Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4500

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
23-003993-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

poging tot zware mishandeling; met een glas tegen het gezicht slaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003993-16

datum uitspraak: 8 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-152413-16 en 13-689093-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 juli 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een (bier)glas in/op/tegen het gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stompen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 21 juli 2016 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door met een (bier)glas in/op/tegen het gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat geen sprake is van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel omdat het glas waarmee geslagen is – hetgeen overigens niet wordt betwist – een horecaglas betreft dat direct in kleine stukjes breekt zodat geen ernstig letsel toegebracht kan worden. De verdachte dient daarom van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Indien met een glas met een zodanige kracht tegen het gezicht wordt geslagen, dat het glas daardoor breekt, is de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk. In het gezicht bevinden zich immers kwetsbare vitale lichaamsdelen, die ook door kleinere stukjes glas al snel ernstig verwond kunnen raken en waardoor blijvend letsel kan ontstaan. De verdachte heeft naar het oordeel van het hof dan ook door de aangever met een glas in het gezicht te slaan, al was dit een zogenoemd horecaglas dat in kleine stukjes breekt, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 21 juli 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een glas tegen het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is van noodweer.

Het hof gaat uit van de verklaring van de verdachte dat sprake is geweest van een situatie waarin de aangever de verdachte sloeg en de verdachte in reactie daarop de aangever heeft teruggeslagen met het glas dat hij op dat moment in zijn hand had. Het hof is van oordeel dat het terugslaan in het gezicht met een glas in je hand geen proportionele reactie is op de eerdere klap die de verdachte van de aangever zou hebben ontvangen, zodat aan de verdachte geen beroep op noodweer toekomt.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Voor zover een beroep is gedaan op noodweerexces heeft te gelden dat het bestaan van een hevige gemoedsbeweging niet is aangevoerd, noch aannemelijk is geworden.

Er is aldus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarde van een meldplicht inclusief ambulante behandeling.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Door de aangever met een glas in het gezicht te slaan, heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op diens lichamelijke integriteit. Dat de aangever hierbij niet ernstig gewond is geraakt is een gelukkige omstandigheid, die niet aan het handelen van de verdachte is te danken.

Daarbij komt dat een dergelijk agressief feit, dat bovendien heeft plaatsgevonden in het uitgaansleven, bijdraagt aan het ontstaan van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 juli 2017 is hij eerder voor onder meer geweldsdelicten veroordeeld. Gelet hierop als ook gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof aanleiding om behalve de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de door de reclassering in haar rapport van 17 oktober 2016 geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht en een behandelverplichting, teneinde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen .

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur met bijzondere voorwaarden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging (13-689093-15)

Het Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 september 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte op het moment dat hij het onderhavige delict pleegde op de hoogte was het feit dat de proeftijd was aangevangen. De proeftijd in deze zaak is blijkens het uittreksel uit de Justitiële documentatie van 10 juli 2017 immers ingegaan op 11 juli 2016, terwijl onduidelijk is waarom de proeftijd pas toen is aangevangen en het onderhavige feit van vlak daarna dateert. Dientengevolge zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op door de reclassering te bepalen momenten te melden bij Reclassering Nederland te Amsterdam, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is een – door de reclassering en de behandelende instelling nader te bepalen – behandelcontact aan te gaan met de Waag of een soortgelijke instelling. Ook dient hij mee te werken aan diagnostisch onderzoek, zoals een IQ-test.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 6 september 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 september 2015, parketnummer 13-689093-15, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. M.L. Leenaers en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 augustus 2017.

[…]