Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4505

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
23-003179-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzetheling van een kentekenplaat. Schuldheling van een bromfiets.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003179-16

datum uitspraak: 24 augustus 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-059071-16 en 13-217264-14 (TUL), 13-219657-15 (TUL), 13-684317-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2016 tot en met 18 maart 2016 te Amstelveen, in elk geval in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kentekenplaat ([kenteken 1]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 18 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een goed te weten een kentekenplaat ([kenteken 1]) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2:
hij op of omstreeks 18 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een goed te weten een bromfiets (kenteken: [kenteken 2]) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair:
hij op 18 maart 2016 te Amsterdam, een goed, te weten een kentekenplaat [kenteken 1], heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2:
hij op 18 maart 2016 te Amsterdam een goed, te weten een bromfiets, kenteken: [kenteken 2], heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde (schuldheling) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Door zich schuldig te maken aan opzetheling van een kentekenplaat en schuldheling van een bromfiets heeft de verdachte niet alleen geprofiteerd van misdrijven, maar bovendien bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor van misdrijf afkomstige goederen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 augustus 2017 is hij eerder ter zake van misdrijven veroordeeld.

Omdat het hof ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde tot bewezenverklaring van opzetheling in plaats van schuldheling komt, zou in beginsel een hogere straf dan door de rechter in eerste aanleg opgelegd op zijn plaats zijn. Gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht zal het hof echter volstaan met een straf gelijk aan de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf.

Dat betekent dat het hof, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden acht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 63, 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging (13-217264-14)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2015 opgelegde werkstraf van 10 uren, subsidiair 5 dagen jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Vordering tenuitvoerlegging (13-219657-15)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2016 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 week. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Vordering tenuitvoerlegging (13-684317-15)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 30 november 2015 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Omdat is gebleken dat de volledige tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf reeds is gelast bij onherroepelijk vonnis van 25 april 2017, parketnummer 13-741229-16, zal het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2015, parketnummer 13-217264-14, te weten van:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 10 (tien) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 5 (vijf) dagen jeugddetentie.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2016, parketnummer 13-219657-15, te weten van:

jeugddetentie voor de duur van 1 (één) week.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13-684317-15.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.M. Degenaar, mr. P.F.E. Geerlings en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 augustus 2017.