Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4541

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
23-000545-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vrijspraak opzettelijk inrijden op aangever

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000545-17

datum uitspraak: 11 september 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer

13-127276-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

28 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 18 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (werkzaam als wegwerker op de A10, afslag 109) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (toen die [slachtoffer] te voet de (personen)auto/taxi van hem, verdachte, was genaderd en/of hem, verdachte, op de rode kruizen boven de weg had gewezen nadat hij, verdachte, door een afzetting op de A10 was gereden) (met zijn (personen)auto/taxi) gas heeft gegeven en/of (met hoge snelheid)(met zijn (personen)auto/taxi) op die [slachtoffer] is afgereden/ingereden;

subsidiair:

hij op of omstreeks 18 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] (werkzaam als wegwerker op de A10, afslag 109) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (met zijn personenauto/taxi) gas gegeven en/of is verdachte (met hoge snelheid, althans meer dan geringe snelheid) op die [slachtoffer] afgereden/ingereden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat in hoger beroep de tenlastelegging is gewijzigd.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van

2 jaren.

Vrijspraak

Uit de stukken van het dossier leidt het hof af dat op 18 juni 2016 aangever [slachtoffer] en getuige [getuige] bezig waren met werkzaamheden op de A10 ter hoogte van de afslag S109 in Amsterdam, toen de verdachte met zijn taxi kwam aanrijden. Toen hij ter plaatse kwam bij [slachtoffer] en [getuige] reed hij op een door middel van wegmarkering en matrixbord als afgesloten aangeduide afrit. Die afrit bestond uit twee rijstroken en op de linkerrijstrook stond de vrachtwagen van [slachtoffer]. De verdachte is gestopt en heeft vervolgens aan [getuige] gevraagd of hij de afrit toch mocht gebruiken, ondanks de afsluiting. Nadat hem was verteld dat dit niet mocht heeft hij geprobeerd weer in te voegen op de A10, maar dat lukte hem niet. Kort daarna is de verdachte met zijn taxi in de richting van [slachtoffer] en [getuige] gereden om alsnog, rechts langs de vrachtwagen van [slachtoffer], over de ‘afgesloten’ afrit te rijden. Aangever heeft verklaard dat hij op dat moment langs de vrachtwagen liep aan de kant van de rechterrijstrook en tegen zijn vrachtwagen opzij moest springen om te voorkomen dat hij zou worden geraakt door de taxi. De verdachte heeft daarentegen verklaard dat er voldoende ruimte was om veilig langs aangever [slachtoffer] te kunnen rijden.

Naar het oordeel van het hof biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte opzettelijk op de aangever is ingereden. Het hof is voorts van oordeel dat uit het dossier (waaronder de plattegrond op pagina 8 van het proces-verbaal en de tekening gemaakt door [slachtoffer] bij de rechter-commissaris) niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld hoe de werkelijke verkeerssituatie was op het moment dat verdachte met zijn motorvoertuig langs [slachtoffer] reed. Met name ontbreekt een vorm van vastlegging van de situatie ter plaatse door de politie met behulp van foto’s en dergelijke. Dit gegeven brengt met zich dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid door het hof kan worden vastgesteld dat er zodanig weinig ruimte (over) was op de weg dat aangever wel opzij moest springen om niet te worden geraakt door de taxi. Onder deze omstandigheden kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte op zodanig wijze heeft gereden dat er sprake is van tenminste voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ofwel het voorwaardelijk opzettelijk dreigen met een misdrijf, zoals primair respectievelijk subsidiair ten laste is gelegd.

Of de verdachte gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond, laat het hof in het midden, omdat dat niet is tenlastegelegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.045,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 700,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte wordt door het hof niet schuldig verklaard ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. Daarom kan de benadeelde partij niet worden ontvangen in de vordering.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. M.J.A. Duker en mr. W.A.F. Damen, in tegenwoordigheid van

mr. J.R. Ineke, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

11 september 2017.

mr. W.A.F. Damen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]

.