerpen, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan voornoemde (bedrijfs)pand [naam] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen voorwerp(en) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, opzettelijk met zijn mededader(s), althans alleen, naar dat pand is toegegaan, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), althans een of meer van hen, met een breekijzer en/of een schroevendraaier, althans een voorwerp, een deur(post) van voornoemd pand heeft/hebben geforceerd en/of vervolgens voornoemd pand is/zijn binnengegaan en/of voornoemd pand heeft/hebben doorzocht en/of een kassalade en/of of meer kluis/kluizen in voornoemd (bedrijfs)pand heeft/hebben geforceerd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 augustus 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand, genaamd [naam], gelegen aan de Spuistraat en Singel weg te nemen voorwerpen, althans enig goed, toebehorend aan voornoemde bedrijfspand [naam] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen en die weg te nemen voorwerpen onder hun bereik te brengen door middel van braak, opzettelijk met zijn mededaders naar dat pand is toegegaan, waarna hij, verdachte, en zijn mededaders met een breekijzer en een schroevendraaier een deurpost van voornoemd pand hebben geforceerd en vervolgens voornoemd pand zijn binnengegaan en voornoemd pand hebben doorzocht en een kassalade en een kluis in voornoemd bedrijfspand hebben geforceerd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de verdachte vrij te spreken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

Het hof verwerpt het verweer. Uit de te bezigen bewijsmiddelen, in het bijzonder die met betrekking tot de locatie waar de verdachte is aangehouden (p. 35-36), de bij hem aangetroffen kleding (p. 23-24), de op het dak aangetroffen hoed (p. 95), het proces-verbaal betreffende de camerabeelden (p. 59-62) volgt - gelet op de daaruit blijkende gelijkenissen tussen de verdachte en een van de drie op de camerabeelden zichtbare daders - buiten redelijke twijfel dat de verdachte betrokken is geweest bij de tenlastegelegde poging tot inbraak in vereniging. Daaruit volgt eveneens dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de twee andere daders.

Hetgeen de raadsvrouw in dat verband heeft aangevoerd, zoals verwoord in de pleitnota, doet hieraan niet af en vindt haar weerlegging in voornoemde bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot 150 uren taakstraf waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot 150 uren taakstraf waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, door zich met zijn mededaders door middel van het vernielen van een deur(post) toegang te verschaffen tot een bedrijfspand en vervolgens daar te trachten goederen weg te nemen volstrekt onverschillig betoond voor de eigendomsrechten van dit bedrijf. Ook heeft hij schade veroorzaakt en voor hinder in de bedrijfsuitoefening gezorgd. Dat het niet tot een voltooide inbraak is gekomen, is enkel te danken aan oplettende personen die alarm hebben geslagen. Gedragingen als die van de verdachte veroorzaken niet alleen overlast en schade voor de gedupeerden, maar versterken ook gevoelens van onveiligheid in de samenleving en in het bijzonder bij personen die hiervan het slachtoffer zijn.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 mei 2017 is hij eerder voor een strafbaar feit onherroepelijk veroordeeld en is hij ook na dit feit met justitie in aanraking gekomen. Gelet hierop komt de door de raadsvrouw bepleite onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest (drie dagen) in combinatie met een voorwaardelijke taakstraf, waardoor geen onvoorwaardelijke straf meer zou resteren, onvoldoende tegemoet aan de ernst van het feit. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Nu uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat aan de verdachte reeds in een andere strafzaak reclasseringstoezicht is opgelegd zal het hof, anders dan de rechtbank, geen bijzondere voorwaarden stellen aan de deels voorwaardelijke taakstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2016 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 16 uren subsidiair 8 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dat sprake is van een andersoortig feit dan het onderhavige, zoals door de raadsvrouw aangevoerd, doet hierbij niet ter zake. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2016, parketnummer 13-260643-15, te weten van:

een taakstraf voor de duur van 16 (zestien) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. M.J.A. Duker en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 juni 2017.