Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4492

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
200.200.490/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

OK; enquêterecht; beschikking van de raadsheer-commissaris; afwijzing van het verzoek te bepalen dat verzoekers een bepaalde termijn zal worden gegund om te reageren op het concept van het onderzoeksverslag van de onderzoeker, alsook van het verzoek het onderzoek uit te breiden, bepaalde personen bij het onderzoek te betrekken en een bepaald onderwerp mee te laten wegen in het onderzoeksverslag

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6111
ARO 2018/19
JONDR 2018/138
OR-Updates.nl 2017-0282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.200.490/02 OK

beschikking van de raadsheer-commissaris van 25 oktober 2017

inzake

[A] ,

wonende te [....] ,

VERZOEKER,

advocaat: mr. M.C. Schepel, kantoorhoudende te Den Haag,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] ,

gevestigd te [....] ,

VERWEERSTER,

advocaat: voorheen mr. H.J.M. van Schie, kantoorhoudende te Haarlem, thans geen,

e n t e g e n

1 [C] ,

2. [D],

beiden wonende te [....] ,

verschenen in persoon,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PIETER PARLEVLIET BEHEER B.V.,

gevestigd te Katwijk,

geen advocaat,

BELANGHEBBENDEN.

1. Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zullen partijen, belanghebbenden en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoeker met [A] ;

  • -

    verweerster met DPB;

  • -

    [C] met [C] ;

  • -

    [D] met [D] ;

  • -

    de besloten vennootschap [F] met MPB.

1.2

Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 16 en 18 mei 2017 in de zaak met zaaknummer 200.200.490/01 OK.

1.3

Bij de beschikking van 16 mei 2017 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van DPB over de periode vanaf 1 januari 2014, een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten, alsmede, bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, [D] geschorst als bestuurder van DPB (voor zover zij niet reeds rechtsgeldig was ontslagen), een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder van DPB – met beslissende stem voor zover [F] rechtsgeldig als bestuurder was benoemd –, bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is DPB te vertegenwoordigen en dat DPB zonder deze bestuurder niet vertegenwoordigd kan worden, en bepaald dat de bijzondere rechten verbonden aan de prioriteitsaandelen in DPB zijn opgeschort. Tevens is bij die beschikking mr. A.J. Wolfs benoemd tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW.

Bij de beschikking van 18 mei 2017 zijn mr. F.D. Stibbe te Amsterdam (hierna: Stibbe) en mr. J.G. Molenaar te Amsterdam (hierna: Molenaar) aangewezen als onderzoeker respectievelijk bestuurder zoals bedoeld in de beschikking van 16 mei 2017.

1.4

Op 2 oktober 2017 heeft Stibbe zijn concept van het onderzoeksverslag aan partijen verzonden, waarbij hij hun tot 16 oktober 2017 in de gelegenheid heeft gesteld om opmerkingen over de bevindingen te maken.

1.5

[C] en [D] hebben bij brief van 17 oktober 2017, die door hen is gerectificeerd bij brief van 18 oktober 2017, de raadsheer-commissaris verzocht te bepalen dat hun een termijn van zes weken zal worden gegund om te reageren op het concept van het onderzoeksverslag van Stibbe. Daarnaast hebben zij een verzoek gedaan het onderzoek uit te breiden naar de PP Groep, bepaalde personen bij het onderzoek te betrekken en een voornemen van MPB tot herstructurering mee te laten wegen in het onderzoeksverslag.

1.6

De Ondernemingskamer heeft op 20 oktober 2017 een brief ontvangen van [C] , waarin hij verzoekt om uitstel voor het geven van een reactie op het concept van het onderzoeksverslag van Stibbe tot 16 november 2017.

1.7

Stibbe heeft bij brief, met bijlagen, van 20 oktober 2017 gereageerd op het in 1.5 vermelde verzoek van [C] en [D] . Hij heeft een nadere reactietermijn gegeven tot 27 oktober 2017 en heeft kenbaar gemaakt bezwaar te hebben tegen een langere reactietermijn.

1.8

Molenaar heeft namens DPB gereageerd op het verzoek van [C] en [D] bij e-mail van 20 oktober 2017. Hij heeft zich te dien aanzien gerefereerd aan het oordeel van de raadsheer-commissaris.

1.9

Mr. Schepel voormeld heeft op 23 oktober 2017 namens [A] gereageerd op de in 1.5, 1.7 en 1.8 genoemde stukken. Volgens hem zijn [C] en [D] niet-ontvankelijk in hun verzoek, nu dit niet door tussenkomst van een advocaat is ingediend. Voor zover zij daarin wel ontvankelijk zijn, heeft [A] zich gerefereerd aan het oordeel van de raadsheer-commissaris over de verzochte nadere reactietermijn en zich inhoudelijk uitgelaten over het verzoek tot uitbreiding van het onderzoek naar de PP Groep.

2 De gronden van de beslissing

2.1

De omstandigheid dat [C] en [D] hun verzoek niet door tussenkomst van een advocaat hebben ingediend staat niet in de weg aan ontvankelijkheid daarvan: er is in een geval als het onderhavige geen sprake van verplichte procesvertegenwoordiging (Kamerstukken II 2011/12, 32 887, nr. 6 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32887-6), p. 28).

2.2

[C] en [D] hebben ter toelichting van hun verzoek naar voren gebracht dat Stibbe hun tot uiterlijk 20 oktober 2017 de gelegenheid heeft geboden inhoudelijk commentaar te leveren op het door hem opgestelde concept van het onderzoeksverslag. Deze termijn is volgens [C] en [D] niet haalbaar. MPB – een vennootschap waarvan [C] bestuurder is en waarin DPB 25% van de gewone aandelen houdt – is verwikkeld in een bodemprocedure, waaraan in de komende drie weken zeer veel aandacht zal moeten worden besteed. Daar komt bij dat MPB Molenaar van door hem verlangde informatie dient te voorzien, hetgeen voor [C] veel tijd in beslag neemt. Het onderzoek van Stibbe heeft zaken aan het licht gebracht die vragen oproepen; het conceptverslag is niet volledig. Het is evenwel van belang dat het tot een duidelijk onderzoeksverslag komt, terwijl er geen dringende reden is om het onderzoek met spoed af te ronden, aldus [C] en [D] .

2.3

Stibbe acht het om de volgende redenen niet op zijn plaats hem de verzochte aanwijzing te geven. Hij heeft zijn concept van het onderzoeksverslag reeds op 2 oktober 2017 aan [C] en [D] doen toekomen. De te becommentariëren tekst beslaat slechts twaalf pagina’s. [C] is niet de meest gerede partij om commentaar te geven op het conceptonderzoeksverslag. [C] en [D] hanteren volgens Stibbe wisselende argumenten voor het vragen van uitstel van het geven van commentaar. Het verleende uitstel tot 27 oktober 2017 acht hij voldoende, nu het onderzoek in zijn ogen al te lang heeft geduurd en [A] belang heeft bij voortgang van de zaak, aldus Stibbe.

2.4

Mr. Schepel heeft zich namens [A] weliswaar subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de raadsheer-commissaris wat betreft het door [C] en [D] verzochte uitstel, maar heeft de door Stibbe genoemde argumenten tegen toewijzing van de gevraagde termijnverlenging onderschreven. Wat betreft het verzoek tot uitbreiding van het onderzoek naar de PP Groep heeft mr. Schepel erop gewezen dat een enquêteverzoek met betrekking tot de PP Groep door de Ondernemingskamer is afgewezen bij haar beschikking van 28 februari 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:668).

2.5

De raadsheer-commissaris oordeelt als volgt. Uitgangspunt is dat de onderzoeker vrij is in de uitvoering van de hem opgedragen taken en dat hij het onderzoek naar eigen inzicht inricht. Daarbij is voor het handelen van de onderzoeker steeds bepalend hetgeen in de gegeven omstandigheden van een bekwaam en redelijk handelend onderzoeker mag worden verwacht (zie ook punten 3.1 en 3.2 van de Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers in enquêteprocedures, waarin ook staat dat de onderzoeker zijn werkzaamheden met voortvarendheid verricht). Het is dan ook in beginsel aan de onderzoeker om de procedure tijdens het onderzoek te bepalen en daarin de regie te voeren. De raadsheer-commissaris ziet in hetgeen [C] en [D] naar voren hebben gebracht geen aanleiding om in afwijking van bovenstaand uitgangspunt aan de onderzoeker een aanwijzing op te leggen over de termijn waarbinnen op het concept van het onderzoeksverslag kan worden gereageerd. Bovendien komt de door Stibbe geboden reactietermijn mede gelet op de genoemde omvang van tekst waarop kan worden gereageerd, de raadsheer-commissaris niet onredelijk voor.

2.6

De raadsheer-commissaris overweegt dat voormeld uitgangspunt tevens meebrengt dat het aan de onderzoeker is te bepalen welke informatie voor het onderzoek nodig is en welke personen daartoe in het onderzoek dienen te worden betrokken. [C] en [D] hebben in verband met hun verzoek tot uitbreiding van het onderzoek geen redenen naar voren gebracht die het zouden rechtvaardigen in zoverre van dit uitgangspunt af te wijken en de onderzoeker een aanwijzing te geven. Voor zover zij evenwel met hun verzoek hebben beoogd het onderzoek door Stibbe uit te breiden met onderwerpen die vallen buiten de reikwijdte van het onderzoek zoals dat is bevolen bij de beschikking van 16 mei 2017, is dit niet vatbaar is voor toewijzing door de raadsheer-commissaris.

3 De beslissing

De raadsheer-commissaris:

wijst het verzoek van [C] en [D] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, raadsheer-commissaris, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, op 25 oktober 2017.

Deze beschikking is bij ontstentenis van de raadsheer-commissaris getekend door mr. G.C. Makkink, raadsheer.