Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4514

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
23-001458-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepteelt. Strafoplegging na terugwijzing door de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001458-17

datum uitspraak: 3 november 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 18 april 2017 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 20 maart 2012 in de strafzaak onder parketnummer 15-660124-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

adres: [adres].

Procesgang

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 20 juli 2015 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 18 april 2017 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Na terugwijzing door de Hoge Raad heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De LOVS-oriëntatiepunten geven, voor soortgelijke zaken, een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijk gevangenisstrafstraf van twee maanden aan.

De verdachte heeft gedurende een langere periode een hennepkwekerij gedreven. Hennepteelt levert een softdrug op die bij langdurig gebruik kan leiden tot schade voor de gezondheid. De hennepteelt is echter niet alleen uit het oogpunt van de volksgezondheid maatschappelijk onaanvaardbaar, maar ook omdat de handel in hennep, vanwege de grote winsten die daarmee worden gemaakt, allerlei andere vormen van criminaliteit in de hand werkt. Daarbij komt dat de hennepteelt overlast, verloedering en (brand)gevaarlijke situaties veroorzaakt. De aangetroffen hennep kan, gelet op de hoeveelheid hennepstekken, slechts bedoeld zijn geweest voor de handel. De verdachte heeft aan deze handel bijgedragen en heeft zich daarbij louter laten leiden door eigen financieel gewin. In het voordeel van de verdachte pleit dat hij heeft toegegeven dat hij zich door anderen heeft laten gebruiken en dat hij van die wereld afstand heeft genomen.

Wat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte betreft is ter terechtzitting aangevoerd dat hij zijn leven heeft gebeterd. Hij is bezig zijn werkstraf uit te voeren, leeft hij van een uitkering en heeft, omdat zij vrouw hem heeft verlaten, alleen de zorg voor zijn twee jonge kinderen.

Het hof is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de door de advocaat-generaal thans gevorderde straf geen recht doet aan de ernst van het feit. Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf van na te melden duur, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof, met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2017:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 november 2017.

Mr. E. Mijnsberge en mr. J.H.C. van Ginhoven zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.