Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:4484

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
23-002748-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vier gewapende overvallen. Bevestiging vonnis met uitzondering van straf en met aanvullingen. Geen toepassing minderjarigenstrafrecht (77c), ondanks andersluidend advies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002748-16

datum uitspraak: 19 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 juli 2016 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15‑800439‑15 (hierna te noemen zaak A) en 15-710451-15 (hierna te noemen zaak B), alsmede

05-201037-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Van de zijde van het openbaar ministerie is geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ingediend. Het hof is van oordeel dat onder die omstandigheid toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het door de hem ingestelde hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juli 2017 en 5 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde in artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en -motivering, de beslissingen ten aanzien van het beslag, de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof het hiernavolgende overweegt en de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zal aanvullen met de bewijsmiddelen die (in die gevallen waarin de wet dit vereist) in een later bij dit verkort arrest te voegen aanvulling zijn vervat.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en 2 primair en in zaak B onder 1 en 2 (in het vonnis aangeduid als respectievelijk de feiten 1, 2 primair, 3 en 4) bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 en 2 primair en in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 56 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, onder de bijzondere voorwaarden als opgenomen in het reclasseringsrapport van 1 juni 2017.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen strafbepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen waarbij het hof omwille van de leesbaarheid eerst zal ingaan op hetgeen met betrekking tot de persoon van verdachte is meegewogen.

Over de persoon van de verdachte zijn de navolgende stukken opgemaakt en in het dossier gevoegd:

  • -

    de verdachte betreffende psychologische rapporten Pro Justitia van 18 december 2015 en 30 mei 2016, opgemaakt door mevrouw [naam 1] , GZ-psycholoog.

  • -

    de verdachte betreffende reclasseringsadviezen van Reclassering Nederland van 7 januari 2016, 31 maart 2016 en 31 mei 2016;

  • -

    een de verdachte betreffend reclasseringsadvies van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 1 juni 2017;

  • -

    een e-mailbericht van [naam 2] , reclasseringswerker Leger des Heils Reclassering Arnhem, gericht aan de raadsman van verdachte van 4 juni 2017, met als bijlage de rapportage van 31 mei 2017 met betrekking tot de “bereidverklaring deelname Individuele Traject Begeleiding Harde Kern”.

Uit de rapporten van psycholoog [naam 1] komt naar voren dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, die bestaat in een cognitief functioneren op het niveau van een licht verstandelijke beperking, en ouder-kind relatieproblematiek. Deze gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens was reeds aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Als gevolg van zijn cognitieve beperking is de verdachte verminderd in staat de mogelijke gevolgen van zijn gedrag te overzien en heeft hij minder probleembesef en -inzicht. Daarnaast is hij verminderd in staat tot zelfreflectie en het tijdig bijsturen van zijn gedrag. Als gevolg van de ouder-kind relatieproblematiek heeft de verdachte onder andere moeite met het vertrouwen van anderen (waaronder hulpverleners), heeft hij moeite zich te conformeren aan afspraken met begeleiders en zet hij zich af tegen hen. Hierdoor vergroot de mate van (mogelijk negatieve) beïnvloeding door de peergroup, waardoor er een grotere kans is dat de verdachte in de problemen komt. De psycholoog komt derhalve tot het advies om de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Het hof neemt dit advies over en houdt hiermee rekening bij het bepalen van de strafmaat.

Daarnaast komt uit de rapporten naar voren dat de kans op recidive van algemeen geweld, zonder begeleiding of interventie, als matig wordt ingeschat. De verdachte zou gebaat zijn bij intensieve begeleiding. De verdachte kent met betrekking tot zijn opvoedings- en thuissituatie een belaste voorgeschiedenis en er is veel hulpverlening ingezet. Sinds 2011 is een verslechtering zichtbaar in het gedrag van de verdachte en met betrekking tot de mate van begeleidbaarheid. Op basis van de wegingslijst adolescentenstrafrecht komt naar voren dat er indicaties zijn om te adviseren tot toepassing van het minderjarigenstrafrecht. Er is sprake van beperkte handelingsvaardigheden als gevolg van een licht verstandelijke beperking. Tevens wordt pedagogische beïnvloeding noodzakelijk geacht. Als contra-indicatie geldt – in enige mate – de justitiële voorgeschiedenis. In de rapporten adviseert [naam 1] tot toepassing van het minderjarigenstrafrecht welk advies zij ter terechtzitting in hoger beroep heeft gehandhaafd.

De reclassering heeft in haar rapporten zoals hiervoor opgesomd eveneens toepassing van het jeugdstrafrecht geadviseerd. Ter terechtzitting in hoger beroep is de reclasseringswerker, [naam 2] , bij dit advies gebleven.

De verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten ruim 19 jaar oud en dus meerderjarig. Uitgangspunt is dat op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is het meerderjarigenstrafrecht wordt toegepast, tenzij het hof in bijzondere omstandigheden aanleiding ziet daarvan af te wijken en op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de bepalingen van het jeugdstrafrecht toe te passen. Hiertoe kan het hof beslissen op grond van de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is of de feiten zijn begaan.

Uit de aangehaalde rapporten van de psycholoog en de reclassering en hetgeen de deskundigen daarover hebben verklaard ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat in hun afweging de persoon van verdachte de doorslaggevende factor is geweest om te adviseren het jeugdstrafrecht toe te passen. Hoewel het hof nadrukkelijk oog heeft voor de persoon van de verdachte en hetgeen de deskundigen hierover hebben opgemerkt, brengt dit gelet op de straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter niet mee dat het hof gehouden is het minderjarigenstrafrecht toe te passen.

De verdachte heeft zich, hetzij alleen, hetzij samen met een ander of anderen, binnen een periode van ongeveer drieënhalve maand schuldig gemaakt aan vier gewapende overvallen.

De eerste overval betrof een supermarkt in Nijmegen. De verdachte en zijn medeverdachte zijn met bedekt gezicht en gewapend met een (niet van echt te onderscheiden) nepvuurwapen en een mes de supermarkt binnen gegaan. De verdachten hebben twee medewerkers met deze wapens bedreigd om hen te dwingen kassa’s te openen. De verdachte heeft daarbij het nepvuurwapen op het hoofd van een medewerkster gericht en haar bij de nek gepakt en meermalen met kracht met haar hoofd tegen een kassascherm geduwd. Niet alleen voor de medewerkers, maar ook voor de aanwezige klanten, is deze brutale overval enorm angstaanjagend geweest. Onder hen was ook een jongetje van 12 jaar, dat toen hij naar buiten rende werd geconfronteerd met de verdachte en daarbij recht in de loop van zijn wapen keek.

Ongeveer zes weken later heeft de verdachte een pizzeria in Nijmegen overvallen. De verdachte heeft een in de zaak aanwezige medewerker van zeer dichtbij bedreigd met een – voor de leek niet van een echt vuurwapen te onderscheiden – gas/alarmpistool, onder meer door het tegen zijn hoofd te zetten. Ook heeft de verdachte deze medewerker geduwd en heeft hij, nadat de medewerker ten val was gekomen, vlak naast diens oor een schot gelost. Door de knal heeft het slachtoffer tot op de dag van vandaag oorklachten.

Een maand later heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een overval op een supermarkt in Hoorn. Een van de medeverdachten is gewapend met een gas/alarmpistool de winkel binnengegaan en heeft meerdere caissières onder bedreiging met dit wapen gedwongen om hun kassa’s te openen. Op weg naar de uitgang heeft hij een schot in de lucht gelost.

Enkele uren later heeft de verdachte samen met anderen een pizzeria in Purmerend overvallen. De verdachte is met een medeverdachte de zaak binnengegaan, waar op dat moment meerdere medewerkers aanwezig waren. De medewerkers zijn wederom bedreigd met een gas/alarmpistool en er is geschreeuwd dat zij de kassa open moesten maken. Om deze woorden kracht bij te zetten is er met het wapen in de lucht geschoten.

Bij al deze overvallen hebben de verdachte en/of zijn medeverdachte(n) zich direct zeer dreigend en intimiderend gedragen door te schreeuwen en met wapens te zwaaien. Bij drie van de overvallen zijn ook daadwerkelijk schoten gelost met het gehanteerde gas/alarmpistool, kennelijk met de bedoeling om de aanwezigen angst aan te jagen en hen zo te dwingen mee te werken. In alle gevallen hebben de slachtoffers zich ook zodanig bedreigd gevoeld dat zij volledig met de overvallers hebben meegewerkt. Het fysieke geweld dat er vervolgens in een aantal gevallen toch aan te pas kwam, was dan ook onnodig en buitensporig. Bij alle overvallen hebben de verdachte en/of zijn mededaders geldbedragen buitgemaakt en zijn zij er vandoor gegaan.

Dergelijke laffe daden zijn voor nietsvermoedende slachtoffers – zo leert de ervaring – een heftige en traumatiserende ervaring; in de eerste plaats voor de slachtoffers die rechtstreeks worden bedreigd, maar ook voor anderen die er getuige van zijn. Uit de ingediende slachtofferverklaringen blijkt dat deze overvallen tot vergaande nadelige psychische gevolgen hebben geleid waardoor de slachtoffers nog lange tijd zijn en worden belemmerd in hun dagelijks functioneren. Kennelijk hebben de verdachte en zijn mededader hun ogen voor dergelijke gevolgen gesloten en zich louter laten leiden door de zucht naar ‘snel geld’, waarmee zij bovendien blijk hebben gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van de gedupeerde winkel- en horecabedrijven. Daarbij is bijzonder verontrustend te noemen dat de verdachte telkens enkele weken na een geslaagde overval, kennelijk zodra het geld opraakte, heeft besloten een volgende overval te plegen. Dit neemt het hof de verdachte zeer kwalijk. Feiten als de onderhavige plegen de rechtsorde ernstig te schokken en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving te versterken.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 juni 2017 is hij eerder ter zake van vermogensdelicten, waaronder diefstal met geweld, veroordeeld. Het hof ziet gelet op de inhoud van de documentatie en de thans bewezenverklaarde feiten een toename in de ernst van de door de verdachte gepleegde delicten. Gelet hierop en in aanmerking genomen de hoeveelheid bewezenverklaarde feiten, die zijn gepleegd in een korte periode en de in de rapporten gestelde problematiek van de verdachte waarvoor thans nog geen oplossing is, acht het hof het recidiverisico aanzienlijk. Eerder is gebleken dat begeleiding van de verdachte niet tot de gewenste gedragsverandering heeft geleid. De reclassering benadrukt in haar rapport dat de huidige motivatie van de verdachte voor een intensief begeleidingstraject vooral lijkt voort te komen uit de lijdensdruk die detentie op dit moment met zich brengt. Het gevaar is en blijft dat bij invrijheidstelling deze motivatie snel kan verdwijnen. Een fors voorwaardelijk strafdeel kan naar het oordeel van de reclassering de motivatie ten aanzien van een hulpverleningstraject vergroten.

Alles overziend ziet het hof – anders dan de psycholoog, de reclassering, de advocaat-generaal en de verdediging – in de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan onvoldoende aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat het meerderjarigenstrafrecht wordt toegepast.

De ernst van de feiten rechtvaardigt zonder meer het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur, zoals door de rechtbank opgelegd. Naar het oordeel van het hof dient bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals reeds hiervoor uiteengezet. Hierbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en voorts dat de verdachte ter zitting duidelijk gemaakt dat hij een nieuwe weg wil inslaan en bereid is zich onder toezicht van de reclassering te stellen. Het hof zal dan ook, anders dan de rechtbank, een deel van de vrijheidsbenemende straf in voorwaardelijke vorm opleggen. In aanmerking genomen dat de reclassering in haar rapporten heeft opgenomen dat een (groot) voorwaardelijk strafkader wenselijk is om de motivatie van de verdachte ten aanzien van een hulpverleningstraject te vergroten, is naar het oordeel van het hof het opleggen van een fors voorwaardelijk strafdeel als zogeheten stok achter de deur noodzakelijk. Dat brengt met zich dat het hof zich beperkt ziet in de duur van de op te leggen gevangenisstraf. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan de helft voorwaardelijk, passend en geboden. Daarbij zullen, in het verlengde van het advies van de reclassering, na te noemen bijzondere voorwaarden worden gesteld. Omdat het hof verwacht dat de verdachte nog geruime tijd begeleiding nodig zal hebben en het recidiverisico in aanmerking genomen zal de proeftijd worden vastgesteld op drie jaren. Voorts zal het hof bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn omdat het hof gelet op al het voorgaande van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Beslag

Teruggave aan de rechthebbende(n)

Bij de aanhouding van de verdachte en zijn twee medeverdachten op 30 september 2015 is een geldbedrag van in totaal € 1.454,90 aangetroffen, deels in de kleding van de verdachten, deels in de auto waarin zij reden. Dit geld is in beslag genomen. Van het totaalbedrag is een bedrag van € 696,00 onder de verdachte in beslag genomen.

Naar het oordeel van het hof kan worden aangenomen dat een deel van het in beslag genomen geld afkomstig is van de overvallen die diezelfde dag door de verdachten zijn gepleegd bij Deen supermarkt in Hoorn en New York Pizza in Purmerend.

Uit de vorderingen van de benadeelde partijen blijkt dat bij Deen supermarkt een bedrag van € 571,10 is weggenomen en bij New York Pizza Purmerend een bedrag van € 250,00. Het hof acht het daarom redelijk het onder de verdachten in beslag genomen geld in zoverre terug te geven aan deze gedupeerden.

Bij vonnis van 15 juli 2016 in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] is de teruggave aan New York Pizza Purmerend gelast van € 250,00, zodat deze benadeelde geen schade meer heeft.

Bij vonnissen van 15 juli 2016 in de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is de teruggave aan Deen gelast van respectievelijk € 192,90 en € 316,00, in totaal € 508,90. Het hof zal daarom de teruggave aan Deen gelasten van het onder de verdachte in beslag genomen geld tot het resterende bedrag dat bij Deen is weggenomen, te weten van € 62,20.

Teruggave aan de verdachte

Van het overige onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag, te weten € 633,80, is de herkomst niet vast te stellen, zodat dit geldbedrag aan de verdachte zal worden teruggegeven.

Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven kledingstukken en schoenen dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 57, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 11 november 2014 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 14 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Gelet op de leeftijd van de verdachte en de omstandigheid dat hij reeds in volwassenendetentie verblijft is het hof van oordeel dat de veroordeelde niet meer voor jeugddetentie in aanmerking komt, zodat het hof (gelet op artikel 77dd, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht) zal bepalen dat de opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie zal worden tenuitvoergelegd als gevangenisstraf.

Vordering van de benadeelde partij New York Pizza

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 250,00 voor materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet‑ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit de vordering blijkt dat bij New York Pizza Purmerend een bedrag van € 250,00 is weggenomen.

Zoals hiervoor overwogen is bij vonnis van 15 juli 2016 in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] de teruggave aan New York Pizza Purmerend gelast van € 250,00, zodat van schade geen sprake meer is. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.539,16, bestaande uit € 39,16 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, hetgeen niet is betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij Deen Winkels

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.197,78. Het hof is evenwel gebleken dat de vordering een rekenfout bevat, zodat de optelsom van de verschillende posten een totaalbedrag behelst van € 4.017,78, bestaande uit materiële schade (ter zake van weggenomen kassageld en kosten voor opvang en nazorg van winkelpersoneel). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.992,88. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit de vordering blijkt dat bij Deen een bedrag van € 571,10 is weggenomen. Bij vonnissen van 15 juli 2016 in de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is de teruggave aan Deen gelast van respectievelijk € 192,90 en € 316,00, in totaal € 508,90. Het hof zal daarom, zoals hiervoor is overwogen, de teruggave aan Deen gelasten van het onder verdachte in beslag genomen geld tot het resterende bedrag dat bij Deen is weggenomen, te weten van € 62,20. Voor zover de schade bestaat uit weggenomen kassageld, een bedrag van € 571,10, heeft de benadeelde partij derhalve geen schade en kan zij daarom voor dat deel van de vordering niet in de vordering worden ontvangen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het overigens gevorderde bedrag (€ 3.446,68), hetgeen niet is betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij Jumbo Supermarkten

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.940,13 bestaande uit materiële schade (ter zake van weggenomen contant geld, weggenomen koopzegels, 4 vernielde potten olijven, kosten slachtofferhulp, kosten preventiecoach en managementcoach). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.061,14. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Het hof overweegt dat de vergoeding van de BTW over de gevorderde bedragen niet in de rede ligt, nu de benadeelde partij als onderneming de BTW kan terugvorderen van de fiscus. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij daarom in zoverre (tot een bedrag van € 548,99) afwijzen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het overigens gevorderde bedrag (€ 4.391,14), hetgeen niet is betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.500,00 voor immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, hetgeen niet is betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.600,00 voor immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, hetgeen niet is betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00 voor immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, hetgeen niet is betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.627,97, bestaande uit € 14.127,97 voor materiële schade (ter zake van gederfde inkomsten, zakken voor praktijkexamen scooterrijbewijs, gederfd studiejaar en reiskosten) en € 7.500,- voor immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.952,97. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting zal het hof de vordering voor zover deze ziet op de immateriële schade (€ 7.500,00) toewijzen. De verdachte heeft immers met een gas/alarmpistool vlak naast het oor van de benadeelde een schot gelost. Het hof acht het aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg hiervan nu, bijna twee jaar na deze gebeurtenis, nog steeds last heeft van een ‘piep’ (tinnitus) in zijn oor, waardoor hij ernstig gehinderd wordt in zijn dagelijks leven. Er is een gerede kans dat de aandoening een chronisch karakter heeft.

Wat betreft de kosten in verband met het gederfde studiejaar (€ 13.400,00) is het hof met de raadsman en de advocaat-generaal van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de kosten in verband met het zakken voor het praktijkexamen scooterrijbewijs (€ 275,00) is het hof van oordeel dat er gelet op de korte tijdsspanne tussen het bewezen verklaarde en dit examen voldoende causaal verband is tussen het handelen van de verdachten en de gestelde schade, zodat de verdachte tot vergoeding van die schade gehouden is.

De verdachte is ook tot vergoeding van de overige materiële schade (€ 452,97) gehouden, zodat de vordering ook in zoverre zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging, de beslissingen ten aanzien van het beslag, de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) jaren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  • -

    de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Leger des Heils Reclassering op het volgende adres: [adres] , of hiertoe via telefoonnummer [telefoonnummer] een afspraak te maken, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en verplicht is zich te houden aan de aanwijzingen vanuit de reclassering;

  • -

    de veroordeelde verplicht is mee te werken aan het wonen binnen een intensief woonbegeleidingstraject van [naam 3] en/of [naam 4] en/of Trajectum of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering en zich te houden aan het (dag)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een geldbedrag van € 633,80;

  • -

    1 paar schoenen, zwart, Lacoste;

  • -

    1 bodywarmer, blauw;

  • -

    1 joggingbroek, grijs, Marvel;

  • -

    1 vest, grijs, Adidas;

  • -

    1 paar schoenen, grijs met roze, maat 46, Nike Mercurial;

  • -

    1 paar schoenen, zwart/groen, maat 46, Nike Air Jordan.

Gelast de teruggave aan Deen Winkels van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 62,20.

Vordering van de benadeelde partij New York Pizza

Verklaart de benadeelde partij New York Pizza in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.539,16 (duizend vijfhonderdnegenendertig euro en zestien cent) bestaande uit € 39,16 (negenendertig euro en zestien cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.539,16 (duizend vijfhonderdnegenendertig euro en zestien cent) bestaande uit € 39,16 (negenendertig euro en zestien cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij Deen Winkels

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Deen Winkels ter zake van het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.446,68 (drieduizend vierhonderdzesenveertig euro en achtenzestig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Deen Winkels , ter zake van het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.446,68 (drieduizend vierhonderdzesenveertig euro en achtenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 44 (vierenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij Jumbo Supermarkten

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Jumbo Supermarkten ter zake van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.391,14 (vierduizend driehonderdeenennegentig euro en veertien cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Jumbo Supermarkten , ter zake van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.391,14 (vierduizend driehonderdeenennegentig euro en veertien cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 53 (drieënvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.227,97 (achtduizend tweehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 727,97 (zevenhonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 8.227,97 (achtduizend tweehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 727,97 (zevenhonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 76 (zesenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 11 november 2014, parketnummer 05‑201037-14, te weten van een jeugddetentie voor de duur van 14 dagen, te vervangen door:
een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.L. Leenaers en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juli 2017.