Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:452

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
200.180.459/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de eerste rechter oordeelde, is er onvoldoende grond om aan te nemen dat auteursrechtenorganisatie Buma jegens de tekstschrijver van René Froger toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een uit de exploitatieovereenkomst voortvloeiende inspanningsverplichting. Vordering tekstschrijver alsnog geheel afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.180.459/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/215131/HA ZA 14-308

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 februari 2017

inzake

VERENIGING BUMA,

gevestigd te Hoofddorp,

appellante,

advocaat: mr. J.M.B. Seignette te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Buma en [geïntimeerde] genoemd.

Buma is bij dagvaarding van 6 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland van 11 februari 2015 en 20 mei 2015 in deze zaak onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Buma als gedaagde.

Tegen [geïntimeerde] is ter rolzitting van 24 november 2015 verstek verleend.


Buma heeft een memorie van grieven, met producties, genomen.

Vervolgens heeft Buma arrest gevraagd.

Buma heeft geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen met - uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

Buma heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 11 februari 2015 de tussen partijen vaststaande feiten vermeld waarvan zij bij de beoordeling van de zaak van partijen is uitgegaan. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. Deze worden in rechtsoverweging 3.1 weergegeven.

3 Beoordeling

3.1. (

i) [geïntimeerde] is tekstschrijver/componist en heeft onder meer de nummers “Just

say hello”, “Are you ready for loving me”, “Nobody else”, “Calling out your name”, “Your place or mine” en “Man with a mission” voor de artiest René Froger (hierna: Froger) (mede) geschreven en gecomponeerd.

(ii) Buma is een auteursrechtenorganisatie. [geïntimeerde] heeft met Buma een

exploitatieovereenkomst gesloten. Buma heeft een voorbeeld van een exploitatiecontract overgelegd (prod. G1) waarvan artikel 5, vierde lid, leest:

“Behalve in het geval van opzet of grove schuld van Buma zelf is zij nimmer aansprakelijk voor enige andere vorm van schade of verlies, hoe ook genaamd of tot betaling van rente anders dan voorzien in lid 3.”

(iii) Op de door partijen gesloten exploitatieovereenkomst is het Repartitiereglement

van de Vereniging Buma (hierna: het repartitiereglement, prod. G6) van toepassing welke de verdeling en betaling van de door Buma ten titel van muziekauteursrecht ontvangen gelden regelt. Artikel 5, derde lid, van het reglement leest als volgt:

“Grondslag voor de verdeling vormen de bij Buma beschikbare programma-opgaven. Met betrekking tot de verkrijging en de verwerking van programma-opgaven neemt de directie dusdanige maatregelen als zowel uit een oogpunt van rechtvaardige verdeling als uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering wenselijk is.”

Op dit artikel wordt in artikel 5 van de Toelichting bij het Repartitiereglement van de

Vereniging Buma (prod. G6), voor zover relevant, de volgende toelichting gegeven:

“Het derde, het vierde en het vijfde lid van artikel 5 gaan over de programma-opgaven.

Buma is volgens deze bepalingen verplicht zich in te spannen om programma-opgaven te verkrijgen. Die inspanningsverplichting heeft zijn grenzen: enerzijds kan onder bepaalde omstandigheden van verdere garing worden afgezien als de aanwezige programma-opgaven al tot een rechtvaardige verdeling kunnen leiden, anderzijds hoeft Buma niet verder te garen als die verdere garing bijvoorbeeld al te hoge kosten met zich mee zou brengen.”

(iv) Artikel 16, tweede lid, van het repartitiereglement leest als volgt:

“Reclames over in enig jaar verrichte afrekeningen worden in behandeling genomen tot uiterlijk 31 december van het tweede jaar volgend op het kalenderjaar waarin de

desbetreffende afrekening is verricht. Nadien vervalt het recht van de deelnemer om over de desbetreffende afrekening te reclameren.”

Artikel 16, derde lid en onder a, van het repartitiereglement leest vervolgens:

“Wanneer bij de bepaling van de hoogte van het bedrag dat aan een deelnemer toekomt enigerlei fout is gemaakt kan deze fout worden geredresseerd tot uiterlijk 31 december van het tweede jaar volgende op het kalenderjaar waarin de desbetreffende afrekening is verricht.”

( v) [geïntimeerde] heeft in 2004 bij Buma een commentaar ingediend over het ontbreken

van de uitbetaling van vergoedingen voor het gebruik van zijn muziekwerken tijdens diverse optredens van Froger in de periode 1999 tot 2004. [geïntimeerde] heeft hierbij documentatie van optredens van Froger in die periode overgelegd. Buma heeft in een brief van 11 november 2005 (prod. E5) een schikkingsvoorstel gedaan ter afhandeling van dit commentaar. Deze brief bevat, voor zover relevant, de volgende passages:

Conclusie periode 2002-2004

(…) De optredens waarvoor nog niet geïncasseerd was zullen voor 50% betaalbaar worden gesteld volgende in de ‘aanname’ opgenomen verdeling. Dit betreft een totaalbedrag van 80% van (€ 94.100,00 (zie 7).

Momenteel is hoogst onduidelijk of Buma zal slagen deze incasso te realiseren, indien er meer geïncasseerd wordt dan deze 50% zal ook dat deel voor afrekening in aanmerking komen. Van u wordt verwacht een actieve bijdrage in het aanleveren van informatie op basis waarvan Buma een hogere incasso kan realiseren. Hiervoor zult u een lijst ontvangen met het verzoek te achterhalen wie de organisator van het betreffende evenement is.

Tegemoetkoming over de periode 1999-2001

(…) Totaal betreft het dus 147 miniconcerten, die niet door Buma zijn geïncasseerd, omdat deze destijds niet zijn opgegeven. (...)

We stellen vast dat de gemiddelde incasso van deze concerten € 1.400,00 betreft. In totaal zou het dan gaan om een bedrag van € 205.800,00. Dit bedrag keren we voor 50% uit, en wordt voor 80% afgerekend conform de in de ‘aanname opgenomen verdeling.

Ook hier geldt weer dat indien er meer geïncasseerd wordt dan deze 50% ook dat deel

voor afrekening in aanmerking zal komen. En ook hier wordt van u verwacht een actieve bijdrage in het aanleveren van informatie op basis waarvan Buma een hogere incasso kan realiseren. Hiervoor zult u een lijst ontvangen met het verzoek te achterhalen wie de organisator van het betreffende evenement is.”

In de brief van 5 december 2005 (prod. G8) heeft [geïntimeerde] voor akkoord van het

voorstel (met een aanpassing van de ‘aanname’ voor verdeling van 80 naar 90%) getekend. In deze brief staat dat [geïntimeerde] met ondertekening aan Buma finale kwijting verleent terzake zijn klachten over de periode tot en met 2004.

(vi) In 2011 heeft [geïntimeerde] aan Buma documentatie overgelegd van optredens van

Froger over de periode 2005 tot 2011.

(vii) Buma heeft Froger in november 2011 gedagvaard vanwege het onvolledig

overleggen van set- en speellijsten. Buma heeft in 2011 via Froger setlijsten van zijn

optredens in de periode 2007 tot en met 2011 verkregen (prod. G 10). Op ieder van deze setlijsten staat aangegeven dat Froger bij zijn optredens drie nummers uitvoert welke door [geïntimeerde] (mede) zijn geschreven/gecomponeerd. Dit zijn de nummers “Just say hello”, “Are you ready for loving me” en “Calling out your name”.

(viii) Als productie E13 is een brief van Buma aan [geïntimeerde] van 22 november 2012 overgelegd. Deze brief heeft als onderwerp “nog niet afgerekende Rene Froger optredens 2005-2009” en leest, voor zover relevant, als volgt:

‘Met betrekking tot de optredens waarvan wij ten tijde van de betreffende afrekeningen niet in het bezit waren van de speellijsten van de uitgevoerde werken hebben wij het onderzoek reeds afgerond en de betreffende optredens hebben wij met onze brief van 23 maart 2012 aan u uitgekeerd. (…)

Inmiddels is het onderzoek naar de ontbrekende optredens afgerond en voor de betreffende optredens hebben wil alsnog een financiële correctie doorgevoerd. Het u nog toekomende bedrag zal met onze servicecall distributie van 22 november 2012 aan u worden uitgekeerd (...).

(ix) Als productie El6 is een brief van Buma aan [geïntimeerde] van 2 juli 2013

overgelegd. Bijlage 15 bij de brief heeft als titel “Optredens wel incasso maar in eerste

instantie geen setlist. Na ontvangst van setlist alsnog uitgekeerd” en de eerste drie pagina’s van de bijlage omvatten onder meer een lijst van 54 optredens van Froger in de periode 2005-2010. Op de derde pagina van de bijlage staat vervolgens dat deze 54 optredens zijn afgerekend en dat [geïntimeerde] het bedrag van € 2.603,00 heeft ontvangen als vergoeding voor het gebruik van de nummers “Just say hello”, “Are you ready for loving me” en “Calling out your name”. Pagina 5 van de bijlage geeft aan dat dit bedrag is afgerekend op 23 maart 2012.

Op de zesde pagina van bijlage 16 bij de brief van 2 juli 2013 staat een afrekening van

optredens in de periode 2005-2009 voor de nummers “Just say hello”, “Are you ready for loving me” en “Calling out your name” voor een totaalbedrag van € 5.591,18. Pagina 3 van deze bijlage geeft aan dat [geïntimeerde] dit bedrag op 22 november 2012 heeft ontvangen.

( x) [H.] , achtergrondzangeres van Froger, is op 17 april 2013 als getuige

gehoord in een voorlopig getuigenverhoor in de zaak van [geïntimeerde] tegen Buma door de rechtbank Noord-Holland (C/15/198794/HA RK 12-150). Dit verhoor is opgenomen in een proces-verbaal (prod. E14). [H.] heeft, voor zover relevant, het volgende verklaard:

“Tijdens een tape optreden zingen we ongeveer acht liedjes, waarvan ongeveer de helft nummers zijn van [geïntimeerde] . Dat zijn de nummers: 69, 72, 87 en 95. Een miniconcert duurt anderhalf uur en dan zingen we de liedjes 69, 72, 87, 95 en 107. tijdens de theatertours zingen we 69, 72, 87, 95, 91, 102 en Wild Rhythm.

Op 12 juni 2013 is Froger als getuige in voornoemd voorlopig getuigenverhoor gehoord. Dit verhoor is opgenomen in een proces-verbaal (prod. E15). Froger heeft, voor zover relevant, het volgende verklaard:

“Het klopt dat [geïntimeerde] liedjes voor mij heeft geschreven en dat ik zijn liedjes tijdens mijn optredens zing. Het aantal liedjes dat ik zing varieert, de ene keer drie, soms twee, soms vier, dat heeft te maken met de lengte van de optredens en ook met de emotie van de avond.(…)

Bij tape optredens nu varieert het aantal liedjes van [geïntimeerde] van twee tot vier. (…)

Het klopt dat tijdens tape optredens de nummers 69, 72, 87 en 95 altijd wel gezongen

worden, maar ik weet niet over welke periode u spreekt. Soms doe ik Are you ready for loving me en dan doe ik bijvoorbeeld Calling out your name niet. Het is na gelang de avond zich vormt, maar het zijn er altijd wel gemiddeld drie uit het genoemde rijtje. (...)

Ik begrijp dat [H.] voor de miniconcerten naast de vier genoemde nummers ook

nummer 107 heeft genoemd. Dat klopt. Tijdens miniconcerten zing ik gemiddeld vijf liedjes van [geïntimeerde] .”

(xi) Als productie E4 heeft [geïntimeerde] een lijst overgelegd met de nummers die hij

voor Froger (mede) heeft geschreven en gecomponeerd. Nummer 69 op deze lijst is “Are you ready for loving me”, nummer 72 is “Calling out your name”, nummer 87 is “Just say hello”, nummer 91 is “Man with a mission”, nummer 95 is “Nobody else” en nummer 107 is “Your place or mine”.

3.2.

[geïntimeerde] heeft in dit geding gevorderd, voor zover in hoger beroep van belang, een verklaring voor recht dat Buma toerekenbaar tekort is geschoten in haar inspanningsverplichting en daarmee in de nakoming van de met [geïntimeerde] gesloten exploitatieovereenkomst alsmede de veroordeling van Buma tot vergoeding van de door [geïntimeerde] als gevolg daarvan geleden schade.

De rechtbank heeft de beide hier besproken onderdelen van de vordering van [geïntimeerde] (in engszins gewijzigde vorm) toegewezen. Tegen deze beslissing en de motivering daarvan komt Buma in hoger beroep met vijf grieven op.

3.3.

Hoewel hij met name verwijst naar de inspanningsverbintenis die volgt uit artikel 5 lid 3 van het repartitiereglement (en die er toe strekt dat door Buma geïncasseerde vergoedingen op eerlijke wijze over de auteurs van de ten gehore gebrachte liederen worden verdeeld) legt [geïntimeerde] , naar het hof begrijpt, aan zijn vordering niet alleen ten grondslag dat Buma zich onvoldoende heeft ingespannen om de hiervoor bedoelde eerlijke verdeling tot stand te brengen (er zouden per concert van Froger meer door [geïntimeerde] geschreven nummers ten gehore zijn gebracht dan de drie die Buma tot uitgangspunt heeft genomen bij de vaststelling van de aan [geïntimeerde] toekomende vergoeding), doch tevens dat Buma zich onvoldoende heeft ingespannen om te achterhalen of er van onder meer Froger live-optredens (in de vorm van zogenoemde mini-concerten) zijn georganiseerd waarbij door [geïntimeerde] geschreven nummers ten gehore zijn gebracht waarvoor überhaupt geen licentievergoedingen aan Buma zijn afgedragen. Buma voert terecht aan dat de rechtbank deze twee aspecten bij de beoordeling van het geschil onvoldoende uit elkaar heeft gehouden en daarmee heeft miskend dat artikel 5 lid 3 van het repartitiereglement alleen betrekking heeft op de verdeling (repartitie) van door Buma wel geïncasseerde vergoedingen.

3.4.1.

Met betrekking tot het verwijt betreffende de repartitie overweegt het hof als volgt. De basis van de verdeling van gelden met betrekking tot concerten als de onderhavige wordt in beginsel gevormd door de door Buma ontvangen programma-opgaven met betrekking tot die concerten, zijnde de lijst van tijdens de concerten ten gehore gebrachte nummers (vgl. het repartitiereglement, artikel 1 “Begripsomschrijvingen” onder g, ook aangeduid als setlijst of repertoire opgave).

[geïntimeerde] heeft gesteld dat Buma in de periode 2005-2011 niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting met betrekking tot het verkrijgen van volledige programma-opgaven en heeft erop gewezen dat de afrekening van 23 maart 2012 en 22 november 2012 wordt uitgegaan van drie specifiek ten gehore gebrachte nummers, terwijl uit de getuigenverklaringen die door [H.] en Froger in 2013 zijn afgelegd in de door Buma tegen Froger aanhangig gemaakte rechtszaak volgt dat daarnaast andere nummers zijn uitgevoerd. Zijn schade met betrekking tot die periode zou er, naar het hof uit de stellingen van [geïntimeerde] opmaakt, in bestaan dat Buma te weinig van de over die periode geïncasseerde gelden heeft afgedragen (immers over drie nummers per concert in plaats van vier of meer).

3.4.2.

De rechtbank heeft in het eindvonnis vastgesteld dat [geïntimeerde] met betrekking tot hem over de periode 2005 tot en met 2007 toekomende vergoedingen, gelet op het bepaalde in artikel 16 van het repartitiereglement, te laat heeft geklaagd. Nu tegen de desbetreffende overweging in hoger beroep niet is opgekomen gaat het hof er vanuit dat eventuele aanspraken van [geïntimeerde] betreffende de verdeling van door Buma geïncasseerde gelden over genoemde periode zijn vervallen.

Buma heeft de uitkering aan [geïntimeerde] met betrekking tot door haar geïncasseerde gelden over de periode daarna (2008-2011) uiteindelijk gebaseerd op setlijsten (programma-opgaven, zie hiervoor onder 3.4.1) die door haar bij Froger zijn opgevraagd en waarop vermeld was dat per concert steeds drie door [geïntimeerde] geschreven nummers ten gehore werden gebracht. Dat Buma bij die uitkering niet op die setlijsten had mogen afgaan en door dat wel te doen tekort is geschoten in de krachtens artikel 5 lid 3 van het repartitiereglement op haar rustende inspanningsverplichting vindt in het feitenmateriaal onvoldoende steun, laat staan dat daarin grond is gelegen om aan te nemen dat Buma ter zake grove schuld en/of opzet te verwijten valt in de zin van artikel 5 lid 4 van de exploitatieovereenkomst. Daarvoor is het volgende redengevend.

3.4.3.

Buma heeft er terecht op gewezen dat het bepaalde in artikel 5 lid 3 van het repartitiereglement ruimte laat voor een beleidsmatige afweging, dat haar middelen beperkt zijn en dat bij de vraag welke maatregelen zij moet nemen om informatie ten behoeve van repartitie te vergaren budgettaire aspecten een rol spelen. In de rede ligt dat, zoals Buma aanvoert, de kosten die Buma maakt en de baten voor auteurs in verhouding moeten staan, Buma daarbij dient te waken voor een gelijke behandeling van de auteurs, en dat, gelet hierop, met betrekking tot de wijze van vergaring van informatie beleidsmatige keuzes worden gemaakt die tot een zekere standaardisering van deze wijze van vergaring leiden. Buma stelt in dit kader dat haar beleid tot 2011 inhield dat zij met theaterexploitanten, concertzaalexploitanten, concertorganisatoren en exploitanten van horecagelegenheden licentieovereenkomsten sloot (die de strekking hadden dat van het gehele door Buma vertegenwoordigde repertoire gebruik mocht worden gemaakt en die, in het geval van de eerste drie categorieën, doorgaans niet per concert werden afgesloten maar ‘doorlopend’ waren), dat zij van deze organisatoren ook setlijsten placht te ontvangen maar dat indien dit niet het geval was, vooral waar het de kleinere concerten betrof, de repartitie plaatsvond op basis van een zogenoemd referentierepertoire. Met de artiesten zelf onderhield zij geen relatie en op dezen rustte ook niet de verplichting om aan Buma op te geven welke nummers ten gehore werden gebracht (vanaf 2011 is zij op basis van vrijwilligheid ook artiesten bij de repartitie gaan betrekken, zie hierna onder 3.4.2). In de klacht van [geïntimeerde] in april 2011 heeft zij aanleiding gezien om, in afwijking van het hier beschreven beleid, bij de artiest (Froger) zelf naast speellijsten (lijsten met de data en locaties van live-optredens) setlijsten op te vragen en zij heeft de in 2012 gedane (nadere) uitkeringen daarop gebaseerd.

3.4.4.

Het is tegen deze achtergrond dat moet worden beoordeeld of in redelijkheid van Buma kon worden verlangd dat zij naar aanleiding van door [H.] en Froger in april en juni 2013 afgelegde getuigenverklaringen nog verder onderzoek zou doen naar het in de periode 2007-2011 door Froger ten gehore gebrachte repertoire.

Het hof komt tot de slotsom dat dit niet het geval is. Weliswaar valt uit de verklaring van [H.] op te maken dat er per optreden meer dan drie liedjes van [geïntimeerde] werden uitgevoerd (doorgaans vier en soms meer), doch daar staat tegenover de verklaring van Froger die inhoudt dat het aantal liedjes van [geïntimeerde] per optreden varieerde van twee tot vier. Volgens beide getuigen was sprake van tapeoptredens waarin steeds vier door [geïntimeerde] geschreven nummers ten gehore werden gebracht maar deze vonden op zijn vroegst in de tweede helft van 2010 (volgens [H.] op het tijdstip van haar verklaring sinds tweeënhalf jaar, volgens Froger sinds twee, drie jaar) plaats. Dat in dit een en ander zodanige aanwijzingen waren gelegen dat de door Froger verschafte setlijsten op het punt van het aantal ten gehore gebrachte nummers niet klopten - in die zin dat (gemiddeld) het aantal hoger lag dat het aantal waarvan Buma in 2012 was uitgegaan - dat van Buma kon worden verlangd dat zij nader onderzoek deed naar het repertoire van live-optredens van Froger in de periode 2008 tot en met 2011 vermag het hof niet in te zien.

3.4.5.

Het voorgaande brengt mee dat de vordering voor zover die betrekking heeft op de niet nakoming door Buma van een uit artikel 5 lid 3 van het repartitiereglement voortvloeiende inspanningsverplichting niet toewijsbaar is.

3.5.1.

Zoals hiervoor overwogen verwijt [geïntimeerde] Buma tevens dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om informatie te vergaren over mogelijk niet bij haar aangemelde optredens van Froger en tot incassering van daarover verschuldigde licentievergoedingen (en uitbetaling aan [geïntimeerde] ter zake) over te gaan.

Hij heeft in dit verband gewezen op de tussen Buma met [geïntimeerde] en andere gedupeerde auteurs in november 2005 getroffen regeling die naast de verdeling van geïncasseerde gelden betrekking had op optredens van Froger die niet bij Buma waren aangemeld (en waarover derhalve niet door Buma was geïncasseerd). Het standpunt van [geïntimeerde] houdt (naar het hof begrijpt) in dat Buma in het licht hiervan meer onderzoek had behoren te doen en tot het verkrijgen van speellijsten afspraken had dienen te maken met Froger en/of zijn boekingskantoor en dat Buma door dit na te laten tekort is geschoten in verplichtingen die uit de exploitatieovereenkomst voortvloeien.

3.5.2.

Buma heeft ook in dit verband gewezen op beperkingen van onder meer budgettaire aard, de noodzaak om de incasso ten behoeve van bij haar aangesloten auteurs/leden te standaardiseren (zij citeert een passage in de toelichting bij het exploitatiereglement (productie 18) waarin is vermeld: “De beleidsvrijheid van Buma bij de exploitatie van auteursrechten is onder andere gerelateerd aan de kosten van exploitatie en handhaving”) en het tot in 2011 gevoerde beleid (zie hierboven onder 3.4.3). In 2011 heeft zij, teneinde tegemoet te komen aan wensen van haar leden in verband met de daling van inkomsten uit CD’s, een beleidswijziging ingezet (‘het Podiumproject’) met als doel de inkomsten uit live-optredens te vergroten. Zij heeft in het kader daarvan de capaciteit van haar afdelingen die verantwoordelijk zijn voor incasso en repartitie van live-optredens substantieel uitgebreid en is, naast het nemen van een aantal andere maatregelen, anders dan voorheen ook de artiesten bij de informatiegaring gaan betrekken. Buma stelt dat zij er in 2012 in is geslaagd om samenwerkingsovereenkomsten met een vijftiental boekingskantoren te sluiten. Vóór 2011 was het volgens Buma echter niet gebruikelijk om anderen dan de tot afdracht verplichte organisator/exploitant bij de informatiegaring te betrekken welke, waar het mini-concerten betrof op (op bijvoorbeeld bedrijfsfeesten) vaak wisselende, ad hoc optredende personen waren. Buma stelt dat zij ten behoeve van individuele bij haar aangesloten auteurs eerst onderzoek naar niet bij haar gemelde optredens placht te doen naar aanleiding van concrete (voldoende onderbouwde) klachten met betrekking tot de afdracht over een bepaalde periode en dat bij de auteurs bekend was dat zij tijdig en gemotiveerd moesten klagen indien het vermoeden van onvolledige uitkering bestond.

3.5.3.

Vast staat dat Buma naar aanleiding van de in april 2011 door [geïntimeerde] ingediende klacht Froger heeft benaderd en deze in rechte heeft betrokken en vervolgens in april en september 2012 van hem speellijsten heeft ontvangen en dat zij mede op basis daarvan in 2012 tot het doen van nadere uitkeringen is overgegaan. Mede in het licht van het door Buma tot in 2011 gevoerde beleid is er onvoldoende grond om aan te nemen dat Buma jegens [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een uit de exploitatieovereenkomst voortvloeiende (inspannings)verplichting, laat staan dat Buma ter zake grove schuld of opzet verweten kan worden.

Ook voor zover deze is gebaseerd op de niet nakoming van een uit de exploitatieovereenkomst voortvloeiende verplichting als onder 3.5.1 bedoeld is de vordering van [geïntimeerde] derhalve niet toewijsbaar.

3.6.

Dit brengt mee dat de door Buma tegen het bestreden vonnis gerichte grieven slagen. Het vonnis zal worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] zal alsnog geheel worden afgewezen. [geïntimeerde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de vonnissen waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van Buma begroot op € 608,- aan verschotten en op € 1.130,- voor salaris in eerste aanleg en tot op heden op € 790,47 aan verschotten en op € 894,- voor salaris in hoger beroep;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en J.F. Aalders en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 februari 2017.